Het geheugen van de verloskunde
Tekst: Lidewijde Jongmans en Loes Schultz, 2026-3
Beeld: Commissie Catharina Schrader
In 1850 schreef een verloskundige in opleiding een bevallingsverslag dat je ook nu nog de adem beneemt: een vernauwd bekken, een uitgezakte navelstreng en een schijndood kind dat ‘in het leven werd teruggebragt’. De Commissie Catharina Schrader zorgt ervoor dat dit verhaal en de vele andere verhalen uit het erfgoed van de Nederlandse verloskunde bewaard blijven. De verloskunde is altijd in beweging geweest. Wat vandaag vanzelfsprekend lijkt, was ooit onderwerp van debat of pionierswerk. Wie weet waar het vak vandaan komt, kan beter bepalen waar het naartoe gaat. Daarom houdt de Commissie Catharina Schrader de verloskundige geschiedenis levend.
Transities in de verloskunde zijn niet nieuw. Al eeuwenlang verandert het vak. Wie zich verdiept in die geschiedenis, stapt even in de schoenen van eerdere generaties. Je ontdekt hoe zij dachten, waarop zij hun handelen baseerden en met welke maatschappelijke opvattingen en machtsverhoudingen zij te maken hadden. Tegelijkertijd realiseer je je
dat je op hun schouders staat. Veel van wat verloskundigen nu gewoon vinden, zoals hun deskundigheid, autonomie en positie binnen de geboortezorg, is door voorgangers opgebouwd en bevochten.
Kennis van de historie van het vak is niet voor niets een fundamenteel onderdeel van de Beroepsidentiteit van de Verloskundige. Wie weet waar het beroep vandaan komt, begrijpt beter hoe de huidige positie van de verloskundige is ontstaan. Waarom is het in Nederland in 2026 nog steeds gebruikelijk om thuis te bevallen? Waarom kent ons land, anders dan veel omringende landen, zo’n sterke eerstelijnsverloskunde?
Historisch bewustzijn helpt ook om het heden niet als eindpunt te beschouwen. Werkwijzen en overtuigingen die nu vanzelfsprekend lijken, kunnen over enkele decennia heel anders worden beoordeeld. Zoals verloskundigen nu soms met verbazing naar het handelen van hun voorgangers kijken, zullen toekomstige collega’s dat waarschijnlijk ook doen naar de zorg van vandaag. Daarom is het werk van de KNOV-commissie Catharina Schrader zo belangrijk.

Bewaren en beschermen
De Commissie Catharina Schrader is sinds 2021 onderdeel van de KNOV. De commissie bewaart, beschermt en ontsluit het erfgoed van de Nederlandse verloskunde, zodat oude documenten en voorwerpen ook voor nieuwe generaties betekenis houden. Van 1981 tot en met 2020 werd het verloskundig erfgoed beheerd door een zelfstandige stichting met dezelfde naam. De collectie wordt bewaard in het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland (TMGN) op Urk. Dat is een kennis-, documentatie- en erfgoedcentrum voor niet-universitair onderzoek naar de geschiedenis van de geneeskunde, gezondheidszorg, verpleegkunde, farmacie, tandheelkunde en paramedische vakken.

Deze vrouw had volgens haar zeggen haar eerste kind dat klein en weinig ontwikkelend nog natuurlijk gebaard, het tweede ondanks hulp toch doodgeboren hierop volgde voor de derde maal abortus waarop zij nog driemaal baarde doch maar bij deze drie kinderen die thans nog in leven zijn door middel van den tang geboren moesten worden. 4 feb des middags 4 ½ uur werd onze hulp bij deze vrouw ingeroepen. Het uitwendig onderzoek leerde Navel verstreken de Fundus leken 2 vingers breed boven de Navel helling der buik (gaf mate van hangbuik aan met daarbij de te verwachten indalingsproblemen, onze interpretatie) sterk de hartslag rechts en onder.
Inwendige gen(italien)… nagenoeg verstreken, er had zich een grote vochtblaas gevormd. Het hoofd lag daar hoog en beweeglijk op den bekkeningang en de navelstreng goed uitgezakt en klopte duidelijk zeer krachtig. Het promotorium was nu gemakkelijk met de wijsvinger te bereiken, de conjugata vera werd op 3 inch geschat. Na een half uur werd bij het onderzoek nu gevonden dat een oor en iets later dat er na regts en achteren de bovenrand van de linker oogkuil te voelen was.
Er werd nu besloten de Kering te bewerkstelligen daar er zeker veronderstelt kon worden dat het kind om bestaande bekkenvernauwing de minder gunstige stand van het hoofd en de uitzakkende navelstreng al werd dit kind natuurlijk geboren stellig tijdens de baring zou sterven. De vrouw werd nu op haar rug geplaatst (dwarsbed) daar men meende dat links de voeten in het achterste gedeelte der baarmoeder moesten gebracht worden de hand in de baarmoeder gebragt zijnde overtuigde men zich dat het aangezicht meer naar voren gericht was.
De vliezen werden nu gebroken maar nu had zich tevens het hoofd dat zoo bewegelijk op den bekkeningang lag verplaatst en lag de linkerschouder daar. De voeten konden onmogelijk bereikt worden hierom werd nu de vrouw op de regterzijde gelegd en nu zonder moeite een voet aangevat die later bleek de linker te zijn en de kering bewerkstelligt. Het kind werd nu zonder tegenstand tot aan het hoofd uitgehaald, de linkerarm bleef naast de tronk (romp) liggen, de regter die omgeslagen was werd ontwikkeld, er werden pogingen gedaan het hoofd met de hand te ontwikkelen doch te vergeefs want het hoofd bleef met het aangezigt naar regts en achteren op den ingang liggen.
Nu werd de tang aangelegd en daarmede het hoofd over de regter regio…? En linker voorhoofdknobbel gevat. Een tractie bragt het hoofd door de vernauwde bekkeningang een tweede door de genitaliën: Het kind werd schijndood geboren, doch na vlijtig aanwenden van afwisselend warme en koude baden, aether enzovoorts in het leven teruggebragt. Het kind had het linkerwandbeen een diepe indruk niet alleen van de zachte delen maar van her been zelf, welke indruk… ontstaan te zijn van het langdurig aandringen van het hoofd op het promotorium onder krachtige weeën. De baarmoeder had zich goed zaamgetrokken, het verwijderen van het secundinae leverde geen bezwaar.
'Help je mee het erfgoed van de Nederlandse verloskunde te bewaren?'
De commissie is vernoemd naar Catharina Schrader, die van 1693 tot 1745 vroedvrouw was in Dokkum en omgeving en wordt gezien als een van de grondleggers van de verloskunde. Haar dagboek, Het Memory boeck van de vrouwens, is onderdeel van de erfgoedcollectie. Net als een groot deel van de nalatenschap van professor en gynaecoloog G.J. Kloosterman (1915-2004). Verder bevat de collectie audio- en video-opnamen, documenten en klassieke instrumenten.
De Commissie Catharina Schrader wordt regelmatig benaderd door mensen die op een zolder van een overleden familielid verloskundige documenten of spullen hebben gevonden. Een van de laatste giften aan de collectie erfgoed verloskunde is van een mevrouw uit Den Haag: het zijn zo’n dertig bevallingsverhalen uit 1850, gebundeld onder de titel Verloskundige polikliniek Cursus 1850-1851.
Een van die verhalen staat hiernaast afgebeeld, met daarbij de vertaling van de commissie. ‘Het kind werd schijndood geboren, doch na vlijtig aanwenden van afwisselend warme en koude baden, aether enzovoorts in het leven teruggebragt.’ Het verslag laat zien dat er misschien verloskundig-inhoudelijk veel veranderd is in 176 jaar, maar ook dat in 1850 verslaglegging al zeer serieus werd genomen. De commissie is er dan ook heel blij mee dat dit soort pareltjes niet bij het oud papier belanden en dat mensen de moeite nemen om contact met ze op te nemen.
Help je mee?
Wil jij meehelpen het erfgoed van de Nederlandse verloskundige geschiedenis te bewaren? De commissie is op zoek naar enthousiaste nieuwe leden. Of je nog werkt of al gepensioneerd bent maakt niet uit. Als commissielid ben je aanspreekpunt voor iedereen die op zoek is naar informatie of juist wat te schenken heeft. Er is een reiskostenvergoeding en een vrijwilligersvergoeding. Je wordt lid voor drie jaar en kunt daarna je lidmaatschap verlengen met nog eens drie jaar.
Voor meer informatie of vragen kun je mailen naar Bianca Winants (directiesecretaris KNOV) bwinants@knov.nl of naar Lidewijde Jongmans (curator Commissie Catharina Schrader), LJ.Jongmans@ziggo.nl.

Nieuw bestuurslid Samie Zijlstra wil de verbinding terugbrengen naar de kern van het vak: 'We moeten weer zelf de koers bepalen'
Tekst: Eline Wortman | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: LEVL Fotografie
Wie Samie Zijlstra spreekt, merkt al snel dat één thema steeds terugkomt: verbinding. Met zwangeren, collega’s en met haar vak. Na bijna vijftien jaar in de eerstelijnspraktijk, een master Verloskunde en onderzoek aan het Amsterdam UMC trad ze in juni toe tot het KNOV-bestuur. Ze stapt in op een moment waarop zowel het vak als de vereniging in beweging zijn. ‘Ik geloof dat we mogen terugkeren naar waar het werkelijk om draait: relationele zorg, gezondheidsbevordering en de moed hebben om daarvoor te gaan staan.’
Hoe belangrijk die verbinding is, ervoer Samie (42) tijdens haar eerste eigen bevalling. Toen ze zich door haar eerste verloskundige niet gehoord voelde, vroeg ze een collega-vriendin haar bevalling over te nemen. ‘Ik wist als vroedvrouw al hoe belangrijk communicatie is, maar tijdens mijn bevalling ervoer ik aan den lijve hoe gevoelig die communicatie kan zijn. Toen voelde ik nog sterker: het maakt uit hoe iemand tegen je praat en hoe iemand naast je staat. Dat relationele stuk wil ik blijven voeden, ook binnen de KNOV.’
Van overleven naar richting geven
Jarenlang werkte Samie als praktijkhouder in Amsterdam. Met veel plezier, maar ook onder steeds grotere druk. Persoonlijke verliezen, personeelstekorten, capaciteitsproblemen in de geboortezorg en een zorgsysteem dat voortdurend om improvisatie vroeg, begonnen hun tol te eisen. ‘Ik had het gevoel dat ik alleen maar brandjes aan het blussen was. We reageerden voortdurend op wat er gebeurde, maar kwamen nauwelijks toe aan de vraag: welke kant willen we eigenlijk op?’
De master Verloskunde bleek een keerpunt. ‘Ik nam een sabbatical voor de master en ineens kreeg ik weer ruimte om na te denken over de toekomst van ons vak, in plaats van alleen maar te overleven.’ Haar masteronderzoek naar de inzet van twee verloskundigen tijdens thuisbevallingen kreeg een vervolg bij de vakgroep Verloskundige Wetenschap van Amsterdam UMC, waar ze nu als onderzoeker aan verbonden is. ‘Dat onderzoek gaat voor mij niet alleen over een andere organisatie van zorg. Het gaat ook over elkaar ondersteunen. We hoeven het niet altijd alleen te doen, we moeten het samen dragen.’
'Het maakt uit hoe iemand tegen je praat en hoe iemand naast je staat'

