Kraamzorg: samen werken aan goede zorg thuis
Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Shutterstock
De druk op de kraamzorg neemt toe: dat heb jij als verloskundige vast ook al gemerkt. Maar er is ook veel in beweging. De KNOV werkt samen met Bo Geboortezorg en het Kenniscentrum Kraamzorg aan toekomstbestendige kraamzorg. Zo loopt er een pilot voor een indicatiemethodiek en werkt de KNOV mee aan verschillende andere projecten. In dit artikel lees je wat er speelt en wat dat voor jou betekent.

Het is half zes ’s ochtends. De baby ligt op de borst van haar moeder. De controles zijn klaar. Normaal zou je nu je tas pakken, omdat de kraamverzorgende er is. Vandaag staat er niemand. Je begeleidde de bevalling alleen. Je kijkt naar de moeder. Zij kijkt naar jou. En nu? Je blijft langer dan normaal gesproken. Niet omdat het medisch nodig is, maar omdat je de ouders niet alleen wil laten met een baby van twee uur oud. Als je toch moet vertrekken, spreek je af dat de ouders je kunnen bellen als het nodig is. Je rijdt naar huis. Onderweg denk je: dit is niet hoe het hoort.
Voor veel verloskundigen is dit een herkenbare realiteit. De capaciteitsproblemen in de kraamzorg zijn groot. Er is te weinig nieuwe instroom in de sector en het ziekteverzuim en de uitstroom zijn hoog. Dat heeft natuurlijk in de eerste plaats effect op het gezin, dat het met minder kraamzorg moet doen of soms helemaal geen kraamzorg kan vinden. Ook is bekend dat gezinnen in een kwetsbare situatie het hardst worden geraakt door deze capaciteitsproblemen. Zij melden zich vaker laat bij een kraamzorgorganisatie en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de zorg het hardst nodig hebben. Zorginstituut Nederland zag eerder al dat er grote regionale en sociaal-economische verschillen zijn in het kraamzorggebruik en dat de zorg niet altijd terechtkomt bij de gezinnen waar de behoefte het grootst is.
Fysieke zorg aan huis
Tegelijkertijd raken de capaciteitsproblemen ook aan het werk van de verloskundige. Als er niet voldoende kraamzorguren zijn of zelfs helemaal geen kraamzorg is, blijf je soms langer, word je meer gebeld of bel je zelf wat vaker. Misschien rijd je ook nog een keer extra langs het gezin. Ook daarom is bijdrage aan de ontwikkeling van de kraamzorg belangrijk. Sinds enige tijd werkt de KNOV weer goed samen met Bo Geboortezorg, de branchevertegenwoordiger van kraamzorgorganisaties en het Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ). Zoals je misschien weet liep die samenwerking in de afgelopen jaren niet altijd soepel. De KNOV vond dat verloskundigen niet voldoende betrokken werden bij bepaalde beslissingen die moeten helpen om de capaciteitsproblemen in de kraamzorg aan te pakken: over de indicatiestelling, over de inrichting van kraamhotels, over de richting van de kraamzorg. Zo was de KNOV bijvoorbeeld niet aanwezig bij de gesprekken over het normenkader continuïteit kraamzorg dat Zorgverzekeraars Nederland, KCKZ en Bo Geboortezorg samen opstelden. Dat kader waarborgt dat cliënten minstens 24 uur kraamzorg ontvangen, ook in tijden van krapte.
'Zorg thuis is het uitgangspunt'
De KNOV vindt betrokkenheid bij dit soort afspraken belangrijk. Niet alleen omdat de afspraken het werk van verloskundigen ook beïnvloeden, maar ook omdat verloskundigen medisch eindverantwoordelijk zijn voor de postnatale zorg en het aantal uren voor kraamzorg indiceren. Gelukkig voert de KNOV inmiddels weer goede gesprekken met de kraamzorgvertegenwoordigers. Begin dit jaar hebben de KNOV en Bo Geboortezorg afgesproken dat ze gezamenlijk optrekken en dat er meer ruimte komt voor verschillende oplossingen.
Ook werkt de KNOV samen met Bo Geboortezorg en KCKZ aan een gezamenlijke visie op de eerstelijnsgeboortezorg. Die moet zowel kraamverzorgenden als verloskundigen handvatten geven om in de dagelijkse praktijk te blijven samenwerken en helder te houden wat het doel is: dat de hoeveelheid en kwaliteit van de kraamzorg niet wordt bepaald door wat er beschikbaar is, maar door wat het gezin nodig heeft. De KNOV wil dat vrouwen en gezinnen in hun eigen omgeving wennen aan het ouderschap, ondersteund door een vaste kraamverzorgende. Zorg thuis is dus het uitgangspunt. Daarbij hoort ook een passende indicatie met ruimte voor maatwerk, laagdrempelige samenwerking tussen verloskundige en kraamverzorgende en lage administratieve lasten, zodat er meer tijd overblijft voor het gezin.
Tijdelijke oplossingen
Natuurlijk zijn er soms tijdelijke oplossingen nodig. Deze oplossingen moeten passen binnen het grotere verhaal. Een kraamhotel kan soms tijdelijk verlichting bieden, maar het is niet de gewenste richting: de KNOV wil immers dat ouders in hun thuisomgeving wennen aan het ouderschap. Daarnaast merkt de KNOV dat een kraamhotel soms voor extra planningsuitdagingen bij verloskundigen zorgt. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat het probleem alleen maar verschoven wordt. Ook digitale ondersteuning is wat de KNOV betreft geen doel op zich. Digitale ondersteuning kan een prettige aanvulling zijn, maar het is niet geschikt als vervanging van reguliere kraamzorg. De beroepsorganisatie ziet dat fysieke aanwezigheid van een vertrouwd gezicht echt kan ondersteunen bij de start van het ouderschap en gezondheidsbevorderend werkt. Dat is anders dan wanneer je iemand online even spreekt of een filmpje bekijkt.
'Fysieke aanwezigheid van een vertrouwd gezicht kan echt ondersteunen bij de start van het ouderschap'
De KLIM-pilot
Eén van de concrete stappen die de afgelopen tijd zijn gezet is betrokkenheid bij de KLIM-pilot. KLIM staat voor Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek en het is een nieuwe werkwijze die ervoor moet zorgen dat kraamzorg beter kan worden afgestemd op de individuele behoeften van gezinnen. Daarbij kunnen zorgdoelen en zorgzwaartepakketten helpen, zo luidt de gedachte. Er zijn een paar belangrijke verschillen met de huidige werkwijze, het Landelijk Indicatieprotocol Kraamzorg (LIP). Nu wordt nog gewerkt met een standaard van uren waaraan extra uren worden toegevoegd op basis van specifieke indicaties. In de KLIM-pilot wordt gewerkt met zorgzwaartepakketten. Op basis van een brede intake kijken de kraamzorgorganisaties naar de situatie van het gezin: niet alleen naar medische risico’s, maar ook naar beschermende factoren en omstandigheden. Zij doen een voorstel voor een zorgzwaartepakket en de verloskundige geeft hiervoor goedkeuring. Het tweede belangrijke verschil is het zogenoemde klaar-is-klaar-principe. De kraamzorg duurt minimaal tot en met de zevende dag postpartum. Daarna kan, als de zorgdoelen zijn bereikt, in overleg tussen verloskundige, kraamverzorgende en cliënt worden besloten de zorg eerder af te ronden. Het in het zorgzwaartepakket vastgestelde aantal maximumuren hoeft dus niet te worden opgemaakt. Het uitgangspunt is: wat heeft dit gezin nodig? Deze nieuwe methodiek zou in fases landelijk worden geïmplementeerd, maar de KNOV vindt het belangrijk dat eerst goed onderzocht wordt hoe de KLIM in de praktijk uitpakt. Daarom is er nu eerst een pilot. Deze is in april 2026 van start gegaan bij zeven kraamzorgorganisaties verspreid over het land. Als je dit artikel leest en je werkt samen met een van die organisaties, heb je er misschien al mee te maken gehad. Werk je niet met deze organisaties samen, dan verandert er voor jou nu nog niets. De pilot loopt tot eind 2026. Uiteraard worden in de evaluatie de ervaringen van zowel de kraamzorgmedewerkers als verloskundigen en cliënten meegenomen.
Drie andere projecten
De KLIM-pilot is een waardevolle eerste stap naar toekomstbestendige kraamzorg, maar er zijn meer oplossingsrichtingen. Zo lopen er nog drie projecten waarbij de KNOV ook aan tafel zit. Een daarvan is functiedifferentiatie. In dit project wordt onderzocht of er meerdere profielen voor de kraamzorg mogelijk zijn. De gedachte daarachter is dat de sector daarmee voor bepaalde groepen weer interessanter kan worden. Nu stoppen kraamverzorgenden soms met werken omdat ze door persoonlijke omstandigheden minder willen werken of geen wachtdiensten meer willen draaien. In het project digitale zorg wordt gekeken naar wat wel en niet passend is. De KNOV zet er hierbij op in dat digitale ondersteuning de fysieke zorg niet mag vervangen. Maar een instructiefilmpje of een kort beeldbelmoment kan mogelijk wel werken als aanvulling op die fysieke zorg. Om de ondergrens en kwaliteit van kraamzorg te borgen, is het wenselijk dat er landelijke kaders voor digitale ondersteuning komen. Het derde project onderzoekt hoe regionale partuspools het beste ingericht kunnen worden. Het idee is dat het aantal wachtdiensten per medewerker door zo’n pool daalt en dat er een hogere kans is om opgeroepen te worden als een kraamverzorgende wachtdienst heeft. In vier regio’s start hiervoor een pilot.