Een vereniging die richting geeft
Juist daarom spreekt de huidige koers van de KNOV haar aan. ‘Wat mij aantrekt, is dat de KNOV niet alleen reageert op ontwikkelingen, maar eerst teruggaat naar de basis. Wie zijn wij eigenlijk als verloskundigen? Wat is onze maatschappelijke opdracht?’ Die beweging sluit volgens haar naadloos aan bij de nieuwe Beroepsidentiteit van de Verloskundige, waarin verbinden, gezondheid en moed centraal staan. ‘Die drie kernwaarden voelen voor mij heel vanzelfsprekend. Verbinding gaat niet alleen over de relatie met cliënten, maar ook over hoe we elkaar als collega’s ondersteunen.’
Voor Samie draait het daarbij vooral om gezondheidsbevordering. ‘We mogen veel meer kijken naar wat mensen gezond houdt. Natuurlijk moeten we risico’s herkennen en op tijd verwijzen. Maar soms zijn we zo bezig met alles wat mis kan gaan, dat we vergeten gezondheid te versterken. We zijn steeds meer dingen “voor de zekerheid” gaan doen, terwijl we ons juist vaker zouden moeten afvragen: wat draagt écht bij aan gezondheid? Een goede bevalervaring heeft een enorme impact op een vrouwenleven, maar we kijken naar mijn idee nog te veel naar kortetermijnuitkomsten.’
Moed om opnieuw te kiezen
Voor Samie vraagt de huidige transitiefase vooral om moed. ‘Het vraagt moed om opnieuw te kijken naar alles wat we zijn gaan doen. Niet alles wat ooit is geïmplementeerd, is automatisch nog zinvol. Dat geldt voor protocollen, maar ook voor hoe we met elkaar werken en hoe we de zorg organiseren.’
Ze ziet daarin ook een belangrijke opdracht voor de beroepsvereniging: de brug slaan tussen beleid en praktijk. ‘Documenten als de beroepsidentiteit en het beroepsprofiel vormen de basis, maar verloskundigen moeten er in de dagelijkse praktijk ook iets aan hebben. Hoe helpt het je als je vannacht in gesprek bent met een cliënt of een discussie voert met een gynaecoloog? Die vertaalslag moeten we steeds blijven maken.’
Samen de KNOV zijn
Als nieuw bestuurslid wil Samie vooral bijdragen aan meer verbinding tussen leden en vereniging. ‘Ik hoop dat meer verloskundigen zich herkennen in de KNOV. Dat vraagt om betrokken leden, maar ook om een bestuur dat blijft luisteren naar wat er leeft in de praktijk.’
Daarnaast ziet ze kansen om thema’s als duurzame inzetbaarheid, werkplezier, vrouwenrechten en vrouwengezondheid nadrukkelijker op de agenda te zetten. ‘Verloskundigen krijgen energie van het contact met cliënten, niet van administratieve lasten. We moeten ervaren collega’s koesteren en hun kennis behouden, ook als ze niet meer praktiseren als verloskundige.’
Over vier jaar hoopt ze vooral dat de verbinding sterker is geworden. ‘Dat we als beroepsgroep samen deze transitie dragen, zodat meer zwangeren relationele zorg krijgen. Dat we als verloskundigen iets minder reactief zijn geworden en meer zelf richting geven aan ons vak. Uiteindelijk zijn wíj de KNOV.’
'Blijf vragen stellen'
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Waarom doen we de dingen zoals we ze doen? Dit lijkt een eenvoudige vraag, maar voor Bahareh Goodarzi en Jolanda Liebregts vormt die de rode draad van hun loopbaan. Allebei werkten ze jarenlang als verloskundige. En allebei liepen ze tegen hetzelfde aan: in de geboortezorg gebeurt veel volgens een vast, ingesleten patroon. Op de vraag waarom dat zo is, kwam vaak geen antwoord. Daarom gingen ze zelf op zoek.
Hun nieuwsgierigheid bracht ze bij de wetenschap. Niet om fulltime onderzoeker te worden, maar om bepaalde zaken beter te kunnen begrijpen. Waarom zien we bepaalde keuzes, praktijken en werkwijzen als vanzelfsprekend, terwijl niemand meer weet waar ze vandaan komen? En waarom zijn sommige patronen zo moeilijk te veranderen?
Van lastpak naar onderzoeker
Als kind vond Bahareh al veel dingen raar. ‘Ik wilde vaak begrijpen waarom iets zo was, maar kreeg bijna altijd dezelfde boodschap: stel niet zoveel vragen en doe wat er wordt gezegd. Pas tijdens mijn master Zorgmanagement aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam ontdekte ik dat vragen stellen niet lastig was, maar juist de basis kon zijn van verandering. Toen ik me later bij de KNOV bezighield met beleid en kwaliteit, merkte ik hoe ingewikkeld het is om veranderingen te realiseren als de onderliggende aannames niet zijn onderzocht.’ Een ontmoeting met socioloog en hoogleraar verloskunde Raymond de Vries gaf haar het laatste zetje richting onderzoek. Hij zei tegen haar: ‘Ik heb de antwoorden niet, maar ik wil je helpen om vragen te stellen en de antwoorden te vinden.’ Die vragen leidden uiteindelijk tot Baharehs promotieonderzoek naar risicoselectie in de geboortezorg en haar proefschrift Putting risk in its place: the complexity of risk selection in maternal and newborn care in 2023.
'Wat als “vanzelfsprekend” gewoon betekent: nooit ter discussie gesteld?'
Verwondering
Ook voor Jolanda was verwondering de aanleiding. Ze werkte twaalf jaar als verloskundige en kreeg steeds meer verantwoordelijkheden. Als regiomanager bij de KNOV en bestuurder van onder andere een VSV en samenwerkingsverband zag ze hoe professionals met hetzelfde doel toch regelmatig tegenover elkaar kwamen te staan. ‘We wilden allemaal betere geboortezorg. Waarom lukte het ons dan niet om gelijkwaardig samen te werken? Waarom bleven we dezelfde discussies voeren? Als ik wilde begrijpen waarom verandering zo moeilijk is, moest ik niet nóg een vergadering bijwonen, maar onderzoeken hoe het systeem werkt.’ Ze kreeg de kans om promotieonderzoek te doen naar de organisatie van integrale geboortezorg. ‘Ik kon onderzoeken op welke manier de organisatie van de geboortezorg invloed heeft op de uitkomsten voor moeder en kind. Maar minstens zo belangrijk was mijn vraag hoe professionals zich tot elkaar verhouden. We zeggen dat we gelijkwaardig samenwerken, maar soms gebruiken we nog steeds taal die oude verhoudingen in stand houdt. Bijvoorbeeld wanneer we aangeven dat een verloskundige iets “mag” van een andere discipline. Zo bepaalt taal hoe we onszelf positioneren.’
De waarde van wetenschap
Volgens Bahareh is onderzoek ideaal om aannames te toetsen, machtsstructuren bloot te leggen en verandering te initiëren en onderbouwen. Haar onderzoek laat zien dat zwangeren en baby’s in de categorie niet-westerse migratieachtergrond vaker te maken krijgen met ziekte en sterfte rond de zwangerschap en geboorte. Maar voor Bahareh gaat dat onderzoek niet alleen over cijfers.
We zeggen vaak: iedereen krijgt dezelfde zorg. Maar als mensen niet dezelfde positie in de samenleving hebben, betekent dezelfde zorg niet automatisch dezelfde uitkomst. Als we alleen kijken naar medische factoren, missen we een groot deel van het verhaal.’ Ze ziet dat de geboortezorg sterk gericht is op het opsporen van risico’s, het voorkomen en behandelen van ziekte en het voorkomen van sterfte. Dat heeft veel gebracht, benadrukt ze. Maar het kan ook betekenen dat andere factoren minder aandacht krijgen. ‘Wat als het probleem niet zit in het lichaam van iemand, maar in hoe wij als samenleving met mensen omgaan? Hier zit de kracht van wetenschap. Onderzoek helpt om zichtbaar te maken wat we anders niet zien.’ Mede daarom vindt ze andere wetenschapsgebieden zo waardevol. ‘Binnen de medische antropologie en sociologie worden andere vragen gesteld. Niet alleen: werkt iets? Maar ook: waarom vinden we dit normaal?
Wie bepaalt wat goede zorg is? En voor wie werkt het systeem eigenlijk?’
'Onderzoek helpt om zichtbaar te maken wat we anders niet zien'
Nieuwe inzichten
Voor Jolanda is die bredere blik net zo essentieel. Tijdens haar onderzoek ontdekte ze dat andere vakgebieden de geboortezorg kunnen verrijken. ‘Ik kwam bijvoorbeeld organisatiewetenschappers, sociologen en economen tegen die woorden hadden voor patronen die ik in de praktijk al jaren zag, maar nog niet goed kon benoemen. Begrippen als machtsdynamiek, grenzenwerk en netwerkmakelaars hielpen om beter te begrijpen wat er gebeurt.’ Volgens haar hoeven we binnen de geboortezorg dan ook niet alle oplossingen zelf te bedenken of in ons eigen domein te zoeken. ‘Door samen te werken met andere disciplines ontstaan nieuwe inzichten. Dat helpt ook om onze eigen positie opnieuw te bekijken. We zijn als verloskundigen soms bezig met onszelf bewijzen. Bijvoorbeeld om te laten zien dat wij bepaalde medische handelingen ook kunnen verrichten. Maar misschien ligt onze grootste expertise ergens anders: in de wijk, dicht bij mensen, in het kennen van de context waarin gezondheid ontstaat. Dit betekent niet dat medische expertise minder belangrijk wordt: als poortwachter signaleert de verloskundige tijdig wanneer een andere zorgverlener passender is. De vraag is dan: hoe organiseren we die samenwerking? Niet vanuit een hiërarchie, maar vanuit verschillende deskundigheden die elkaar aanvullen.’
Relationele zorg
Bahareh is het met Jolanda eens. ‘Als we kijken naar de geschiedenis van de verloskunde, dan denk ik dat we zijn vergeten waar we vandaan komen. Verloskunde is het oudste ‘medische zorg’-beroep, veel ouder dan de geneeskunde. Het is ontstaan vanuit de wens van vrouwen elkaar te helpen en geholpen te worden, lang voordat er ziekenhuizen en universiteiten waren. Vroedvrouwen hadden de kennis, de ervaring en het vertrouwen van de buurt. Geboorte vond plaats binnen de gemeenschap. Met de ontwikkeling van de moderne geneeskunde veranderde dat. Het lichaam werd steeds meer technisch en robotachtig; iets wat je kon meten, controleren en opdelen in onderdelen. Soms vergeten we dat zwangerschap en geboorte ook menselijke gebeurtenissen zijn. Verloskundigen komen uit – én zijn er voor – de gemeenschap. Zij kennen de mensen, de context en het verhaal van de zwangere. Dat maakt ons vak uniek. We hebben onszelf jarenlang gevangengezet in tegenstellingen. Fysiologie tegenover pathologie. Thuis tegenover ziekenhuis. Verloskundige tegenover gynaecoloog. Dit doet geen recht aan ons vak. Onze kracht zit niet alleen in fysiologie, maar ook in relationele zorg.’ Jolanda vult aan: ‘Juist daarom moeten we onze geschiedenis kennen. Dan begrijpen we ook beter waarom bepaalde machtsverhoudingen zijn ontstaan én waarom het nodig is dat verloskundigen een gelijkwaardige positie opeisen.’
'Verandering ontstaat wanneer professionals zelf zeggen: wij willen dit anders'
Verandering
De geboortezorg bevindt zich volgens beide onderzoekers midden in een grotere maatschappelijke verandering. Jolanda: ‘Het oude systeem is nog dominant. We geloven nog sterk in maakbaarheid, controle en steeds meer interventies. Tegelijkertijd voelen we steeds vaker dat dit systeem niet voldoende antwoord geeft op de uitdagingen waar we voor staan.’ Bahareh ziet hetzelfde. ‘De wetenschap kan hierbij helpen om beter te begrijpen wat er speelt en wat nodig is. Hier hoort ook zelfreflectie bij. Onderzoek doen betekent soms ontdekken dat je zelf onderdeel bent van een systeem dat ongelijkwaardigheid in stand houdt. Dat is ongemakkelijk, maar wel de eerste stap naar verandering.’ Jolanda gebruikt het perspectief van systeemdenken: ‘Een systeem kan heel lang stabiel lijken. Mensen weten hoe dingen gaan, organisaties zijn daarop ingericht. Dat geeft rust. Tot het moment waarop steeds meer mensen voelen: dit past niet meer bij wat nodig is. In die fase zitten we nu. Een transitie gaat altijd gepaard met onzekerheid. Met zoeken. En met momenten waarop je denkt: waar gaan we heen? Hier is wetenschap nodig. Niet om alle onzekerheid weg te nemen, maar om goede vragen te blijven stellen.’
Anders kijken
Kun je als individuele verloskundige ook een steentje bijdragen aan verandering? Volgens Bahareh kan dat zeker. ‘Blijf vragen stellen. Zeker wanneer je weerstand voelt. Dit betekent vaak dat je zit te porren in wat belangrijk is. Kijk ook kritisch naar je eigen handelen. Als je ontdekt dat je iets anders had kunnen doen, dan betekent dat niet dat je een slechte zorgverlener bent, maar dat je groeit.’ Jolanda sluit zich hierbij aan. ‘Wees je bewust van de woorden die je gebruikt en van de verhalen die we over onszelf vertellen. Verandering begint niet bij een nieuw protocol, maar bij een andere manier van kijken. Bij iedere keuze zou dezelfde vraag centraal mogen staan: voor welk probleem is dit eigenlijk de oplossing? Draagt dit bij aan relationele zorg? Helpt dit vrouwen en gezinnen? En helpt dit ons als beroepsgroep om beter te doen waar we goed in zijn? Want verandering ontstaat niet alleen aan bestuurstafels, maar wanneer professionals zelf zeggen: wij willen dit anders. Uiteindelijk is echte verandering een samenspel tussen praktijk, beleid en wetenschap.’
Meer vertrouwen
Een duidelijk voorbeeld daarvan ziet Bahareh in de ontwikkeling van de rol van verloskundigen binnen de abortuszorg. ‘Collega’s zeiden: waarom hoort dit niet bij onze zorg? Wij hebben de kennis, de vaardigheden én de relatie met deze mensen. Een groep verloskundigen pakte dit vervolgens op. We hoeven niet altijd te wachten tot iemand anders zegt dat we iets mogen doen. Als verloskundigen hebben we soms geleerd om onszelf klein te maken. Alsof onze zorg minder belangrijk is omdat die minder technisch zichtbaar is. Maar de relationele, continue begeleiding is een essentieel onderdeel van gezondheid. Zorg voor mensen is niet alleen wat je kunt meten. Het is ook hoe iemand zich gezien voelt. En hierin kunnen wij veel betekenen. Laten we meer vertrouwen op onze eigen kennis en ervaring.’