Elkaar versterken
Door actief betrokken te zijn bij bovenstaande projecten zet de KNOV zich er op landelijk niveau voor in dat de samenwerking tussen kraamzorg en verloskunde zo goed mogelijk verloopt. De vereniging hoopt dat dat in de regio ook lukt! Want verloskundigen en kraamverzorgenden hebben elkaar nodig en kunnen elkaar versterken. Samen staan ze voor de beste zorg voor kraamvrouwen en hun gezin, daarnaast wordt hiermee het werkplezier vergroot.
Signalen
Heb je vragen, loop je tegen knelpunten aan in je praktijk, of wil je ervaringen delen? Dan hoort de KNOV dat graag via de helpdesk. Want jullie signalen helpen om ook landelijk de juiste gesprekken te blijven voeren. Onderhoud ondertussen ook goed contact met het Kraamzorg Samenwerkingsverband in jouw regio, al dan niet via je coöperatie, kring of VSV. Ook is het advies om gewoon het benodigde aantal uren te blijven indiceren, zelfs als je weet dat de capaciteit beperkt is. Alleen zo kan echt inzichtelijk gemaakt worden hoe groot het probleem is.
Geen handen erbij, dus organiseren verloskundigen het anders
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaten
Als er binnen jouw werkveld iets verandert, heb je verschillende keuzes. Bijvoorbeeld samen met anderen een plan uitwerken en je krachten bundelen. Verloskundigen Claudia Brouwers en Iris Lensveld vertellen hoe zij omgingen met de hoge werkdruk en de sluiting van de acute geboortezorg in een ziekenhuis – en wat hun nieuwe werkwijze heeft opgeleverd.
Fusiepraktijk Leeve Verloskunde
In Zuid-Limburg werd de druk op verloskundigen steeds duidelijker merkbaar. De administratieve lasten zijn flink toegenomen, de balans tussen werk en privé verre van optimaal en het vinden van nieuwe verloskundigen werd moeilijker. ‘We fungeerden als losse eilandjes, waardoor het lastig was om een sterke regionale ketenpartner te zijn’, vertelt Claudia Brouwers. ‘Gestimuleerd door medecursisten van het leiderschapstraject, dat ik volgde via de KNOV, kwam ik in het najaar van 2024 in gesprek met de praktijkhouders van vierentwintig verloskundigenpraktijken uit de regio. We bespraken hoe we ons vak ervoeren en hoe we de toekomst zagen. Hieruit bleek dat een deel openstond voor samenwerking en een kleinere groep echt vond dat het roer om moest, anders zouden ze het niet redden. Sommigen stonden – vanwege de combinatie van de hoge werkdruk en de stress van hun eigen, jonge gezinnen – op het punt de handdoek in de ring te gooien. Er moest echt iets veranderen.’
Schone lei
Negen praktijken wilden hun krachten bundelen en werkten – met hulp van ervaringsdeskundigen – in ongeveer een jaar toe naar een gezamenlijke structuur, waarbij één praktijk onderweg uitstapte. ‘Dat was een pittige tijd’, zegt Claudia. ‘We hadden verschillende achtergronden en er was in het verleden ook wel sprake van concurrentie en wat negativiteit ten opzichte van elkaar. Om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen, zijn we begonnen met de ‘zachte kant’ van de nieuwe samenwerking: het sociale fundament. Tijdens gezamenlijke sessies hebben we gewerkt aan onderling vertrouwen en een gezamenlijke visie en missie. Pas daarna zijn we aan de slag gegaan met de meer inhoudelijke en financiële vraagstukken, zoals de organisatievorm en het maatschapscontract. Dat was een goede zet. Achteraf gezien zijn we soms misschien wel erg snel gegaan. Maar de trein was in volle vaart en stoppen was eigenlijk al geen optie meer. Bovendien denk ik: als we meer tijd hadden genomen, waren we misschien blijven hangen in twijfels. Alles is nu gewoon goed geregeld.’
'Bundel je krachten als eerste lijn – samen kun je echt impact maken'

Regioteams
In het voorjaar van 2025 werd een maatschapscontract opgesteld en werden de puntjes op de i gezet. Inmiddels is de verloskundigenpraktijk actief onder de naam Leeve. ‘Dat betekent ‘liefje’ in het Limburgs, maar verwijst ook naar ‘leven’’, legt Claudia uit. ‘Het draait om alles wat ons lief is: onszelf én onze zwangere cliënten.’ Leeve werkt als één organisatie, verdeeld over drie regioteams. Het werkgebied strekt zich uit van Vaals tot Gulpen, Simpelveld, Heerlen, Nuth en Geleen. Hier delen de teams cliënten in op basis van hun postcode, zodat de zorg dicht bij huis blijft. Binnen elk team werken vaste verloskundigen die samen spreekuren en diensten organiseren. Daarnaast is er een centrale hoofdlocatie in Heerlen, waar ook assistentes werken en waar we vergaderen en elkaar ontmoeten. De organisatie is ingericht volgens sociocratische principes, met een ledenraad waarin vertegenwoordigers van de teams besluiten nemen. Werkgroepen houden zich bezig met thema’s als financiën en communicatie. ‘Dat is voor ons allemaal even wennen’, zegt Claudia. ‘Je moet leren vertrouwen op mandaat en elkaar daarin ruimte geven.’
Meer rust
Eén van de belangrijkste veranderingen is de introductie van een triagedienst overdag. Claudia: ‘De assistentes nemen de telefoontjes aan en maken afspraken. Een verloskundige beantwoordt alle medische vragen. Dit betekent dat de andere verloskundigen tijdens een bevalling echt hun aandacht bij de cliënt kunnen houden. Dat geeft rust.’ Ook het onderlinge contact is intensiever geworden. ‘We zien elkaar vaker, bijvoorbeeld op de hoofdlocatie. We lunchen soms samen en bespreken cases. Dat verlaagt bovendien de drempel om elkaar om hulp te vragen. Dat was vroeger echt anders. We staan er niet alleen voor en zijn er voor elkaar. Als het bij de ene verloskundige rustig is, kan die makkelijker bijspringen bij een collega. Dat helpt enorm bij het opvangen van drukte en uitval. De meeste cliënten vinden de nieuwe werkwijze prima. Soms vraagt een cliënt om een specifieke verloskundige, die haar heeft bijgestaan tijdens een vorige zwangerschap. Dan kijken we wat mogelijk is. Maar voor de meesten is bereikbaarheid en nabijheid het belangrijkst.’
Moeilijke gesprekken
Claudia is er trots op dat het allemaal gelukt is. ‘We hebben het toch maar mooi samen gedaan in zo’n korte tijd. We dachten vooraf dat we ver uit elkaar stonden, maar dat viel eigenlijk reuze mee.’ Heeft ze nog tips voor andere praktijken die vergelijkbare stappen overwegen? ‘Begin met het sociale stuk. Neem de tijd om elkaar te leren kennen en durf ook moeilijke gesprekken te voeren. Oude koeien uit de sloot halen helpt om met een schone lei te beginnen. Ook is het goed om bewust momenten in te bouwen om stil te staan bij het proces. Plan go/no-go-momenten in en blijf elkaar informeren. En vergeet niet om successen te vieren: alles wat je aandacht geeft, groeit. Deze manier van werken helpt ons om het vak leuk en houdbaar te houden.’
De eerste verloskundigenpost van Nederland
Toen in 2022 de acute geboortezorg van het Franciscus Vlietland ziekenhuis in Schiedam sloot, had dat grote gevolgen voor zowel zwangeren als verloskundigen in de regio. Iris Lensveld van Verve (het Verbond Rijnmondse Verloskundigen) legt uit: ‘Voor onze regio betekende het dat een vertrouwd ziekenhuis verdween en dat zwangeren ineens verder moesten reizen. We werken in een dichtbevolkt gebied met relatief veel zwangeren in kwetsbare omstandigheden. Niet iedereen heeft eigen vervoer of kan makkelijk met het openbaar vervoer reizen. Een extra afstand naar het ziekenhuis is dan echt een drempel.’ Ook voor verloskundigen veranderde er veel. ‘Door capaciteitsproblemen is een plek in het dichtstbijzijnde ziekenhuis geen garantie. Dat geeft onrust en beïnvloedt het werkplezier. We leggen meer druk op elkaar en hebben vaker een achterwacht nodig.’ Samen met de raad van bestuur van het Franciscus Gasthuis en Vlietland, gynaecologen, kinderartsen, regionale verloskundigenorganisaties en zorgverzekeraars keken Iris en haar collega’s naar het grotere geheel. ‘We zagen dat de geboortezorg in de loop der jaren steeds verder gemedicaliseerd is. Daardoor kwam er meer druk op de tweede lijn, terwijl niet alle zorg daar per se thuishoort. We zijn gaan kijken welke zorg anders te organiseren is. Op basis hiervan kreeg ik het idee voor de verloskundigenpost.’
Van idee naar praktijk
‘We hebben gekeken naar urgente zorgvragen in de eerstelijnsverloskunde . Deze komen vaak ad hoc bij de dienstdoende verloskundige terecht’, gaat Iris verder. ‘Als je die zorgvragen bundelt en centraliseert, kun je veel efficiënter werken.’ In april 2023 opende de eerste verloskundigenpost in Schiedam, opgezet door verloskundigenpraktijken van Coöperatie Verve en Stichting Geboorteketen. Inmiddels is er ook een tweede locatie in Rotterdam. De post is bedoeld voor urgente zorgvragen in de verloskunde, vergelijkbaar met een huisartsenpost. ‘We doen hier geen bevallingen, maar diagnostische onderzoeken en zien bijvoorbeeld zwangeren met minder kindsbewegingen, hoge bloeddruk, buikpijn, bloedverlies en ongerustheid.’
'De urgentie zorgde ervoor dat er echt iets moest veranderen'

Minder verwijzingen
De werkwijze is praktisch en laagdrempelig: een zwangere belt haar eigen verloskundige. De verloskundige triageert de zorgvraag volgens de Nederlandse Triagewijzer Verloskunde. Hieruit volgt een advies met een urgentiecode en tijdsindicatie. Als beoordeling nodig is, kan de zwangere dezelfde dag bij de verloskundigenpost terecht voor bijvoorbeeld een CTG of echo. Iris: ‘In ongeveer 80 procent van de gevallen is geen sprake van pathologie en kan iemand gerustgesteld naar huis. Dat is winst: minder onnodige verwijzingen en meer vertrouwen bij de zwangere.’ De samenwerking met de tweede lijn blijft hierbij belangrijk. ‘We werken in een eerstelijnsmodule van het bronsysteem van het ziekenhuis, zodat alle informatie direct beschikbaar is voor bijvoorbeeld de gynaecoloog. Die hoeft de diagnostiek dus niet opnieuw te doen. Als een cliënt toch verwezen moet worden naar de tweede lijn, dan is dit snel geregeld en goed onderbouwd.’
Uitdagingen
Elke praktijk heeft haar kwaliteiten ingezet om samen de post te kunnen opstarten. Dat intensieve samenwerken bracht volgens Iris ook uitdagingen met zich mee. ‘Elke praktijk heeft een eigen werkwijze en visie. De één verwijst sneller door dan de ander. In het begin moet je elkaar daarin leren kennen en accepteren. Maar juist die verschillen maken ons samen sterker. Ook het onderlinge contact is intensiever geworden. We weten elkaar sneller te vinden voor overleg en ondersteuning. Zeker voor jongere collega’s is dat waardevol.’
Impact
Hoewel de werkdruk niet is afgenomen, is het werk wel anders geworden. ‘Onze diensten zijn nog steeds druk, maar minder onrustig’, geeft Iris aan. ‘Je hebt een collega waar je op terug kunt vallen. Ook voor cliënten heeft het duidelijke voordelen: ze kunnen dicht bij huis terecht en krijgen snel duidelijkheid. Dat waarderen ze enorm.’
Iris kijkt met trots terug op wat er dankzij deze samenwerking is bereikt. ‘We hebben laten zien dat je met meer diagnostiek in de eerste lijn de zorg anders kunt organiseren, met minder doorverwijzingen en minder medicalisering. Dat biedt kansen voor de toekomst van ons vak. En we zijn er nog niet: de Verloskundigenpost blijft zich ontwikkelen.’ Iris’ tip voor andere regio’s: ‘Versterk elkaar in plaats van meer te versnipperen. En vraag ons vooral om advies. Bundel je krachten als eerste lijn: samen kun je echt impact maken en zorgen dat we als verloskundigen duurzamer inzetbaar zijn.’
Geboren tijdens een volle agenda
Tekst: Wendy Verkerk, 2026-2

Het was een van de laatste weken van mijn stage toen ik een tikkeltje ongeduldig in de spreekkamer zat te wachten op de volgende cliënt. Nog drie afspraken en dan zat mijn dag erop. Mijn concentratie zakte al wat weg en in gedachten was ik al bij de avond. Maar toen ze na bijna een half uur pas binnenkwam, voelde ik irritatie opkomen. ‘I’m so sorry, I am late’, zei ze gehaast. ‘Doesn’t matter’, antwoordde ik automatisch, al dacht ik daar stiekem anders over.
Ze was een jonge vrouw van midden twintig en 31 weken zwanger. Door een verhuizing was ze net bij onze praktijk terechtgekomen. Achter haar glimlach zat duidelijk een verhaal. Ze was gevlucht uit Oekraïne en woonde nu in een gedeeld huis. Nieuwe stad, nieuw land, nieuwe taal en in verwachting van haar eerste kind. Ondanks de taalbarrière verliep de controle soepel. Met eenvoudig Engels, gebaren en af en toe een glimlach kwamen we een heel eind.
Aan het einde stelde ik mijn standaardvraag: ‘Is everything already arranged? Kraamzorg, baby things, the maternity package?’ Ze keek me vragend aan. ‘What do you mean with kraamzorg?’ Even viel ik stil. Terwijl ik uitlegde wat kraamzorg inhoudt, voelde ik lichte paniek opkomen. Met 31 weken zwangerschap zou dat allang geregeld moeten zijn. Maar al snel werd duidelijk dat ze niets had geregeld. Geen kraamzorg, geen babyspullen, geen kraampakket. Ons zorgsysteem was haar volledig onbekend. Met een knagend gevoel bleef ik achter.
De volgende dag besloot ik te gaan bellen. Het voelde niet goed om het zo te laten. Het eerste kraamzorgbureau zat vol. Het tweede had geen plek. Bij het derde kon ik morgen terugbellen. Na tien telefoontjes was de uitkomst duidelijk: er was nergens ruimte op zo’n korte termijn. Uiteindelijk heb ik haar moeten aanmelden voor de wachtlijst via de verzekering.
Ze bleef in mijn hoofd hangen. Niet vanwege medische zorgen, maar vanwege alles wat er achter dat korte consult schuilging. Voor mij was het een routine-afspraak aan het einde van de dag. Voor haar waarschijnlijk weer een moment van onzekerheid in een onbekend systeem. Op zulke momenten besef ik hoe relatief onze dagelijkse routine is. Goede zorg zit niet alleen in controles en protocollen, maar juist in het zien van de persoon tegenover je en het verhaal dat diegene met zich meebrengt.
Hoe een vakgroep kan zorgen voor een duidelijkere structuur, meer zeggenschap en een betere zichtbaarheid
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: De Beeldredacteur
De druk op de geboortezorg is voelbaar. Volle verloskamers en wachtlijsten zijn steeds vaker regel dan uitzondering. Het capaciteitsprobleem wordt vaak als oorzaak gezien. Toch ligt een deel van de oplossing niet alleen in meer zorgprofessionals of meer bedden, maar in welke zorg echt nodig is. En hoe organisatie en bekostiging goede, passende zorg ondersteunen. Volgens klinisch verloskundige Margriet Wegman-Rikkink, die in haar thesis voor de master Verloskunde ingaat op de implementatie van een vakgroep klinisch verloskundigen, moeten we ook kijken naar onze positionering, zeggenschap en het vertrouwen in de kracht van ons vak. ‘Laten we ons duidelijker uitspreken, kritischer naar ons werk kijken en samenwerking versterken.’
Margriet studeerde in 2007 af als verloskundige. Daarna werkte ze in de eerstelijnszorg en was ze tien jaar maat in een maatschap in Deventer. Sinds vijf jaar werkt ze als klinisch verloskundige in het Isala ziekenhuis in Zwolle. Daarnaast is ze VSV-coördinator, platformcoördinator voor klinisch verloskundigen binnen de KNOV én gemeenteraadslid. Een heel breed werkveld dus, en al die inzichten en ervaringen hebben haar visie op het capaciteitsprobleem in de zorg gevormd. ‘Dit is niet alleen een praktisch probleem, maar ook een organisatorisch en professioneel vraagstuk.’
Druk in de hele keten
‘Bij vlagen liggen de verloskamers vol, waardoor we tijdelijk zwangeren moeten weigeren en onder andere geen pijnstilling kunnen verzorgen. Dat doet wat met je als verloskundige. Je wilt er altijd zijn en iedere zwangere de hulp bieden die nodig is. Als dat niet lukt, is dat op z’n zachtst gezegd heel vervelend.’ Die druk beperkt zich niet tot het ziekenhuis. ‘Je merkt het in de hele keten. Kraamzorg kampt met tekorten, eerstelijnspraktijken hebben vacatures en ook binnen ons ziekenhuis is het zoeken naar balans. We hebben een tekort aan obstetrieverpleegkundigen. Er wordt hard gewerkt aan een oplossing met opleidingstrajecten. Een ander probleem waar we tegenaan lopen, is het tekort aan psychisch begeleiders. Hierdoor hebben we onze POP-poli – voor zwangerschap en psychische begeleiding – on hold moeten zetten. Dat is een aderlating.’