Leren, ontmoeten en inspireren in Lissabon
Verslag van het 32ste ICM-congres
Tekst: Marije Lolkema, Mirjam van Oosten en Zoë Bronnewasser, vierdejaarsstudenten verloskunde, 2026-3
Beeld: ICM
One Million More Midwives: dat was het thema van het 32ste congres van de International Confederation of Midwives. In Lissabon kwamen duizenden verloskundigen uit alle hoeken van de wereld samen om kennis te delen, onderzoek te presenteren en van elkaar te leren. Maar ook om te vieren wat hen verbindt: de dagelijkse impact op het leven van vrouwen, baby’s en gezinnen.

Wereldwijd zijn er naar schatting één miljoen extra verloskundigen nodig, zo luidde de belangrijke boodschap van het congres. Ernstig bloedverlies na de baring is wereldwijd nog steeds de belangrijkste directe doodsoorzaak van moedersterfte. Voldoende goed opgeleide verloskundigen zijn onmisbaar om deze sterfte terug te dringen. Meer verloskundigen opleiden is dan ook hard nodig. Maar tussen de gesprekken over personeelstekorten, kwaliteit van zorg en het terugdringen van moedersterfte kwam ook steeds een andere boodschap naar voren: de toekomst van de verloskunde hangt niet alleen af van het opleiden van nieuwe collega’s, maar ook van het behouden van de verloskundigen die er al zijn.
Passie aanwakkeren
Dat begint bij iets wat misschien verrassend eenvoudig klinkt: het plezier in het vak terugvinden. Want alleen wanneer verloskundigen zich gewaardeerd voelen, met energie kunnen werken en verbonden blijven met hun beroep, kunnen zij ook op de lange termijn het verschil blijven maken voor vrouwen en hun gezinnen. Het ICM-congres zorgde daarvoor. Vier dagen vol ontmoetingen, inspiratie en verhalen uit alle hoeken van de wereld lieten weer eens zien waarom de verloskunde zo’n bijzonder vak is. Het congres is een plek waar de passie voor het vak opnieuw wordt aangewakkerd.
'Nog voor aanvang zat de zaal al vol en op de hele gang stonden nog mensen die wilden meedoen'

Trots en verbondenheid
Het congres begon zondag met een feestelijke openingsceremonie, inclusief een indrukwekkende vlaggenparade. Elk deelnemend land werd vertegenwoordigd door een vlaggendrager. Voor Nederland was die eer weggelegd voor Zoë Bronnewasser, bijna afgestudeerd verloskundige. Vanaf de eerste minuut was de sfeer voelbaar: trots, verbondenheid en enthousiasme. Met duizenden verloskundigen uit alle hoeken van de wereld vierden we niet alleen ons vak, maar ook de impact die verloskundigen dagelijks hebben op het leven van vrouwen, baby’s en gezinnen. De boodschap was duidelijk: verloskundigen zijn onmisbaar. Na een dag vol inspirerende sessies sloten we op maandag af met de KNOV-netwerkbijeenkomst. In een ontspannen en gezellige sfeer kwamen veel Nederlandse verloskundigen samen om de indrukken van het congres te delen en na te praten over alles wat ze die dag hadden gehoord en beleefd. Een mooie afsluiting van een waardevolle eerste congresdag!

Dinsdag organiseerde de KNOV de workshop over de Beroepsidentiteit van de Verloskundige. Al ruim voor aanvang zat de zaal vol en ook de hele gang stond nog vol met mensen die nog hadden willen meedoen. Ook tijdens de workshop werd duidelijk dat weten wie je bent, waar je van bent en waar je voor staat een onderwerp is dat wereldwijd sterk leeft. Nadat Suzanne Thompson en Ruth Evers hadden gepresenteerd hoe en waarom de beroepsidentiteit door de KNOV en haar leden is vormgegeven, gingen de deelnemers zelf aan de slag. Verloskundigen van over de hele wereld gingen aan de slag met een Beroepsidentiteit van de Verloskundige voor hun eigen land. Welke culturele perspectieven en welke kernwaarden zouden voor hen van belang zijn? Aan het einde van de workshop kregen ze een handleiding om hier verder mee te gaan. De workshop werd afgesloten met enthousiaste reacties uit de zaal. De uitwisseling van ervaringen en ideeën werd door de deelnemers als waardevol ervaren. Na een volle congresdag konden we dinsdag tijdens het congresdiner heerlijk ontspannen op een prachtige locatie aan de rand van Lissabon. Onder het genot van lekker eten en drinken was er volop gelegenheid om na te praten, ervaringen uit te wisselen en elkaar ook buiten de congreszalen beter te leren kennen. De gezellige sfeer zat er goed in en na het diner gingen de voetjes zelfs nog even van de vloer!