'We moeten kritisch durven kijken naar het opschalen van zorg'

Minder interventies
Volgens Margriet ligt een belangrijk deel van de oplossing in de specifieke rol van de klinisch verloskundige. ‘Wij zijn opgeleid vanuit de fysiologie. Dit perspectief helpt om onnodige interventies te voorkomen.’ Ze benadrukt dat dit niet gaat om minder zorg verlenen, maar om meer passende zorg. ‘Als je kritisch kijkt naar bijvoorbeeld standaardcontroles of inleidingsindicaties, zie je dat daar soms ruimte zit. Zeker in tijden van schaarste onder zorgprofessionals moeten we ons afvragen welke zorg echt nodig is. Met andere woorden: we moeten kritisch durven kijken naar het opschalen van zorg. Is dat echt nodig? Door elke casus tegen het licht te houden, dragen we bij aan een verlaging van de werkdruk. Immers, minder interventies betekent minder inzet van tijd, personeel en middelen. Maar er speelt meer: als klinisch verloskundigen hebben we bijvoorbeeld geen financieel belang bij opschalen of verwijzen. Hierdoor kunnen we met een open blik naar het zorgproces kijken, zodat we onze kostbare tijd spenderen aan zwangeren met een medische indicatie die onze zorg echt nodig hebben. Dit moeten we durven uitspreken en ons hierin gesteund voelen. Mede daarom pleit ik voor het oprichten van vakgroepen.’
'Het opzetten van een vakgroep kan een groot verschil maken'
Gezondheidsbevordering
Een ander, vaak onderschat aspect van de capaciteitsproblematiek is volgens Margriet gezondheidsbevordering van zwangeren. ‘In de tweede lijn ligt de focus traditioneel op medische indicaties en interventies. Maar hoe gezonder en fitter een zwangere is, hoe minder interventies nodig zijn. Een goede gezondheid is de basis van alles. Helaas komen we er in de praktijk niet genoeg aan toe om dit bespreekbaar te maken. Door tijdgebrek en volle spreekuren is er minder ruimte voor gesprekken over leefstijl, voeding of beweging. Terwijl juist daar winst te behalen is.’ Volgens haar zit hier een mogelijke oplossing in een betere samenwerking met de eerste lijn. ‘We onderzoeken bijvoorbeeld of we tweedelijns cliënten kunnen laten aansluiten bij CenteringZwangerschap-groepen van de eerste lijn, in hun eigen wijk. Een mooie manier om onze krachten te bundelen.’
Vertaalslag
Ook een goede samenwerking binnen het VSV is essentieel, vindt Margriet. ‘Zo kun je samen bekijken welke zorg het beste past bij de zwangere. Niet vanuit je eigen domein, maar vanuit het geheel. Om dit te kunnen realiseren, is het belangrijk dat je investeert in onderlinge relaties en elkaar kent. Blijf communiceren, drink even koffie na een overdracht en zie elkaar als collega’s in plaats van ‘de ander’. Laten we elkaar versterken, dat maakt al een enorm verschil. Als klinisch verloskundigen kunnen we een goede verbinding maken. De meeste klinisch verloskundigen hebben in de eerste lijn gewerkt. Dat helpt. We begrijpen beide werelden en kunnen de vertaalslag naar de klinische setting maken – en andersom. Hierbij is het belangrijk dat we cliënten goed overdragen en niet uitgaan van aannames, maar nieuwsgierig blijven: vraag hoe een bepaalde situatie is ontstaan. Hoe meer achtergrondinformatie je hebt, hoe beter je iemand kunt helpen.’
De kracht van een vakgroep
Om klinisch verloskundigen een duidelijkere stem te geven in het ziekenhuis – en om goed mee te kunnen denken over oplossingen voor het capaciteitsprobleem – onderzocht Margriet hoe je een vakgroep het beste kunt implementeren. ‘Het opzetten van een vakgroep kan een groot verschil maken. Onze positie was lange tijd niet goed vastgelegd. We werden soms wel, soms niet betrokken bij beleid of werkgroepen. Terwijl we een belangrijke schakel zijn in de zorg. Dat moest anders, vond ik. Een vakgroep kan hierin verandering brengen: een duidelijkere structuur, meer zeggenschap en een betere zichtbaarheid. Zodat we als beroepsgroep een duidelijke stem hebben, binnen het ziekenhuis én daarbuiten.’ Uit haar onderzoek kwamen duidelijke voorwaarden voor een succesvolle implementatie van een vakgroep naar voren: steun van het management, draagvlak binnen de eigen groep, tijd en ruimte voor implementatie en helder leiderschap. ‘Zonder managementsteun kom je er niet’, stelt ze. ‘Maar ook binnen je eigen groep moet het besef er zijn dat dit belangrijk is.’
'We spelen een belangrijke rol in de geboortezorg, die we niet moeten onderschatten'
Sterkere positie
De weg naar zo’n vakgroep kan hobbelig zijn, ondervond ze. ‘Er was in het begin best wat weerstand en onzekerheid over wat ons doel
was: wilden we meer zelfstandigheid? Een eigen geldstroom? Ook spelen landelijke ontwikkelingen een rol, zoals de mogelijkheid voor klinisch verloskundigen om zelfstandig diagnose-behandelcombinaties (DBC) te openen. In theorie versterkt die mogelijkheid onze positie enorm. Je fungeert als poortwachter, kunt zelfstandig beleid bepalen en verwijzen zonder tussenkomst van een gynaecoloog. Maar in de praktijk werkt het vaak anders. In sommige ziekenhuizen wordt deze mogelijkheid nog niet volledig benut: klinisch verloskundigen worden bijvoorbeeld toch niet ingeboekt, maar werken achter de schermen onder de naam van een arts-assistent. Of gynaecologen zeggen: dat doen we hier niet. Open de DBC maar gewoon op mijn naam. Daar zit soms angst achter, bijvoorbeeld voor veranderende tarieven van verloskundige zorg. Dat maakt dit het momentum om echt met je groep verloskundigen verder te professionaliseren.’
Meedenken en meebeslissen
Margriet is er duidelijk over: het versterken van de positie van klinisch verloskundigen is essentieel voor toekomstbestendige geboortezorg. ‘Je kunt als klinisch verloskundige het verschil maken door mee te denken over beleid, protocollen en de organisatie van zorg – en dus bijdragen aan oplossingen voor capaciteitsproblemen. Dit heeft niet alleen effect op de zorg, maar zorgt ook voor meer werkplezier. Het gevoel dat je gehoord wordt en invloed hebt, maakt je werk leuker en duurzamer. Maar hiervoor is het wel nodig dat je je vrij voelt om je uit te spreken. Die ruimte moet je krijgen. Het starten van een vakgroep is dan een mooie eerste stap.’
Toekomstbeeld
Hoe ziet de ideale geboortezorg er volgens Margriet uit? ‘Ik zou iedere zwangere een verloskundige in de buurt toewensen. Iemand die ze kent – die haar kent – en die ze laagdrempelig kan benaderen. Iemand die dichtbij is en haar goed begeleidt. En als het nodig is, komt de zwangere naar het ziekenhuis. Hier bieden we liefdevolle, adequate, gezinsgerichte zorg. Zodra het kan, laten we haar weer teruggaan naar haar verloskundige in de buurt. Ik denk echt dat dit mogelijk is, als we er maar genoeg ons best voor doen. Ik zou andere klinisch verloskundigen willen aanraden: word je bewust van je eigen waarde. We spelen een belangrijke rol in de geboortezorg, die we niet moeten onderschatten. Denk mee en spreek je uit. En zorg dat je vertegenwoordigd bent op de plekken waar beslissingen worden genomen. Zo kunnen we samen werken aan de oplossing van het probleem – én meer werkplezier.’
Klik hier voor de complete thesis.
'Verloskundigen zijn experts in passende zorg'
Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: De Beeldredacteur

Door capaciteitsproblemen verandert er steeds veel in de geboortezorg. Onder de noemer ‘passende zorg’ moeten verloskundigen toch vooral veel efficiënter en goedkoper gaan werken. Maar het KNOV-bestuur interpreteert passende zorg veel breder. Want: passende zorg is iets wat verloskundigen al eeuwen leveren. ‘Van alles wat wij doen en bewust ook niet doen, moet gezondheidsbevordering het vertrekpunt zijn.’
Passende zorg is een speerpunt in het Integraal Zorgakkoord uit 2022. Dat betekent dat het ministerie, zorgverzekeraars en regionale en landelijke overlegtafels ‘iets’ met de term moeten. Ook in overleggen waarbij jij aan tafel zat, is het vast al eens over passende zorg gegaan. En daarbij valt het op dat andere organisaties de term anders invullen dan de KNOV dat doet. Wat het KNOV-bestuur betreft is het namelijk niet terecht dat de term vaak wordt gebruikt om bepaalde efficiencymaatregelen in de geboortezorg te onderbouwen.
Daarom willen bestuurders Alieke de Roon-Immerzeel, Maaike van Rijn en Marieke Smith graag laten zien hoe zij naar passende zorg kijken in relatie tot de capaciteitsproblemen waar verloskundigen dagelijks mee te maken hebben. Marieke Smith: ‘Wij hebben al bij ons aantreden in 2022 besloten om de term te omarmen, maar wij vullen deze wel op onze eigen manier in. Verloskundigen zijn tenslotte experts in passende zorg. Wij leveren die zorg al eeuwenlang.’
Gezondheidsbevordering
De juiste zorg op de juiste plek en zinnige zorg, beleidstermen die eerder rondgingen, waren vooral curatief ingestoken: ze gaan over het beperken van onnodige behandelingen en het organiseren van bestaande zorg. Terwijl passende zorg juist ook het principe van gezondheidsbevordering heeft opgenomen als uitgangspunt. Alieke de Roon-Immerzeel: ‘Dat draait de vraag om: niet wat kunnen we weglaten, maar wat kunnen we versterken? En dat is precies waar je je als verloskundige mee bezighoudt. Je begeleidt vrouwen in een gezond proces, je versterkt hun eigen kracht en je grijpt pas in als het nodig is.’
Passende zorg is daarom, zo vindt het bestuur, een opdracht die hoort bij de verloskundige eed om goede zorg te leveren aan zwangere vrouwen. En die opdracht geldt zowel op individueel als op maatschappelijk niveau. Daarom is de term nadrukkelijk ook onderdeel van het hernieuwde kwaliteitshuis voor verloskundigen waar de KNOV hard aan werkt. Maar daarover straks meer.
Meer tijd
Volgens het Zorgakkoord heeft passende zorg vier kenmerken: waardegedreven, samen beslissen, de juiste zorg op de juiste plek en gezondheid. Bij het 125-jarig jubileum van de vereniging in 2023 presenteerde het bestuur vijf thema’s rondom passende zorg aan toenmalig demissionair minister Ernst Kuipers. Meer tijd voor de zwangere bijvoorbeeld, en laat de (klinisch) verloskundige regiebehandelaar zijn. De verloskundige is er voor de zorg en niet voor de administratie. En de laatste twee thema’s: versterk de eerstelijnsorganisatie en zet waardegedreven werken voorop.
De minister en zorgverzekeraars reageerden enthousiast op de invulling van de KNOV en de daarbijbehorende aanpak, maar in de praktijk ziet het bestuur wel dat andere beroepsgroepen en organisaties passende zorg en de kenmerken uit het Zorgakkoord anders invullen. Maaike van Rijn: ‘Je ziet dat sommige van onze partners passende zorg vooral invullen als: het moet nog efficiënter dan we het al deden.’ Marieke: ‘Ziekenhuizen redeneren bijvoorbeeld vaak vanuit wat zij te bieden hebben en wat dan bij een bepaalde patiënt past. Dan hoor je in een overleg serieus iemand zeggen: er zijn bij ons in het ziekenhuis nog wel daluren, misschien kunnen we mensen gaan bellen dat ze dan ingeleid kunnen worden. Maar dan ga je dus niet uit van gezondheid als uitgangspunt.’
Ook het perspectief van de zorgverzekeraar is voor de KNOV en verloskundigen belangrijk. En net als in het ziekenhuis wint ook daar het systeemdenken het vaak van het kwaliteitsdenken, waarop dan ook de term passende zorg wordt geplakt. Alieke geeft een voorbeeld: ‘Het is voor een zorgverzekeraar heel handig om ergens een kraamhotel neer te zetten: dan heb je met één kwaliteitsnorm te maken, er is minder capaciteitsproblematiek en dat lijkt dan prima geregeld. Maar als een verloskundige uit het ommeland daar continu heen moet rijden en haar eigen cliënten niet meer thuis kan begeleiden, is dat op geen enkele manier passend. Bovendien is kraamzorg thuis de gezondheidsbevordering waar passende zorg om vraagt: het ondersteunt hechting, het helpt bij het op gang komen van de borstvoeding en het versterkt de zelfredzaamheid van het gezin.’
Meer interventies
Aan de landelijke tafels waar het geboortezorgbeleid wordt besproken, is de medisch-specialistische zorg oververtegenwoordigd. De neiging naar meer interventies, meer controle en meer protocollen is een hardnekkige reflex op de problemen die er zijn. Marieke: ‘We zijn zo bang om te weinig te doen of te wachten. Er zijn meer zorgverleners rondom zwangere vrouwen dan ooit en tegelijkertijd krijgen we die zorg niet meer goed geregeld. Dan klopt er iets niet. Daarom moeten we vanuit een gedeeld ethisch kader gaan werken.’ ‘Natuurlijk wil iedereen waarmee we samenwerken ook het goede doen’, zegt Maaike. ‘We merken dat onze partners open staan voor ons verhaal. Maar het systeem is zo dichtgetimmerd met regels, protocollen en registraties dat het heel moeilijk is om daar doorheen te komen. Als passende zorg de nadruk op gezondheidsbevordering legt, moeten we leren vertrouwen op het gezonde proces. Niet elke zwangerschap is immers een medisch probleem dat opgelost moet worden.’
Het bestuur wil daarom snijden in administratielast en in richtlijnen die niet bijdragen aan betere uitkomsten, zodat verloskundigen weer toekomen aan hun eigenlijke werk: bij de vrouw zijn. Alieke: ‘In onze beroepsidentiteit ligt de focus ook op de relatie met de vrouw. Wij begeleiden haar in haar rite-de-passage naar het moederschap, omdat dat onze rol is. Omdat dat het goede is om te doen. Maar ook omdat we weten dat deze relationele zorg, dus een goede relatie tussen de verloskundige en de vrouw, enorm beschermend werkt tegen een heleboel dingen. Het is alleen moeilijk om die boodschap over te brengen. Dat lukt ons nog niet goed genoeg. Terwijl: als er een nieuwe technologie op de markt komt, of een nieuwe methodiek van echo’s maken, dan zijn we daar als geboortezorgveld veel sneller geneigd iets mee te doen. Vaak zonder goed te wegen wat de schaduwzijde van de implementatie daarvan is. Wat levert het aan nevenschade op en welke zorg blijft nu onderbelicht of krijgt geen ruimte meer?’
Marieke vertelt over haar broer, die onlangs vader werd. Zijn vriendin was thuis; in bad bevallen met twee vroedvrouwen erbij. ‘Hij zei daarna tegen mij: ‘Wat doen jullie weinig! Ze hebben alleen maar in de hoek gezeten.’’ Marieke lacht: ‘En dat is precies waar passende zorg en gezondheidsbevordering over gaat. Die verloskundigen wisten dat zij niet nodig waren anders dan er gewoon te zijn. Ze waakten over een gezond proces en gaven geen onnodige zorg.’ Dat er zijn en tegelijk niet handelen, is lastig te meten. Terwijl juist die meetbaarheid vaak de basis vormt van veel protocollen en richtlijnen.
Relationele zorg
In het hernieuwde kwaliteitshuis waar de KNOV aan werkt, staat deze visie op geboortezorg en passende zorg centraal. De beroepsidentiteit staat al op papier en verschillende werkgroepen werken aan het beroepsprofiel, de beroepscode en de herziening van het Kwaliteitsregister Verloskundigen. In al die onderdelen van het kwaliteitshuis is er een belangrijke rol voor de relationele zorg. Niet alleen omdat dat goed werkt voor vrouwen en een goede relatie met de verloskundige bijdraagt aan een goede start van het moederschap. Ook omdat we uit onderzoek weten dat tijd hebben voor relationele zorg bijdraagt aan het werkgeluk van verloskundigen.
Het bestuur werkt ook aan een afwegingskader voor passende zorg, waaraan het beroepsprofiel, het kwaliteitsregister en kwaliteitsdocumenten getoetst zullen worden. Alieke: ‘We hebben het gedeeld met de verschillende platforms en gebruiken het nu intern. Bijvoorbeeld of en wat we met bepaalde richtlijnen doen en om te bepalen waar we verder wel en niet aan werken.’ Het doel van het document is om voorspelbaarder en transparanter richting stakeholders te worden.
In het kader staan per kenmerk van passende zorg enkele vragen. Na het beantwoorden daarvan kan degene die het kader gebruikt, vanuit het KNOV-perspectief, een beargumenteerd besluit nemen of een standpunt innemen. Het afwegingskader moet ook helpen om ongewenste praktijkvariatie tegen te gaan. Want waar je bevalt en in welke regio, bepaalt nu nog te veel welke zorg je krijgt. Jarenlang zijn er regionaal protocollen gemaakt in plaats van landelijke richtlijnen, wat versnippering in de hand heeft gewerkt. Het bestuur wil graag dat straks regionaal alleen nog praktische afspraken worden gemaakt – door welke ingang ga je het ziekenhuis in, wie bel je als eerste – en dat inhoudelijk beleid landelijk wordt geregeld.
Geen zorg leveren
Precies daar ligt ook een opdracht voor jou als verloskundige. Het bestuur nodigt je uit om de verloskundige invulling van passende zorg te verspreiden: relationele zorg is de kern ervan en passende zorg betekent dat je soms ook goede zorg levert als je geen handeling verricht. Marieke: ‘Om onze boodschap over passende zorg in relatie tot capaciteitsproblemen breder te laten landen, hebben we alle verloskundigen nodig. Landelijk kunnen wij als bestuur deze boodschap verkondigen, regionaal moeten jullie het doen. Samen zijn we één grote partij.’
Het bestuur roept verloskundigen ook op om hun eigen netwerk te versterken. Niet alleen in het bredere verloskundig samenwerkingsverband, maar juist ook onder verloskundigen onderling. De KNOV ziet dat verloskundigen door de integrale geboortezorg steeds meer vergaderen met gynaecologen en ziekenhuizen, maar dat het informele contact met elkaar lijkt te zijn afgenomen. Terwijl verloskundigen daarmee juist hun eigen identiteit en draagkracht kunnen versterken. Precies zoals je dat bij de vrouwen die je begeleidt ook doet.
Wees dus trots op je vak, is de nadrukkelijke opdracht van het bestuur. Zoek elkaar op als eerstelijns- en klinisch verloskundigen. Volg wat er gebeurt in het landelijk kwaliteitsbeleid, in het beroepsprofiel, de richtlijnen en het afwegingskader, want dat gaat je helpen om in de regio stevig te staan. Maar weet vooral ook: passende zorg is wat verloskundigen al eeuwen leveren.