Op donderdag, met ons hoofd vol inspiratie, gepresenteerde onderzoeken, nieuwe ideeën en alle ervaringen die we hebben opgedaan, sloten we de congresweek af met de afsluitingsceremonie. Tijdens deze ceremonie werd het nieuwe ICM-bestuur voorgesteld, werden prijzen uitgereikt voor de beste presentaties en werden veel mensen bedankt voor hun bijdrage aan het congres. Ook werd bekendgemaakt waar het ICM-congres over drie jaar zal plaatsvinden (Abu Dhabi, UAE) en werd er nog één keer fanatiek meegedanst op het congreslied. Wij kijken terug op een fantastische week vol inspiratie, ontmoetingen en mooie ervaringen, die nog lang zullen blijven hangen.
Het ICM-congres bood een rijk programma met bijna 250 lezingen, workshops en seminars. Van obstetrisch geweld en discriminatie tot duurzame inzetbaarheid en humanitaire crises: KNOV-deelnemers bezochten uiteenlopende sessies en delen hieronder de inzichten die hen het meest opvielen.

Obstetrisch geweld
Spreker: Frida Viirman (Zweden)
De enige beschermende factor in het voorkomen van obstetrisch geweld is het hebben van een bekende vroedvrouw. Dat is de belangrijkste uitkomst in het Zweedse onderzoek dat Frida Viirman presenteerde. Overige factoren, zoals een epiduraal of een geplande sectio, bleken juist bij te dragen aan obstetrisch geweld. In dit onderzoek zijn naast fysieke vormen van obstetrisch geweld ook verbale uitspraken meegenomen als vormen van geweld. Zo rapporteerde een vrouw verwezen te zijn naar een psycholoog nadat zij VT’s had geweigerd, en had een ander na tien keer vragen gecapituleerd voor een behandeling waarna ‘consent’ in het dossier werd genoteerd.
Duurzame inzetbaarheid
Sprekers: diverse sprekers uit Australië, Brazilië, Nederland, Zweden en Noorwegen
‘We leveren nieuwe verloskundigen af aan het werkveld, het water wat een bad doet volstromen. Echter zijn we vergeten de stop in het bad te doen.’ Deze metafoor van Ingegerd Hildingsson uit Zweden leidde tot reflectie op de factoren die bijdragen aan uitstroom in het beroep en de vraag wat nodig is om jonge, bevlogen verloskundigen te behouden. Daarbij werd benadrukt dat het essentieel is om te onderzoeken welke ‘stop’ ontbreekt en welke maatregelen binnen het werkveld kunnen bijdragen aan duurzame inzetbaarheid en werkplezier.
Verloskundigen als weerspiegeling van de samenleving
Spreker: Shirdell Mattox (Verenigde Staten)
Ongelijke toegang tot zorg tussen witte en zwarte zwangeren in de Verenigde Staten blijft een groot probleem, met significant slechtere uitkomsten voor zwarte moeders en baby’s. In de vier zuidelijke staten Alabama, Louisiana, Mississippi en Tennessee is er naast grote armoede en sociale problematiek een gebrek aan zorgvoorzieningen voor zwangeren. Deze ‘midwifery deserts’ (verloskundige woestijnen) gaan gepaard met hoge maternale en perinatale sterftecijfers. De afgelopen jaren zijn er daarom opleidingen gestart en geaccrediteerd waarmee studenten worden opgeleid tot Certified Professional Midwife. Dit komt voort uit de van oudsher zwarte ‘granny midwives’ die de zwarte gemeenschap dienden, en direct-entry, dus zonder eerst een bachelor of Nursing en daarna Master of Midwifery om Certified Nurse-Midwife te worden. De opleiding vindt grotendeels plaats binnen de eerstelijns zorg en in de wijk, omdat juist in deze zuidelijke staten herkend wordt dat verloskundige zorg in de wijk tot betere uitkomsten leidt.
Abortuszorg
Spreker: Ulrika Rehnstrom Loi (WHO)
‘It is not only about having one million more midwives, it’s about enabling them to work to their full scope of practice.‘ Met deze boodschap van Scoviah Masudio (Oeganda) werd het belang benadrukt van het optimaal benutten van de expertise van verloskundigen. In deze sessie stond de vernieuwde richtlijn van de WHO over veilige abortuszorg centraal. Daarin wordt aanbevolen om verloskundigen een grotere rol te geven in de begeleiding van het proces rondom abortus. Verloskundigen kunnen een bijdrage leveren aan counseling, begeleiding en in sommige gevallen ook aan medicamenteuze abortuszorg. Daarmee wordt de toegankelijkheid van zorg vergroot en kan de zorg dichter bij de cliënt worden georganiseerd. In Nederland is deze rol voor verloskundigen niet mogelijk binnen het huidige wettelijke kader. Abortuszorg valt hier onder specifieke medische wetgeving en is bovendien strafrechtelijk gereguleerd, waardoor deze zorg is voorbehouden aan daartoe bevoegde artsen en instellingen. In onder meer Zweden is de rol van verloskundigen verder ontwikkeld. Daar maken zij, ook al voordat de wetgeving werd aangepast, onderdeel uit van de uitvoering en begeleiding van abortuszorg. Dit draagt bij aan een toegankelijker en meer geïntegreerd zorgaanbod.
Genitale verminking
Workshopleiders: Janet Mathilda Fyle, Juliet Albert (Verenigd Koninkrijk) en Marie Jones (Australië)
Bijna zes procent van de vrouwelijke wereldbevolking leeft met een vorm van vrouwelijke genitale verminking. De workshop werd geopend door een vrouw die haar persoonlijke verhaal deelde. Ze groeide op in een Afrikaans land en werd op haar veertiende besneden. Indrukwekkend was dat ze vertelde als meisje naar de besnijdenis te hebben uitgekeken. Het hoorde erbij. Het was een feestelijke gebeurtenis en ze wilde niets liever dan, net als de andere vrouwen, onderdeel zijn van de gemeenschap.
De werkelijkheid bleek onvoorstelbaar anders. Zonder verdoving werd zij vastgehouden door meerdere vrouwen terwijl de ingreep werd uitgevoerd. Ze beschreef de intense pijn, de angst en de machteloosheid die ze voelde. De fysieke klachten hielden jarenlang aan. Pas nadat ze naar Engeland verhuisde, ontdekte ze dat wat haar was overkomen geen vanzelfsprekendheid was. Ze vond hulp bij een gespecialiseerde organisatie en onderging uiteindelijk een hersteloperatie. Met zichtbare emotie vertelde ze dat ze daardoor niet alleen minder pijn ervaart, maar ook voor het eerst in haar leven seksualiteit als iets positiefs heeft leren kennen. Een van de aanwezige seksuologen vulde haar verhaal treffend aan: ‘De hersenen zijn ons grootste seksuele orgaan.’ Ondanks het blijvende trauma is herstel lichamelijk én emotioneel mogelijk.
Ze droeg oorbellen in de vorm van een clitoris: een krachtig symbool. Ze legde uit dat haar clitoris niet verdwenen is; alleen het uitwendige deel is verwijderd. De oorbellen waren een statement van veerkracht en eigenaarschap over haar eigen lichaam. Aan het einde van de workshop was de emotie in de zaal voelbaar. Veel aanwezigen hadden tranen in hun ogen. Juist daarom besloten de sprekers dat het tijd was om de zwaarte even los te laten. De muziek ging aan en de hele zaal danste mee. Niet om het verdriet te vergeten, maar om stil te staan dat er steeds meer aandacht is voor vrouwelijke genitale verminking, dat vrouwen hun verhaal durven te vertellen en dat er hoop is op verandering. Het was een onverwacht, maar prachtig en verbindend moment.
Haar laatste boodschap was misschien wel de belangrijkste voor ons als verloskundigen. ‘Geen enkel verhaal is hetzelfde. Vraag daarom niet alleen wat er is gebeurd, maar vooral hoe iemand haar ervaring heeft beleefd. Achter
elke vorm van vrouwelijke genitale verminking schuilt een uniek verhaal en vaak ook een diep trauma. Juist door zonder aannames te luisteren, kunnen wij de zorg bieden die deze vrouwen verdienen.’
De thuisbaring
Spreker: Violet Clapham (Nieuw-Zeeland)
Voor het behalen van haar Master of Midwifery deed eerstelijnsverloskundige Violet Clapham onderzoek naar de (postnatale) uitkomsten van thuis baren in Nieuw-Zeeland. Hiervoor gebruikte zij vragenlijstdata van 90 vrouwen die thuis hun baby baarden, plus een focusgroep-discussie met acht deelnemers. Een opvallende bevinding, in vergelijking met de Nederlandse thuisbaring, was het gemiddeld aantal minuten ononderbroken huid-op-huidcontact na de baring: maar liefst 127 minuten! Daarnaast bedroeg de gemiddelde gewichtsafname van de baby in de eerste levensweek slechts 0,5%. Hierdoor startte in de zaal een discussie over wat wij verstaan onder fysiologie. Is tot 7% afvallen in de eerste week eigenlijk wel fysiologie? Zien wij daarin in Nederland verschil tussen baby’s die thuis zijn geboren of baby’s die langdurig huid-op-huidcontact hebben gehad en baby’s die in een ziekenhuissetting worden geboren? En wat kunnen we ervan leren? Ten slotte benoemde Violet het loslaten van richtlijnen en voedingsschema’s als succesfactor in het starten en volhouden van succesvolle borstvoeding: ‘Go with the flow and trust in mother’s and babies’ instincts.’
Verloskundigen in tijden van humanitaire crises
Workshopleiders: Liselotte Kweekel en Neha Mankani (ICM)
De workshop werd geopend door vier verloskundigen die kort maar aangrijpend vertelden over hun ervaringen met werken in humanitaire crisisomstandigheden. Clemence Chbat (Libanon), verloskundige en adviseur vrouwengezondheid bij Artsen Zonder Grenzen, vertelde over haar werk in onder meer Zuid-Sudan. Daar hielp zij bij het opzetten van een noodkliniek voor moeder- en kindzorg om te voorzien in de behoefte van een grote stroom vluchtelingen die plots op gang kwam. Cherolyn Polomon (Papoea-Nieuw-Guinea) vertelde geëmotioneerd over het moment dat zij met een barende vrouw bij een rivierovergang stond waar zojuist de enige brug was ingestort. De vrouw op tijd in het ziekenhuis krijgen werd een uitdaging op leven en dood. Jacquelyn Ingram (Verenigde Staten) woont en werkt als verloskundige op Hawaï en was één van de eersten om ter plaatse te gaan en zwangeren te ondersteunen na de verwoestende natuurbranden in 2023. Ximena Rojas Garcia (Mexico) werkte als holistisch verloskundige in Mexico toen niet ver van haar huis honderden mensen vast kwamen te zitten voor de grens met de Verenigde Staten. Ze startte zo goed en snel als zij kon zorg op, met haar verlostas in de hand, de achterbank van haar auto als onderzoeksbank en haar woonkamer als veilige haven om te bevallen. Inmiddels runt zij de stichting Partería y Medicinas Ancestrales, die gratis verloskundige zorg biedt aan vluchtelingen, gedeporteerden, ontheemden en zwangeren die leven in extreme armoede. Aan het einde van de workshop konden deelnemers rondlopen en vragen stellen aan verschillende organisaties. In dit gedeelte was ook ruimte voor Pashtoon Azfar Zyaee van de Afghan Midwives Association (AMA) en Sanna Veenstra-Kwakkel van de KNOV om te vertellen over het samenwerkingsproject tussen AMA en KNOV in 2024.
Een plateaufase of een niet-vorderende baring?
Workshopleiders: Laura Iannuzzi (Verenigd Koninkrijk), Anna Maria Rosetti (Italië), Marina Weckend (Duitsland)
Vanuit hun eigen expertise deden deze drie onderzoekers onderzoek naar plateaus tijdens de baring en hoe je als verloskundige goed het onderscheid kunt maken tussen een fysiologisch plateau (een pauze tijdens de baring in ontsluiting en/of weeën die vanzelf weer voorbijgaat) en een daadwerkelijke, mogelijk pathologische, stagnatie van de baring. Watchful attendance is hierbij de belangrijkste vaardigheid: zien, horen en voelen wat er gebeurt, en beoordelen of moeder en kind beiden in goede conditie zijn. Is dit het geval, dan zal de baring bijna altijd vanzelf weer continueren. Lijkt dit niet het geval, dan kun je de verschillende oorzaken afpellen als een ui. In de eerste (buitenste laag) de factoren die het parasympathisch zenuwstelsel beïnvloeden. Voelt de barende zich veilig? Is de omgeving rustig? Zijn de lichten gedimd? De tweede laag is het autonome zenuwstelsel. Hierop heb je minder directe invloed, maar deze kan in werking zijn gezet door de buitenste laag. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin de uterus hypoxisch wordt en de weeën niet meer effectief bijdragen aan indaling en ontsluiting. De derde laag zijn de zachte weefsels, waaronder de bekkenbodemspieren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een disbalans in bepaalde spiergroepen waardoor baarmoeder en kind niet goed kunnen samenwerken om het kind de juiste richting op te ‘duwen’. Hierbij kunnen interventies zoals Spinning Babies, ook al tijdens de zwangerschap, uitkomst bieden. De hele workshop in een paar zinnen samenvatten is bijna onmogelijk. Wil je meer weten over dit interessante onderwerp, kijk dan vooral op de website childbirthresearch.com voor meer informatie.