Stagiairs begeleiden: keuze of noodzaak? 'We moeten investeren in de toekomst van de verloskunde'
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaten en LEVL Fotografie
Het is niet te ontkennen: de werkdruk van veel verloskundigen is hoog. En tegelijkertijd hebben we als beroepsgroep nieuwe collega’s die het vak in de praktijk moeten leren. Helaas is er een flink tekort aan beschikbare stageplekken. Dat klinkt vrij logisch, want als de werkdruk al hoog is, heb je dan nog wel tijd voor een stagiair? Erna Kerkhof en Ellen Plaschek denken van wel. Zij begeleiden jaarlijks bewust meerdere stagiairs. Waarom doen ze dit? En wat levert het op?
Natuurlijk kost het tijd om stagiairs te begeleiden, dat zal iedereen begrijpen’, zegt Erna Kerkhof van het Verloskundig Huys in Zwolle. ‘Toch hoort het nou eenmaal bij ons vak: het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van onze beroepsgroep. Binnen onze praktijk is het opleiden van nieuwe collega’s al decennialang vanzelfsprekend. We werken met zeven verloskundigen en vrijwel het hele jaar door begeleiden we studenten verloskunde. We wisselen korte en langere stages af: van eerstejaars die komen snuffelen tot vierdejaars die bijna klaar zijn. Dat maakt het afwisselend. Onze praktijk is er ook echt op ingericht: we hebben een studentenkamer, een fiets voor de student en een rooster waarin altijd ruimte is om met een verloskundige mee te lopen. Studenten draaien bij ons mee tijdens spreekuren, diensten en overleggen. We willen dat ze het hele plaatje zien. Hoe beter iemand begrijpt hoe een praktijk werkt, hoe sneller diegene later inzetbaar is als collega.’
Strategie
‘Als ik terugdenk aan mijn eigen opleiding, ben ik mijn stagebegeleiders eindeloos dankbaar: ik heb ontzettend veel van ze geleerd’, vervolgt Erna. ‘Een groot deel van ons vak leer je in de praktijk. Dan moeten er dus ook mensen zijn die dat mogelijk maken. Opleiden is voor mij meer dan een verplichting, het is ook een strategie. Zit er een leuke student bij die we graag willen houden, dan lukt dat vaak ook. Hierdoor hebben we eigenlijk nooit een personeelstekort.’ Toch betekent dit niet dat het altijd makkelijk is. ‘Het kost tijd, zeker in het begin. En niet elke student past goed in het team, maar daar leer je van. Gelukkig kunnen we de begeleiding onderling goed verdelen: twee collega’s zorgen voor de coördinatie en met alle zeven zorgen we voor de praktische begeleiding. Er is altijd werk en altijd iemand die energie heeft om de student mee te nemen. De kracht zit echt in ons hele team. Samen vormen we een compleet beeld van een stagiair.’
'Je leert dit vak niet uit een boek'
Tijd verdelen
Volgens Erna is het een misvatting dat stagiairs begeleiden ‘te veel’ tijd kost. ‘Een uurtje evalueren is niet zo heel ingewikkeld – en het is echt geen eenrichtingsverkeer. Je krijgt er ook veel voor terug: nieuwe inzichten, meegaan met nieuwe ontwikkelingen, frisse energie en potentiële nieuwe collega’s. Bovendien krijg je er een vergoeding voor én je blijft zo meer betrokken bij de opleiding – en dus je vak. Vroeger begeleidden we studenten van de opleidingen in Maastricht en Groningen. Dat werd een beetje ingewikkeld: de werkwijze en de indeling van de stages was anders en de opleidingen gebruikten andere formulieren. Daarom begeleiden we nu alleen nog studenten uit Groningen.’ Heeft Erna advies voor verloskundigen die twijfelen? ‘Begin gewoon, het is zo leuk en hoort bij ons vak. Het is eerst misschien wat lastig, maar het wordt echt makkelijker. Geef het even de tijd en geef niet te snel op. Volg een cursus stagewerkbegeleiding en doe het samen als team. Ik kan het alleen maar aanraden.’
'Willen we dat de verloskunde blijft bestaan, dan moeten we met z’n allen opleiden'

Teaminvestering
Ook bij Puur Vroedvrouwen in Arnhem is opleiden een bewuste keuze. De praktijk begeleidt jaarlijks meerdere studenten in verschillende fases van hun opleiding. ‘Dat moet wel’, zegt medepraktijkhouder en echoscopist Ellen Plaschek. ‘Je leert verloskunde niet uit een boek. Je moet het zien, voelen en ruiken.Dat kan alleen in de praktijk. Als ik mijn werkdruk wil verlagen en over tien jaar nog een praktijk wil hebben, moet ik zorgen dat nieuwe verloskundigen afstuderen. Het hoort bij ons takenpakket en is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook wij pakken de stageperiodes gestructureerd aan: vaak met één of twee hoofdbegeleiders die het leerproces coördineren. Studenten lopen met alle teamleden mee, maar wel bewust gepland. We willen niet dat cliënten onrust ervaren door te veel wisselende gezichten. Via korte evaluaties en onderlinge afstemming blijven alle teamleden bij het proces betrokken. Dit betekent een investering van ons allemaal: het kost tijd en energie, zeker bij bevallingen. Je bent continu aan het observeren en begeleiden. Toch weegt dit niet op tegen de opbrengsten. Studenten brengen nieuwe kennis en inzichten mee. Die kruisbestuiving is heel waardevol.’
Goed voorbereid
‘Ik vind het ontzettend leuk om verloskundigen in opleiding binnen de praktijk te hebben, al geef ik toe dat ik een cliënt soms liever zelf begeleid’, gaat Ellen verder. ‘Het hoort er gewoon bij. Als ik mijn kennis en ervaring niet deel, is er geen toekomst meer voor ons vak. Bovendien gun ik het ze om goed beslagen ten ijs te komen en ruimte te krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Zelf moest ik me tijdens mijn stages soms aanpassen aan de stagebegeleiders, dat vond ik af en toe lastig. Ik probeer het nu zelf anders te doen en studenten meer ruimte te geven.’ Ellen geeft aan kritisch te zijn over het niveau van de studenten. ‘Bij een afstudeerstage is het belangrijk dat je kunt zien dat iemand er echt klaar voor is. Dit betekent soms dat we een stage verlengen. Dat is niet leuk, maar wel ontzettend belangrijk: iemand moet goed voorbereid het vak ingaan.’
'Opleiden geeft energie en verdieping'

Enthousiasme
Het verbaast Ellen dat er praktijken zijn die geen verloskundigen in opleiding begeleiden. ‘Ook als je alleen werkt, heb je veel kennis om te delen. En kost het je te veel tijd, kijk dan eens of je samen met een andere verloskundige een student kunt begeleiden. Als je het samen met een andere praktijk doet, verlicht je overall de belasting van de studentbegeleiding. Daarnaast is het gewoon ontzettend leuk. Denk maar aan het enthousiasme van een eerstejaars die een zwangere buik voelt en het hartje beluistert. Daar kan ik echt van genieten.’

Meer zorgverleners, minder zwangeren, toch capaciteitsproblemen: wat laten de cijfers zien?
Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-2
In het vraagstuk rondom de capaciteit in de geboortezorg staat vaak één woord centraal: personeelstekort. Maar als je de data van de afgelopen twintig jaar met elkaar vergelijkt, zie je dat het aantal geboortes daalt en het aantal zorgverleners juist stijgt. Toch ervoer 55% van de patiënten in 2024 tekorten in de geboortezorg.1 We zetten de cijfers voor je op een rij.
In 2000 werden in Nederland 206.619 kinderen per jaar geboren. In 2024 waren dat er 166.143.2 Het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw toen kreeg, was 1,43: het laagste aantal ooit. In dezelfde periode is het aantal zorgverleners juist toegenomen. Er zijn meer verloskundigen, meer gynaecologen en meer obstetrieverpleegkundigen dan ooit.3 Vooral het aantal klinisch werkende verloskundigen groeide sterk: van 245 rond 2000 naar ongeveer 1.000 nu. Een uitzondering op deze stijgende lijn lijkt de kraamzorg te zijn: het aantal professionals en fte bleef daar ongeveer gelijk. Wel was er een verschuiving naar meer zzp-constructies.4
Op basis van deze cijfers zou je verwachten dat de druk op de geboortezorg afneemt. Minder cliënten betekent immers een kleinere zorgvraag. Zorg die bovendien door meer professionals wordt gegeven. Maar zo eenvoudig ligt het niet. De cijfers die we hier tonen zijn de landelijke cijfers. We hebben bijvoorbeeld geen cijfers van de verdeling van deze professionals over het land.
Een andere factor die kan zorgen voor tekorten, is wat en hoeveel we doen. De hoeveelheid geleverde zorg per zwangere is de afgelopen jaren toegenomen. De cijfers laten zien dat het aantal CTG’s in het ziekenhuis tussen 2012 en 2024 steeg van circa 320.000 naar 480.000.5 Daarnaast zien we sinds 2000 een stijging van het aantal echo’s6 en wordt er bijvoorbeeld eerder gecounseld voor inleiding bij naderende serotiniteit.7 Ook zien we grote verschillen in inleidingspercentages tussen ziekenhuizen (van 14% tot 41%)8 en een stijging van het aantal sectio’s (van 16,1% naar 18,4%).9
Terwijl:
• de gemiddelde leeftijd van zwangeren de laatste jaren nog maar beperkt stijgt;
• het percentage zwangeren dat rookt en alcohol drinkt daalt;
• het aandeel zwangeren in kwetsbare situaties (volgens de Landelijke Monitor Kansrijke Start) afneemt).10
Kortom: de zorg is intensiever, zonder dat de zorgvraag aantoonbaar zwaarder is geworden.
Uitkomsten
Nu rijst de vraag: levert al die extra zorg ook betere uitkomsten op? De beschikbare data laten zien dat de uitkomsten in de geboortezorg de afgelopen jaren relatief stabiel zijn gebleven. We moeten onszelf dus afvragen: dragen alle extra interventies, monitoring en diagnostiek daadwerkelijk bij aan betere zorg – of vooral aan meer werkdruk? Oftewel: doen we wel de goede dingen? Deze vragen sluiten ook aan bij het rapport van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving Iedereen bijna ziek over diagnose-expansie: het fenomeen waarbij we steeds meer diagnostiek en screening inzetten en steeds meer, steeds vroeger en steeds laagdrempeliger diagnoses stellen.11 Meer screening en (vroege) diagnostiek kunnen leiden tot overdiagnoses en toegenomen angst.
Bevallocatie
Sinds een aantal jaren komt het regelmatig voor dat ziekenhuizen aangeven dat ze geen plek meer hebben, of niet voldoende personeel. Bij klinisch verloskundigen liggen afdelingen regelmatig vol en is er weinig tijd voor de cliënt. En het kost voor de eerstelijnsverloskundigen tijd om een ziekenhuis te vinden waar wél plek is, de reistijd wordt langer en ze moeten een achterwacht inschakelen als ze het gebied uitgaan.
In 2024 vond 74,3% van de bevallingen plaats in de tweede lijn, 10,5% poliklinisch, 2,4% in geboortecentra, 12,6% thuis en 0,3% onderweg/onbekend. Deze verdeling is de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven. Dit betekent dat de druk op de ziekenhuizen niet primair komt door meer bevallingen, maar door intensievere zorg per bevalling. We kunnen dus vraagtekens plaatsen bij de hardnekkige aanname dat er sprake is van een landelijk personeelstekort. De cijfers suggereren eerder een verdelings- en organisatievraagstuk:
• er zijn minder locaties voor acute zorg12 (van 81 in 2017 naar 71 in 2025, maar per locatie waren er gemiddeld nog nooit zoveel zorgmedewerkers);
• we zijn meer tijd kwijt aan administratie en overleg13;
• er is minder directe cliëntgebonden tijd.14
'De oplossing: niet meer zorg, maar betere keuzes'
Oplossingsrichtingen vanuit de KNOV
We hebben te maken met een spagaat tussen de korte en de lange termijn. Op korte termijn is het belangrijk dat alle diensten gedraaid worden. Op de lange termijn gaat het erom de beschikbare tijd efficiënt te besteden, om de werkdruk te verlagen. Het aantrekken van meer personeel lijkt een logische oplossing, maar waarschijnlijk lost dit het probleem niet volledig op. Bovendien kan de groei van het aantal zorgverleners niet eindeloos doorgaan. Ook in organisatieveranderingen en meer beleidsmatig overleg ligt niet de oplossing. De data wijzen eerder richting een andere benadering:
• passende zorg: kritischer kijken naar wat echt nodig is en naar wat beschermend werkt tegen onnodige zorgconsumptie;
• een sterke poortwachtersrol voor de verloskundige: niet alles medicaliseren en meer focus op gezondheidsbevordering en gezond ouderschap;
• minder administratieve lasten: meer tijd voor cliënten;
• betere samenwerking en gegevensdeling: voorkomen van dubbele zorg;
• aandacht voor werkplezier en autonomie: essentieel voor personeelsbehoud.
Dat roept ook de vragen op: durven we ‘nee’ te zeggen tegen zorg die weinig toevoegt en hoe nemen we zwangeren mee in die keuzes?
Betere balans
Het is de verwachting dat het aantal geboortes de komende jaren mogelijk licht stijgt door demografische ontwikkelingen. Tegelijkertijd zal de vraag van zwangeren niet spontaan veranderen: ze stellen vragen, zijn breder geïnformeerd en hebben soms hoge verwachtingen. Dit betekent dat de druk op de geboortezorg niet vanzelf verdwijnt. De echte uitdaging is het systeem veranderen: zorgen voor een betere balans tussen vraag en aanbod, zorg en waarde, en tussen professional en cliënt. Kritisch evalueren en keuzes maken dus.
Bronnen
1. Patiëntenfederatie Nederland | Onderzoek naar tekorten in de geboortezorg
2. CBS
3. Cijfers uit de Nivel-registratie van verloskundigen: resultaten van de peiling 2023. | Nivel en Medisch geschoolden; specialisme, arbeidspositie, sector, leeftijd | CBS en capaciteitsplan-2022_2025-deelrapport-8-fzoavp-def-12-jan-23.pdf
4. Kraamzorg-prognosetool-2.0-FWG_20240314-1.pdf
5. Opendisdata
6. NVOG modelprotocol ‘Datering van de zwangerschap’ 2011
7. Beleid zwangerschap vanaf 41 weken - Richtlijn - Richtlijnendatabase
8. Zondag DC, Offerhaus PM, Keulen JKJ, van Haaren–ten Haken TM, Nieuwenhuijze MJ (2024) Practice variation in induction of labor: A critical document analysis on the contribution of regional protocols. PLoS ONE 19(10): e0311032. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0311032
9. Perined, Utrecht, 2026, geraadpleegd via: www.peristat.nl
10. Zorg rond de geboorte | Volksgezondheid en Zorg
11. Iedereen bijna ziek - Over de keerzijden van diagnose-expansie | Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
12. Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2025 | RIVM
13. KNOV Basistakenpakket 2024
14. Nivel registratie 2023
Coronapandemie treft overal barende vrouw
Tekst: Annemieke Verbeek, 2022-01
Wereldwijd piept en kraakt de reguliere zorg onder de extra belasting door de COVID-19-pandemie. Ook de impact op de geboortezorg is enorm. Een inventarisatie onder leden van het ICM geeft, ondanks grote onderlinge verschillen, een verontrustend beeld.

‘Een bevalling kan je niet uitstellen. En ook in een pandemie worden vrouwen zwanger en hebben ze recht op respectvolle, toegankelijke zorg. Dit recht is tijdens het afgelopen jaar onder druk komen te staan door de overbelasting van zorgsystemen door de coronapandemie’, zegt de Australische verloskundig onderzoeker Sally Tracy. Namens de International Confederation of Midwifes (ICM) deed Tracy onderzoek naar het effect van coronamaatregelen op de geboortezorg in het algemeen, en de zorg van verloskundigen in het bijzonder. Het is wat ze een ‘quick scan’ noemt – een thermometer die de situatie in een korte tijdspanne meet, maar waarvan je vooralsnog geen langetermijneffecten kunt destilleren. Sally: ‘Al vrij snel na het losbarsten van de pandemie werd duidelijk dat niemand in de zorg goed voorbereid was op een dergelijk scenario. Er waren bijvoorbeeld niet voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen. Dat trof verloskundigen als eerstelijnszorgverleners direct, zij werden door hun contactberoep bovengemiddeld vaak blootgesteld aan besmettingsgevaar. In juli 2020 hebben we vanuit het ICM een online enquête met 106 vragen gestuurd naar alle aangesloten verenigingen. (Op dit moment zijn er 143 leden die samen 124 landen en een miljoen verloskundigen vertegenwoordigen, red.). Ondanks dat het een momentopname is, zijn de antwoorden op deze vragenlijst belangrijk. Het laat zien hoe cruciaal het beroep van verloskundigen is, en wat er gebeurt als die zorg onder druk komt te staan.’
Grotere werkdruk
De resultaten van het onderzoek zijn geanalyseerd, het wetenschappelijke artikel werd ten tijde van dit interview nog beoordeeld voor publicatie door het online wetenschappelijke magazine PLOS. In totaal stuurden verloskundige verenigingen uit 101 landen de enquête retour. Ondanks grote verschillen tussen landen, waren er ook gemene delers, zoals de slechte voorlichting over besmettingsrisico’s aan verlos-kundigen en het gebrek aan beschermende kleding zoals mondkapjes en schorten. In heel veel landen waren verloskundigen gedwongen hun eigen beschermende kleding te maken of wegwerpmaterialen vaker achter elkaar te gebruiken. Sally: ‘Meer dan de helft van de respondenten liet weten dat de focus op coronazorg een direct effect had op de geboortezorg. Zo moesten veel zwangere vrouwen hun voorkeur voor de plaats van de bevalling veranderen, bijvoorbeeld omdat verlosafdelingen sloten ten behoeve van de zorg voor coronapatiënten. Vijftig procent van de respondenten gaf aan dat vrouwen bang waren om besmet te worden als ze in het ziekenhuis zouden bevallen, waardoor ze er eerder voor kozen om thuis te bevallen. Dit gaf een grotere werkdruk voor verloskundigen dan voor de pandemie; werkdagen van achttien uur waren geen uitzondering.’