Professionele ontwikkeling – identiteit
Sprekers: Emily Gillard (McMaster University, Ontario, Canada), Rachel Warren en Alexa Minichiello (Association of Ontario Midwives (AOM), Canada)
Deze bijeenkomst, met in totaal drie sprekers, stond in het teken van beroepsidentiteit. Een onderwerp dat niet alleen in Nederland leeft, maar zeker ook onder de andere landen. Tijdens het ICM-congres waren er meerdere bijeenkomsten die gingen over onze identiteit, waarbij deze eruit sprong op toepasbaarheid voor de Nederlandse situatie. Vooral de twee presentaties van de Canadese vroedvrouwen (alle drie uit Ontario) spreken aan. Ontario lijkt op Nederland qua grootte en opbouw, en ook qua geboortezorgsysteem met zelfstandige vroedvrouwen.
De kunst van de vroedvrouwerij
Emily Gillard vertelde over haar antropologische promotieonderzoek, waarin zij belangrijke ‘niet-klinische’ vaardigheden van verloskundigen toonde en analyseerde, waaronder diep luisteren, aanwezigheid, flexibiliteit en een ‘ja’-mentaliteit. Het onderzoek richt zich erop om die onzichtbare set van vaardigheden van verloskundigen daadwerkelijk te zien, en om te zien hoe deze vaardigheden worden toegepast, in stand gehouden en onderwezen.
Emily hoopt dat het zichtbaar maken van deze verloskundige vaardigheden de eerste stap is naar het waarderen en leidend maken van vaardigheden die onderwijs, praktijk en beleid op het gebied van geboortezorg ingrijpend kunnen veranderen.
Emily liet zien hoe gemakkelijk het is om de klinische vaardigheden van verloskundigen te zien: het monitoren van de gezondheid van moeder en kind, baby’s opvangen, hechten en medicatie toedienen. Dit zijn vaardigheden die worden afgemeten aan technische nauwkeurigheid en tastbare resultaten. Vaardigheden en resultaten die kunnen worden ingezet als leiderschap in de verloskunde en breder in de gezondheidszorg. Het lijkt logisch dat dit soort vaardigheden prioriteit krijgt in de opleiding en professionele ontwikkeling van verloskundigen. Wat gemakkelijk te zien is, is ook gemakkelijk te tonen en te waarderen, zowel individueel, professioneel als systemisch. Maar dat is niet het enige wat vroedvrouwen brengen. En misschien zelfs niet eens het belangrijkste. De kunst van de vroedvrouwerij (‘the art of midwifery’) is juist die andere set van vaardigheden: diep luisteren, actieve en intentionele aanwezigheid, emotieregulatie, empathie, flexibiliteit, vindingrijkheid en het hebben van een ‘ja’-mentaliteit. Deze vaardigheden worden meer gevoeld dan gezien, en Emily ziet het als haar opdracht om dat meer zichtbaar te maken, zodat het net zo goed individueel, professioneel en systemisch te waarderen wordt.
Juist deze vaardigheden maken de vroedvrouw bij uitstek geschikt om te werken aan geïnformeerde keuzes, vertelde Emily., De continuïteit van zorgverlener is daarbij essentieel om het ouderschap te versterken. Vooral roept zij op om de vrouw te zien als mens: alleen dan kan de vrouw op haar beurt ook de vroedvrouw als mens zien, in plaats van enkel als zorgverlener. Met haar bijzondere skillset creëert de vroedvrouw de ruimte voor die wederzijdse erkenning. Dat kan ook heel praktisch: Emily vertelde beeldend over hoe handwerken, en vooral breien, de nodige rust en tijd geeft voor vrouw én vroedvrouw om deze niet-klinische vaardigheden in te zetten. En dat kan meteen na afloop: als cadeautje had ze een eenvoudig breipatroon van een babymutsje voor haar toehoorders. Belangrijk onderzoek om mee te nemen in het binnenkort te ontwikkelen opleidingsprofiel!
Beantwoorden van vroedvrouwelijke vragen – Richtlijnen van de AOM
Rachel Warren (verloskundige en beleidsadviseur bij de AOM) en Alexa Minichiello (directeur van de afdeling richtlijnontwikkeling bij de AOM) vertelden hoe zij de afgelopen jaren hebben gewerkt aan professionalisering van de Ontariaanse verloskundigen, onder meer met eigen richtlijnen. Verloskundigen stellen namelijk andere vragen dan medisch specialisten, en dus vraagt hun zorg om andere antwoorden. Toch golden lange tijd alleen de richtlijnen van medisch specialisten, omdat verloskundigen geen eigen richtlijnen hadden. Ontario kent sinds de jaren ‘90 een gezondheidszorgstelsel waarin verloskundigen, vergelijkbaar met Nederland, als zelfstandige zorgverleners werken, met vergaande verantwoordelijkheden en de geïnformeerde keuze van de zwangere als leidend principe. Vanuit het streven om recht te doen aan vroedvrouwelijke zorg en die geïnformeerde keuze, besloot de AOM zelf richtlijnen te ontwikkelen. Dat laten ze zien aan de hand van de richtlijn over VBAC (vaginale geboorte na eerdere sectio). En ja, het advies is om thuis te bevallen!
De beschikbare evidence over VBAC is voor gynaecologen en verloskundigen gelijk. De methodologie om die evidence te wegen is ook gelijk, namelijk de GRADE-systematiek. Dat is overigens ook de methode die de KNOV hanteert bij de richtlijnontwikkeling. Toch zijn de uitkomsten anders, omdat vooraf andere vragen worden gesteld én omdat de conclusies achteraf anders worden gewogen.
En dat sluit weer mooi aan bij het onderzoek van Emily Gillard hierboven.
Bij het stellen van de vragen vooraf kijken verloskundigen naar wat gezondheidsbevorderend werkt en kijken medisch specialisten vooral naar risicomijding. Bij de duiding achteraf spelen ethische en waarde- en haalbaarheidsafwegingen mee die raken aan vroedvrouwelijke zorg en de geïnformeerde keuze van de vrouw.
Interessant om te zien is dat de AOM zichzelf dezelfde vragen heeft gesteld als de KNOV: welke vragen willen wíj beantwoord zien? Hoe ontwikkelen we goede richtlijnen voor verloskundigen? De uitkomst is bij beide vergelijkbaar: een procedure die recht doet aan vroedvrouwelijke vragen én vroedvrouwelijke duiding, waarbij conclusies worden gewogen langs ethische normen en waarden (beroepsidentiteit!), haalbaarheid en geïnformeerde keuze (passende zorg!). Wie weet wat dat in de toekomst betekent voor de VBAC in Nederland!
Omgaan met data over ongelijkheid
Workshopleider: Benash Nazmeen (Verenigd Koninkrijk)
Belangrijke onderwerpen, maar beladen en daardoor lastig om over in gesprek te gaan: ongelijkheid, discriminatie en racisme. In deze workshop gaf Benash Nazmeen ruimte aan alle gevoelens die over dit onderwerp kunnen leven, zoals de angst om iets verkeerd te zeggen, verdriet, schaamte of de drang om jezelf te verdedigen. En tegelijkertijd: opluchting en blijdschap dat dit onderwerp besproken wordt. Een korte documentaire over kinderen in het Verenigd Koninkrijk maakte indruk en benadrukte het belang van dit onderwerp. De belangrijke tip uit de workshop was het creëren van een veilige setting waarin dit onderwerp besproken wordt. Ter ondersteuning hiervan kun je bijvoorbeeld een ‘blob tree’-oefening doen. Daarnaast is openen met een persoonlijk verhaal of anekdote een goed middel om de luisteraar, of dat nu studenten of beleidsmakers zijn, mee te nemen in het onderwerp. Hiermee voorkom je dat de statistieken tegen dovemansoren gericht zijn, omdat mensen blijven hangen in vooraf aangenomen oordelen en waarheden.
Bekijk de korte documentaire hier.
Terugschakelen
Tekst: Maike van Eijndthoven, 2026-3