‘Meer dan de helft van de respondenten liet weten dat de focus op coronazorg een direct effect had op de geboortezorg’
Aan de beleidstafel
Wat ook opvalt aan de reacties op de enquête: verloskundigen zijn zelden door overheden geraadpleegd en hebben amper meegepraat over de te nemen stappen in het beleid. Sally: ‘Deze belabberde score was niet voorbehouden aan de mate van welvaart in een land; verloskundigen uit zowel arme als rijke landen meldden dezelfde problemen. Deze studie bevestigt wat we al eerder zagen: verloskundigen zijn slecht vertegenwoordigd op de plekken waar beleidsmakers belangrijke beslissingen nemen. En als ze er wél zitten, wordt er slecht naar ze geluisterd. De resultaten drukken ons ook weer eens met de neus op de feiten over hoe belangrijk het is om verloskundige zorg in de gemeenschap te verankeren, zodat geboortezorg verzekerd blijft als de toegankelijke zorg binnen ziekenhuismuren onder druk komt te staan door een pandemie.’ Er waren beroepsverenigingen die hun plek aan de vergadertafel hebben afgedwongen, ook als ze niet uitgenodigd waren, vertelt Sally. ‘Anderen hebben hun netwerk ingezet om bijvoorbeeld via bevriende artsen alsnog hun stem te laten horen bij beleidsmakers. ICM heeft met klem benadrukt hoe belangrijk het is dat verloskundigen zichtbaarder zijn bij diegenen die beleid maken; ze staan in de frontlinie van de pandemie en hebben daardoor onmisbare ervaring en expertise voor beleidsmakers. De Wereldgezondheidsorganisatie is dat met ons eens, zij brachten recent een rapport uit met een pleidooi om verloskundigen meer te betrekken bij het formuleren van nieuw beleid over geboortezorg.’
Studenten in de knel
Ook studenten Verloskunde kwamen er overal ter wereld bekaaid vanaf tijdens de coronapandemie; velen konden niet stagelopen, moesten onderwijs online volgen, praktijkonderwijs kwam stil te liggen en ze mochten niet als waarnemer bij bevallingen zijn. Hun studie werd onderbroken en hun afstuderen vertraagd, waardoor er minder verloskundigen zijn afgestudeerd. Sally: ‘Bijna de helft van de respondenten gaf zelfs aan dat onderwijsprogramma’s een tijd lang helemaal stil kwamen te liggen. We weten nog niet wat dit op lange termijn betekent, maar in een beroepsgroep die wereldwijd kampt met structurele personeelstekorten, kan dat weinig goeds zijn.’ Daarnaast werden studenten ook regelmatig ingezet als verpleegkundige, terwijl ze daar lang niet altijd bekwaam voor waren. Negentien procent van de respondenten gaf aan dat er van studenten Verloskunde verwacht werd dat ze als verpleegkundige op COVID-afdelingen gingen werken. Sally: ‘Dat studenten later afstuderen heeft voor hen ook secundaire gevolgen, waar je misschien niet direct aan denkt. Ze kunnen bijvoorbeeld lastiger een passende baan vinden en beginnen daarom ook later met het afbetalen van hun studielening. In sommige gevallen hebben ze amper genoeg om rond te komen. Dat zal ook allemaal bijdragen aan een groeiend tekort aan verloskundigen.’
Achter een gordijntje
Op de vraag of het tekort aan verloskundigen verergerd is door COVID-19, en in hoeverre zwangere vrouwen hier last van hadden, antwoord 55 procent bevestigend. Zo werden bepaalde diensten niet meer aangeboden door verloskundigen. Het ging dan met name over voorlichtingsbijeenkomsten over onder meer seksuele gezondheid, anticonceptie, borstvoeding en de bevalling. Sally: ‘Laboratoria, echo’s, lactatiekundige zorg, opvoedingsspreekuren: in vrijwel alle landen werden dit soort diensten beperkt of zelfs gestopt. Dit nam in sommige landen extremere vormen aan, omdat verloskundigen ingezet werden voor de zorg voor coronapatiënten. Kleinere geboortecentra sloten de deuren, bijvoorbeeld in Afrikaanse landen. In sommige landen zijn die ook niet heropend, zelfs als ze al niet meer gebruikt werden voor coronapatiënten.’
Ernstiger zijn de talloze gemelde voorbeelden van gebrekkige zorg voor, tijdens en na bevallingen. In heel veel landen werden partners geweerd bij prenatale consulten en echo’s, werden vrouwen pas geholpen na een verplichte PCR-test en was een derde persoon bij de bevalling (zoals een doula, geboortefotograaf, moeder of vriendin) niet toegestaan. In Australië, Groot-Brittannië en diverse Oost-Europese landen waren partners pas in de actieve fase van de bevalling welkom, tot die tijd moesten ze bijvoorbeeld op het parkeerterrein wachten. Kraamafdelingen bleven gesloten voor partners en andere gezinsleden. Omdat in Australië, het land met een van de striktste maatregelen ter wereld, verlosafdelingen gesloten waren, zijn er voorbeelden van vrouwen die bevielen achter een gordijntje op de eerstehulpafdeling. Ze werden lang alleen gelaten. ‘Het was duidelijk druk, al het personeel rende van hot naar her over de gang’, vertelde een jonge moeder aan een Australische krant. ‘Ik had een keizersnede gehad en had zoveel pijn. Maar hoe vaak ik ook op de alarmknop drukte, er kwam niemand. De baby krijste, ik kon hem zelf niet oppakken. Het duurde ruim een uur voordat er iemand tijd voor me had en ik pijnmedicatie kreeg.’1
In Engeland konden sommige getraumatiseerde vrouwen niet meer thuis bevallen vanwege een tekort aan verloskundigen, maar moesten ze vervolgens zónder partner naar het ziekenhuis. Aan de Britse krant The Guardian vertelde de Schotse Lucy Tuohy, toen 38 weken zwanger, dat ze daarom voor een geplande keizersnede koos. ‘Ik wilde graag vaginaal bevallen, maar dat zou betekenen dat ik het hele eerste stuk alleen zou moeten doen, omdat mijn partner mij pas vanaf zeven centimeter ontsluiting mocht komen steunen. Ook zou hij na de bevalling niet aanwezig mogen zijn op de kraamafdeling. Mijn eerste bevalling was lang en traumatisch. Het idee dat ik bij een inleiding zo lang alleen zou zijn, boezemde me zoveel angst in. Het had een liefdevolle, magische ervaring moeten zijn, maar er hangt nu een duistere schaduw overheen.’
‘De impact van coronamaatregelen is minder in landen waar de positie van verloskundigen sterker verankerd is’
Stijging aantal thuisbevallingen
In armere landen zijn de voorbeelden van gebrekkige geboortezorg in deze periode nog vele malen schrijnender. In Kenia bijvoorbeeld, waar de lange avondklok zwangeren ernstig in hun bewegingsvrijheid beperkte. Zij kregen geen toestemming om naar het ziekenhuis te gaan tijdens de avondklok en werden hierdoor gedwongen hun heil te zoeken bij traditionele geboortewerkers of te bevallen met slechts de hulp van hun familie2. Als gevolg overleden verschillende vrouwen door een fluxus. De reguliere zorg verloor zo zicht op veel zwangeren, ook na de bevalling: consultatiebureaus meldden een halvering van het aantal vrouwen dat met hun baby langskomt, omdat jonge moeders bang waren om besmet te raken.
Sally: ‘Onze indruk is dat de impact van coronamaatregelen op de geboortezorg minder is in landen waar de positie van verloskundigen sterker verankerd is in het zorgsysteem, zoals in Nederland, Canada en IJsland. I n die landen zagen we meer creatieve oplossingen om de zorg toegankelijk te houden.’
Het aantal thuisbevallingen nam overal toe, soms dus uit bittere noodzaak, zonder de aanwezigheid van een verloskundige en met slechte perinatale uitkomsten als wrang gevolg. Sally: ‘Een vijfde van de respondenten uit ons onderzoek gaf aan casuïstiek te kennen van vrouwen die bevallen zijn zonder een medische geschoolde professional. In landen waar thuisbevallen onderdeel is van de gangbare beval-cultuur, zoals in Nederland, is ook een stijging van het aantal thuisbevallingen te zien. Daar kozen meer vrouwen ervoor thuis te blijven, omdat ze het risico op besmetting in het ziekenhuis te groot vonden. Er is geen reden om aan te nemen dat dit tot slechtere uitkomsten heeft geleid, al kan je je afvragen hoe positief het is dat vrouwen zich door corona gedwongen voelden thuis te bevallen.’
‘Talloze voorbeelden van gebrekkige zorg voor, tijdens en na bevallingen’
Stevige positie van verloskundigen onmisbaar
Volgens Sally kan je op basis van dit ICM-onderzoek niet stellen dat het effect van de pandemie op de geboortezorg, wereldwijd perinatale uitkomsten verslechterd heeft. ‘De voorbeelden zijn schrikwekkend, maar er is meer onderzoek nodig voordat je hier algehele conclusies aan kunt verbinden. Wat wél duidelijk is: om de zorg aan zwangeren ook ten tijde van een pandemie te waarborgen, is een stevige positie van verloskundigen onmisbaar. Laten we hopen dat landen leren van de afgelopen twee jaar en hun zorgsysteem zo inrichten, dat de zorg voor zwangeren en moeders nooit meer op deze manier onder druk komt te staan. Een midwife led-systeem is hiervoor de beste waarborg, omdat verloskundigen veilige, kwalitatief hoogstaande zorg bieden die ook buiten het ziekenhuis gegeven kan worden.’