Geïrriteerd toeter ik naar de auto voor me. ‘Het is groen!’ Appje van mijn dochter: ‘Kan ik de training skippen vanavond, het is Sint-Maarten?’ ‘Hoezo? Je bent 14!’ Geen zin om te reageren, helemaal nergens zin in op dit moment.
Ik ben onderweg naar het bos. De week was vol en spannend.
Als kersverse verloskundige zit mijn hoofd continu vol. Twijfels of ik de juiste inschatting maak. Ben ik goed genoeg voorbereid op alles? Waarom ben ik zo traag? Mijn collega’s zijn zo snel en soepel, zo zeker en rustig. Ik moet overal over nadenken, loop continu achter
de feiten aan.
Vandaag ben ik vrij. Een beetje geforceerd heb ik mezelf naar het bos gedirigeerd met mijn mountainbike. Want ik weet dat ik ook moet ontspannen. Weer iets dat moet. Met lichte tegenzin stap ik op de fiets. Het is stil en koud. Het bos is mooi. Langzaam voel ik alle gebeurtenissen van de afgelopen week van me afglijden. De ouders die met dertig weken een IUVD te verwerken kregen, de zwangere van wie de man een nare diagnose kreeg. Mijn allereerste CP-groep om te begeleiden. Maar ook de boze vader die een uur lang tegen me tekeer ging omdat hij vond dat de bevalling van zijn partner niet goed was begeleid. Ik zag hem voor het eerst, was niet bij de bevalling. Ik vind het soms wonderlijk hoe mensen ‘de zorgverlener’ als één entiteit lijken te zien.
In het bos is het herfst, de bomen zijn gekleurd, er zijn al paddenstoelen. De zon piept door de bomen. Het voelt alsof ik met elke kilometer weer een gedachte, een casus, een consult achter me laat. Ja, het ging goed, ik heb geen rare dingen gedaan of gezegd. Maar het gaat nog niet vanzelf. Zoveel handelingen, keuzes en verantwoordelijkheid. Alle administratie, alle protocollen, een eindeloos zorglandschap waar ik soms nog in verdwaal.
Thuis merken ze ook dat er in mijn hoofd weinig ruimte overblijft. Kids en manlief hebben aan mij niet de gezelligste als ik thuiskom na de dienst of na mijn spreekuur. Daar voel ik me dan weer verantwoordelijk voor: thuis moet ik ook nog leuk zijn.

Maar vandaag ben ik vrij. De kids zijn op school, man aan het werk, ik ben vrij. Soms is de stilte nodig. Even niks en niemand. Mijn handen zijn koud, mijn hoofd is leeg, de rust is terug. Als ik terugrijd naar huis, zing ik mee met de radio en geniet van de mooie herfstkleuren om me heen. Achter me toetert een auto. Oh ja, groen. En ik app kindlief terug. ‘Ja prima, gezellig, kunnen we samen snoep uitdelen.’
'Geen verdere optimalisatie, maar een nieuw vertrekpunt'
KNOV-bestuurder Marieke Smith in gesprek met transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach
Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: De Beeldredacteur
De geboortezorg is in transitie. Dat voelt ongemakkelijk, onzeker en soms ronduit chaotisch. Maar volgens transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach is die onrust ook een teken dat het bestaande systeem begint te kantelen en dat er ruimte is om de geboortezorg fundamenteel te verbeteren. KNOV-bestuurslid Marieke Smith gaat met de onderzoekers in gesprek: over de disbalans in de geboortezorg, de transitiepijn die daarbij hoort en wat er nodig is om verder te komen.
In opdracht van het Zorginstituut onderzocht het Rotterdamse onderzoeksinstituut DRIFT afgelopen jaar de staat van de Nederlandse geboortezorg. DRIFT-onderzoeker Sien Beckers analyseerde beleidsstukken, rapporten, evaluaties, position papers, opiniestukken en nieuwsartikelen en sprak met tal van mensen die betrokken zijn bij de geboortezorg. Zowel vernieuwers als meer behoudende stemmen. Ook faciliteerde DRIFT verschillende sessies waarin professionals uit de geboortezorg met elkaar in gesprek gingen over de analyse van de onderzoekers. ‘Wat mij in het onderzoek het meest verraste was de bereidheid van iedereen om met ons in gesprek te gaan’, vertelt Sien. ‘Over de hele linie voelen mensen dat de druk oploopt en dat het anders moet.’
'Over de hele linie voelen mensen dat de druk oploopt en dat het anders moet'
Sien zit samen met DRIFT-directeur Derk Loorbach aan een picknicktafel op de campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar onderzoeksinstituut DRIFT is gevestigd. De twee gaan in gesprek met Marieke Smith, die de uitkomsten van het onderzoek volledig herkent: de geboortezorg is uit balans, doorgeschoten in medicalisering en risicobenadering. ‘Wij zijn blij dat we niet de enige roepende in de woestijn meer zijn’, zegt Marieke. ‘Toen we als bestuur net begonnen, klopten we overal aan met de vraag: zien jullie dan niet dat we steeds meer interventies doen, zonder dat de cijfers, over bijvoorbeeld mortaliteit en morbiditeit, verbeteren? Toch bleef het gaan over systeemoptimalisatie, en efficiëntere organisatie zoals inleidingen strakker plannen en kraamhotels. Terwijl wij denken: dat is precies de verkeerde kant op.’
Marieke is dan ook blij dat een externe, neutrale partij nu met de boodschap komt dat de geboortezorg te ver doorschiet in medicalisering, marktwerking en toenemende organisatiedruk. En bovendien ook taal geeft die de KNOV en verloskundigen kan helpen het gesprek over deze ontwikkeling beter te voeren. ‘Dit onderzoek haalt het gesprek los van de tegenstelling tussen beroepsgroepen. In die groef zijn we al te vaak beland. Het onderzoek laat zien dat de geboortezorg niet verder geoptimaliseerd moet worden, maar een nieuw vertrekpunt nodig heeft.’

Transitiedenken
DRIFT, het Dutch Research Institute for Transitions, onderzoekt hoe maatschappelijke systemen veranderen wanneer de historisch gegroeide manieren van denken, doen en organiseren niet meer goed aansluiten bij de werkelijkheid. De KNOV had een paar jaar geleden ook al contact met het instituut. Derk werd toen uitgenodigd op het bureau om met medewerkers in gesprek te gaan over verandering. De nieuwe koers die het bestuur wilde varen zorgde destijds voor onrust. Het transitieperspectief gaf daar een goede verklaring voor, vertelt Marieke. ‘Veel mensen ervoeren die ontwikkeling als chaos. En toen zei Derk: dat klopt. Dat hoort bij een transitie. Je kunt niet met drie mensen in transitie zijn; het hele bureau moet mee en dat kan even chaotisch voelen en pijn doen. Die wetenschap gaf rust: je begrijpt beter waar je doorheen gaat en dat je daar niet omheen kunt.’
Terug naar de geboortezorg. Het DRIFT-onderzoek noemt de risico-regelparadox. Elke keer dat er iets misgaat, volgen er nieuwe protocollen en regels om herhaling te voorkomen. Het systeem wordt complexer, duurder en logger, tot het punt waarop dat enorm complexe systeem zelf een risico wordt. Derk: ‘In de afgelopen twintig tot vijfentwintig jaar is er een verschuiving geweest naar het benoemen van steeds kleinere risico’s. En als je die risico’s gaat benoemen, leg je de verantwoordelijkheid eigenlijk bij de moeder neer.’ Marieke: ‘En bij de verloskundige’. Derk: ‘Terwijl er vaak geen handelingsperspectief is.’
Geen onderbouwing
Het viel Derk in het onderzoek op dat de beweging richting een steeds biomedischer systeem vaak als vanzelfsprekend evidence-based wordt beschouwd. ‘Maar er is eigenlijk nergens een goede onderbouwing en kosten-batenanalyse van die ontwikkeling op systeemniveau te vinden.’ Derk verwijst naar het invloedrijke adviesrapport Een goed begin, van de door het ministerie ingestelde Stuurgroep Zwangerschap en geboorte, uit 2009. ‘Dat zorgde voor een enorme toename van interventies, kosten en overhead, maar na een aanvankelijke daling in de sterftecijfers liggen die inmiddels weer hoger dan toen. Los van waar je staat in de discussie moet je je dan afvragen: is de richting die we zijn ingeslagen nog wel de juiste?’
Marieke sluit zich aan bij die vraag. ‘Als wij ons verhaal doen krijgen wij vaak te horen, ja, maar jullie willen gewoon je praktijken houden. Kom maar met een goede onderbouwing. Maar andersom wordt diezelfde vraag veel minder gesteld: waarop baseren we eigenlijk dat meer ingrijpen tot betere zorg leidt?’ Er is zelfs toenemend bewijs dat overbodige interventies ook nevenschade kunnen hebben, voegt Sien toe. Als voorbeeld noemt ze een UMCG-onderzoek dat aantoont dat medische interventies tijdens een ongecompliceerde bevalling op de langere termijn gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van moeder en kind.
Derk: ‘Wat wij met dit onderzoek proberen te doen, is de toon en de richting van het gesprek veranderen. Uiteindelijk wil je dat de regels van het spel worden aangepast, maar daarvoor heb je eerst een ander gesprek nodig.’ Dat gesprek moet volgens Sien en Derk niet beginnen bij de vraag welke bestaande afspraak, interventie of organisatievorm net iets slimmer kan worden ingericht, maar bij een fundamentelere vraag: wat is goede geboortezorg? Vertrekt die vanuit zwangerschap en geboorte als natuurlijk proces, waarbij medische expertise beschikbaar is als dat nodig is? Of vanuit het biomedische model gebaseerd op diagnose en behandeling van risico’s?
De KNOV en haar leden zetten zich in voor dat eerste. Zij zien dagelijks wat dat biomedische vertrekpunt doet met de praktijk. Met de manier waarop zwangere vrouwen worden geïnformeerd. Met de rust of onrust tijdens een baring. Met de ruimte die er is om af te wachten. En met de positie die verloskundigen innemen aan overlegtafels waar protocollen en regionale afspraken worden gemaakt. Sien: ‘Er zijn mensen die graag weer meer sociale elementen in de geboortezorg terugbrengen. Niet alleen verloskundigen, maar ook gynaecologen, cliënten en kraamverzorgers. Tegelijkertijd is er ook een groep die het huidige systeem verder wil optimaliseren en de oplopende druk binnen het huidige systeem met organisatorische aanpassingen probeert te bevechten.’
'Een transitie begint juist in de praktijk. Zoek bondgenoten, ook buiten de eigen beroepsgroep'



'Vooruit naar vroeger'
In het gesprek gebruikt Derk de uitdrukking ‘vooruit naar vroeger’. Die wordt vaker gebruikt in het gesprek over transities. In de landbouw bijvoorbeeld, waar na decennia van schaalvergroting en intensivering opnieuw aandacht ontstaat voor lokale ketens, kringlopen en balans met de natuur. Niet omdat vroeger alles beter was, maar omdat waarden die in de loop van de tijd naar de achtergrond verdwenen, opnieuw richtinggevend kunnen worden. Het onderzoek adviseert dat de geboortezorg een vergelijkbare beweging inzet. ‘We moeten af van zo’n dominante focus op risico’s: verschuif het doel van de geboortezorg van “ten koste van alles levend geboren worden” naar “gezond geboren worden”’, zo luidt een van de conclusies. ‘Niemand aan tafel wil terug naar een tijd waarin vrouwen en baby’s minder veilig waren. Maar duidelijk is dat de balans is doorgeslagen’, zegt Derk. ‘Je kunt niet terug. Je moet door. Maar je wilt dat doen met behoud van de vooruitgang die is geboekt.’ Voor Marieke is dit een belangrijk onderscheid. De beweging die verloskundigen willen, is geen nostalgisch verlangen naar vroeger. Het is een nieuwe transitie, zegt ze. ‘In de transitie naar het biomedische model, die afgelopen twintig jaar plaatsvond, hebben verloskundigen vaak remmend achter de kar gehangen: dit gaat niet goed, er komen steeds meer interventies. Dat heeft ons veel energie gekost, veel verloskundigen zijn hierdoor gestopt met hun werk. Wij zijn inmiddels een nieuwe richting ingeslagen en zijn blij met bredere gesprek in de sector.’
Transitiepijn
Transities kunnen pijn doen. Er ontstaat bij verschillende groepen ongemak wanneer een systeem kantelt en professionele identiteit, overtuigingen en routines onder druk komen te staan. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn misschien wel de boerenprotesten waarvan we er in de afgelopen jaren veel hebben gezien. Voor veel boeren voelt de benodigde omslag naar een duurzamere landbouw niet alleen als een verandering van regels, maar als een aantasting van hun vakmanschap en identiteit. Veel verloskundigen ervaren die pijn ook al enige tijd: ze hebben gevoel dat hun vak en deskundigheid jarenlang zijn gemarginaliseerd. Maar ook bij andere geboortezorgprofessionals is er transitiepijn, benadrukt Derk. Ook gynaecologen en andere zorgprofessionals ervaren dat het systeem waarin zij werken is vastgelopen. Marieke vindt dat belangrijk om te benoemen. ‘Ik spreek genoeg gynaecologen die ook vinden dat het anders moet. Ik hoop heel erg dat dit onderzoek helpt om het gesprek te verdiepen. Dat het niet meer gaat over wat de verschillende beroepsgroepen, maar wat de geboortezorg nodig heeft.’
Het rapport van DRIFT wordt onderdeel van de gesprekken aan de landelijke tafels, waarin wordt gewerkt aan een generiek kompas voor de geboortezorg. Maar wat kun jij als verloskundige ondertussen zelf doen met deze visie op de veranderingen in de geboortezorg? Marieke ziet het rapport als een prettige rugdekking. ‘In VSV’s wordt na een enkel incident soms meteen nieuw beleid gemaakt. Maar niet elke verdrietige uitkomst vraagt om een nieuw protocol. Met het rapport kun je laten zien dat er meer perspectieven zijn dan verdere systeemoptimalisatie. Dat het niet alleen je gevoel is.’ Derk adviseert om vooral niet te wachten tot alle landelijke kaders zijn aangepast; dat kan immers nog wel even duren. ‘Een transitie begint juist in de praktijk. Zoek bondgenoten, ook buiten de eigen beroepsgroep. Er zijn veel meer mensen die verlangen naar een geboortezorg waarin gezondheid, vertrouwen en het natuurlijke proces weer meer centraal staan. Die beweging is er al. Jij kunt die helpen groter maken.’
Sien moedigt verloskundigen en de geboortezorg aan om ook buiten de sector relaties aan te gaan; iets wat sommige praktijken al veelvuldig doen. ‘Armoede, stress, luchtkwaliteit en sociale ongelijkheid bepalen in belangrijke mate hoe gezond een zwangerschap verloopt. Daarom is het belangrijk om je ook buiten dat biomedische model te organiseren en de verbinding met gemeenten en het sociaal domein te zoeken.’ Ook Marieke ziet daarin een logische volgende stap. ‘Als gezondheid echt het vertrekpunt wordt, moeten ook de coalities veranderen. Nu zijn VSV’s nog sterk rondom ziekenhuizen georganiseerd. Dat past bij de transitie die we achter ons hebben. Maar de volgende stap vraagt om een veel bredere samenwerking.’
Achter de schermen van de verloskunde
Tekst: Jan de Gier | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: Elvin Boer | KRO-NCRV
In de KRO-NCRV-serie De verloskundigen volgen kijkers acht bevlogen verloskundigen uit verschillende regio’s van Nederland. Van thuisbevallingen en ziekenhuiszorg tot gezinnen in kwetsbare situaties en de druk op de geboortezorg: de serie laat zien hoe intens, veelzijdig en betekenisvol het vak is. De deelnemers blikken terug op hun ervaring voor de camera en vertellen waarom zij het belangrijk vonden om hun werk, met alle vreugde, onzekerheid en menselijkheid die daarbij hoort, aan heel Nederland te laten zien.


‘Er zijn niet veel mannen in het vak, volgens mij minder dan veertig. Dat is heel gering en ook wel de reden om mee te doen aan het programma. Dat moedigt wellicht andere mannen aan om de opleiding te gaan doen, want het is een heel mooi beroep. Door het te laten zien wordt het normaler. Het werkt ook echt in mijn voordeel, merk ik al. Voorheen keken mensen soms gek op als ik binnenkwam. Ik merk door de serie dat ze me herkennen en dat het minder raar wordt. Dat is heel positief. Een ander doel is ook om het ziekenhuis wat beter in beeld te krijgen. Het is de laatste jaren al een stuk minder, maar er heerste wel een taboe op. Mensen hoorden toch vooral horrorverhalen waar ze een beetje bang van werden. Ik kan nu laten zien dat het ziekenhuis ook leuk, lief en aardig kan zijn, en dat het hier gezellig is. En vooral dat er ook gewoon mensen werken. Als er medische redenen zijn, dan ben je hier in goede handen. Tijdens een dienst van acht uur leer je mensen echt goed kennen en als je dienst erop zit vinden ze het zelfs jammer dat je weggaat.’


'Ik heb een groter publiek gekregen, dat is een gek idee'
‘Voor mij draait het om meer dan alleen verloskunde. Ik houd van mijn werk omdat het ook heel erg over het sociale gaat. Juist hier in Amsterdam-Zuidoost, waar je veel negatiefs over hoort, zorgen we veel voor elkaar. Dat wilde ik graag laten zien. Het past ook helemaal bij mij. Ik zie regelmatig ongedocumenteerde vrouwen en zwangeren uit het asielzoekerscentrum. Dat betekent dat ik vaak babyspullen moet regelen voor deze zwangeren, dat zie je ook terug in de serie. Ik laat ook graag zien dat je dit vak ook heel goed kunt uitoefenen als je nog jong bent. Dat was ook de reden dat ik al langere tijd bezig ben met vloggen op Instagram. Met de serie heb ik wel een wat groter publiek gekregen ineens, dat is wel een gek idee. Ik krijg nu veel terug dat mensen me professioneel vinden, ondanks mijn jonge leeftijd, en dat ik rust uitstraal. Daarin heb ik mezelf ook wel verrast, als ik zo terugkijk. De komende tijd wil ik nog meer focus leggen op de eerste 1.000 dagen en beter worden in coaching en begeleiding. Ik wil me heel graag inzetten voor gezond zwanger worden en een kansrijke start. Hoe dit er precies uit gaat zien, weet ik nog niet, maar daar ga ik graag weer de schoolbanken voor in.’


'Ik ben heel trots op de bevallingen die te zien zijn'
‘Bij ons thuis zijn werk en privé helemaal verweven. Mijn partner is geboortefotograaf en heeft ook met bevallingen te maken. Daar draait het thuis gewoon veel om. Ik werk een-op-een met zwangeren en leer hen goed kennen, en zij mij. Het krijgen van een kind is het puurste wat er is en heel persoonlijk. Dus ik vind het ook heel normaal dat mijn persoonlijk leven er zo op aansluit. Het is fijn om mensen zo diep te begeleiden in deze rol, maar ook als mens en als moeder. Door die relationele zorg heb ik veel passie voor het vak. Zwangeren zijn meer tevreden bij een-op-eenbegeleiding en uit onderzoek blijkt dat deze groep minder vaak pijnstilling wil, meer thuis wil bevallen en dat dit ook vaker lukt. Ze worden meer gezien en gehoord. Het is een stukje medisch, maar het is ook de transitie naar ouderschap: je hele leven staat op z’n kop. Daar horen wij in te begeleiden. Ik ben heel trots op de bevallingen die te zien zijn. Het enige wat ik jammer vind is dat het ziekenhuis waarmee ik heel fijn samenwerk, niet wilde meedoen aan de serie. Je hoort veel geklaag over geboortezorg en dit was een mooie kans om te laten zien dat ziekenhuisbevallingen ook geweldig kunnen zijn.’


'Het mooie en sterke vind ik dat je alle facetten uit het werk ziet'
‘Ik vind het belangrijk om te laten zien wat een verloskundige precies doet. Zelfs m’n eigen familie en vrienden hebben soms geen idee. Mijn man heeft mij nog nooit een bevalling zien doen, die zat hier met natte oogjes naast me op de bank. De insteek was ook echt een mooi programma maken, dat is volgens mij goed gelukt. De werkmomenten vond ik makkelijker om te filmen dan de privémomenten. Spontane gesprekken voeren met je man op commando, dat is toch wat lastiger. Wel merkte ik tijdens consulten dat mensen wat minder zeggen met een camera erbij. Ik ben dan geneigd stiltes op te vullen en veel te snel te praten. Dat zag ik wel een beetje terug, maar ik vond het uiteindelijk wel meevallen. Het mooie en sterke van de serie vind ik dat je alle facetten van het werk te zien krijgt. In de afleveringen bevallen veel mensen in bad, wat prachtig is, maar in de praktijk bij ons is het niet de hoofdmoot. Daarom is het ook mooi dat de serie laat zien dat zorg overgedragen wordt aan het ziekenhuis als er bijvoorbeeld pijnstilling nodig is. Het fijne is wel dat er veel thuisbevallingen te zien zijn, dat is natuurlijk uniek voor Nederland.’


'We willen een stem zijn voor de mensen hier'
‘Onze cliënten zeggen: dit is precies hoe jullie zijn. De serie geeft het goed weer. Maar belangrijker nog: mensen zien wat er allemaal gebeurt en wat we allemaal doen. En dat is meer dan alleen medische zorg. We zijn als ondernemers in de vrouwenzorg bezig met een missie: we willen de zorg anders vormgeven omdat dit noodzakelijk is. Daarbij hoort verder kijken dan de grenzen van ons vakgebied. We anticiperen erop als een vrouw meer nodig heeft en maken gebruik van ons netwerk dat we hebben opgebouwd. De geboortezorg piept en kraakt aan alle kanten en we weten met z’n allen wat voor impact het heeft als iemand met een slechte start wordt geboren. We hebben er met heel Nederland wat aan als ieder kind kansrijk wordt geboren en opgroeit. Daar zijn we mee bezig. Hier in Heerlen-Noord spelen de ziekenhuissluitingen enorm. Dat brengt soms boosheid bij mensen, maar er is meer begrip door de uitzending. Mensen zien dat wij ook met de rug tegen de muur staan. Dat het ziekenhuis verplaatst naar een ander gebied, daarover trekken we onze mond open. Voor de mensen hier is het heel lastig en iedereen heeft er stress van. Vroeger begon je een dienst met ‘wie gaat er bevallen, wat leuk, en wie ik ga zien?’. Nu begin je met ‘welk ziekenhuis gaat er nu weer sluiten en wie kan ik als achterwacht inzetten?’. De serie laat goed zien wat de gevolgen zijn, daar zijn we blij mee. We willen een stem zijn voor de mensen hier. We hebben een hele gevarieerde populatie: van de meest schrijnende gevallen tot onderzoekers, artsen en politici. De meest kwetsbare dames laten we niet op tv komen. Zeker als er gevaarlijke situaties spelen met toxische exen of intieme terreur. De mensen die we wel gevraagd hebben, vonden het leuk om mee te doen. We willen ook echt laten zien dat het in dit gebied niet alleen kommer en kwel is. Met elkaar zijn we hier keihard aan het werk voor betere kansen voor de komende generatie. We hebben ook veel lol. Humor hoort erbij en is een goede tool om situaties luchtiger te maken. Dat zie je gelukkig ook goed terug in de serie.’


'Doe maar gewoon, laat de natuur haar gang gaan'
‘Ik had al mijn cliënten gevraagd of ze mee wilden doen en daar kwamen verrassend veel positieve reacties op. Het levert natuurlijk unieke beelden van je bevalling op. Een cliënte uit aflevering drie deelde het zelfs op haar socials en vond het prachtig om terug te zien. Zelf moest ik even wennen, maar het was erg leuk om mezelf aan het werk te zien. Van veel cliënten hoor ik: ‘Jij bent op tv precies zoals in het echt.’ De serie laat die typische Betuwse mentaliteit mooi zien: doe maar gewoon, laat de natuur haar gang gaan en thuis bevallen is heel normaal. Ik hoop dat kijkers zien hoe hard we werken en dat daar een passende vergoeding tegenover mag staan. Wij begeleiden mensen bij de grootste verandering in hun leven. Helaas zie ik veel collega’s al na gemiddeld zeven jaar stoppen. Ze beginnen vol enthousiasme, maar de combinatie met een gezin en de impact op je eigen gezondheid is zwaar. Om mensen voor het vak te behouden moet er veel veranderen: je zou met minder cliënten een norminkomen moeten kunnen verdienen. Dat geeft ook meer waardevolle tijd voor elke zwangere, wat enorm zou helpen.’


'Ik voel me heel betrokken'
‘Ik werk een-op-een en ben altijd oproepbaar voor m’n cliënten. Ik voel me heel betrokken. Ook bij bevallingen in het ziekenhuis zorg ik dat ik in de buurt ben, dat vind ik belangrijk. In mijn werk heb ik een wat meer holistische benadering. Een zwangere is niet alleen maar haar zwangerschap, maar onderdeel van een groter systeem. Ik ga ervan uit dat energetische voorlijnen, voorouders, ook invloed hebben op nu. Ik doe ook aan energetische coaching. Hoe komt iemand aan een blokkade op overgave of aan (irreële) angsten? Ik wilde dat niet laten filmen, want zoiets is meer privé dan een bevalling. Hoe gek dat ook klinkt. Ik zou het nu overigens wel aandurven, omdat ik gezien heb hoe zorgvuldig het programma gemaakt is. Met elkaar geven we een goed beeld van onze veelzijdigheid, hoe mooi het vak is én dat een ouwe rot zoals ik het al heel lang met plezier doet. M’n 1.500ste baby is gefilmd, de diploma-uitreiking van m’n dochter: allemaal mooie momenten. Voor mij persoonlijk vind ik deelname ook leuk omdat ik altijd al beroemd wilde worden. Dat komt denk ik omdat ik vroeger veel gepest ben met mijn schisis. Ik zal jullie allemaal een poepie laten ruiken, denk ik nu. Kijk eens hoe ver ik het geschopt heb.’
De serie De verloskundigen bracht het werk van verloskundigen onder de aandacht van een breed publiek. De KNOV greep dit maatschappelijke momentum aan om de betekenis van het vak verder te duiden. Na elke aflevering verscheen een LinkedIn-post waarin een actueel thema uit de geboortezorg centraal stond, zoals thuisbevalling, passende zorg, landelijk kwaliteitsbeleid, de klinisch verloskundige en capaciteitsvraagstukken. Daarbij vormden de kernwaarden Verbinding, Gezondheid en Moed steeds de rode draad. De serie liet zien wat verloskundigen doen. De KNOV voegde daar context en duiding aan toe: waarom deze thema’s ertoe doen, welke maatschappelijke waarde verloskundigen toevoegen en hoe zij bijdragen aan toegankelijke, passende en toekomstbestendige geboortezorg.
De serie De verloskundigen kijk je via NPO Start.
Goed geregeld na je afstuderen
KNOV-bestuurder Marieke Smith in gesprek met transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach
Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: De Beeldredacteur
De geboortezorg is in transitie. Dat voelt ongemakkelijk, onzeker en soms ronduit chaotisch. Maar volgens transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach is die onrust ook een teken dat het bestaande systeem begint te kantelen en dat er ruimte is om de geboortezorg fundamenteel te verbeteren. KNOV-bestuurslid Marieke Smith gaat met de onderzoekers in gesprek: over de disbalans in de geboortezorg, de transitiepijn die daarbij hoort en wat er nodig is om verder te komen.
In opdracht van het Zorginstituut onderzocht het Rotterdamse onderzoeksinstituut DRIFT afgelopen jaar de staat van de Nederlandse geboortezorg. DRIFT-onderzoeker Sien Beckers analyseerde beleidsstukken, rapporten, evaluaties, position papers, opiniestukken en nieuwsartikelen en sprak met tal van mensen die betrokken zijn bij de geboortezorg. Zowel vernieuwers als meer behoudende stemmen. Ook faciliteerde DRIFT verschillende sessies waarin professionals uit de geboortezorg met elkaar in gesprek gingen over de analyse van de onderzoekers. ‘Wat mij in het onderzoek het meest verraste was de bereidheid van iedereen om met ons in gesprek te gaan’, vertelt Sien. ‘Over de hele linie voelen mensen dat de druk oploopt en dat het anders moet.’
'Over de hele linie voelen mensen dat de druk oploopt en dat het anders moet'
Sien zit samen met DRIFT-directeur Derk Loorbach aan een picknicktafel op de campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar onderzoeksinstituut DRIFT is gevestigd. De twee gaan in gesprek met Marieke Smith, die de uitkomsten van het onderzoek volledig herkent: de geboortezorg is uit balans, doorgeschoten in medicalisering en risicobenadering. ‘Wij zijn blij dat we niet de enige roepende in de woestijn meer zijn’, zegt Marieke. ‘Toen we als bestuur net begonnen, klopten we overal aan met de vraag: zien jullie dan niet dat we steeds meer interventies doen, zonder dat de cijfers, over bijvoorbeeld mortaliteit en morbiditeit, verbeteren? Toch bleef het gaan over systeemoptimalisatie, en efficiëntere organisatie zoals inleidingen strakker plannen en kraamhotels. Terwijl wij denken: dat is precies de verkeerde kant op.’
Marieke is dan ook blij dat een externe, neutrale partij nu met de boodschap komt dat de geboortezorg te ver doorschiet in medicalisering, marktwerking en toenemende organisatiedruk. En bovendien ook taal geeft die de KNOV en verloskundigen kan helpen het gesprek over deze ontwikkeling beter te voeren. ‘Dit onderzoek haalt het gesprek los van de tegenstelling tussen beroepsgroepen. In die groef zijn we al te vaak beland. Het onderzoek laat zien dat de geboortezorg niet verder geoptimaliseerd moet worden, maar een nieuw vertrekpunt nodig heeft.’

Transitiedenken
DRIFT, het Dutch Research Institute for Transitions, onderzoekt hoe maatschappelijke systemen veranderen wanneer de historisch gegroeide manieren van denken, doen en organiseren niet meer goed aansluiten bij de werkelijkheid. De KNOV had een paar jaar geleden ook al contact met het instituut. Derk werd toen uitgenodigd op het bureau om met medewerkers in gesprek te gaan over verandering. De nieuwe koers die het bestuur wilde varen zorgde destijds voor onrust. Het transitieperspectief gaf daar een goede verklaring voor, vertelt Marieke. ‘Veel mensen ervoeren die ontwikkeling als chaos. En toen zei Derk: dat klopt. Dat hoort bij een transitie. Je kunt niet met drie mensen in transitie zijn; het hele bureau moet mee en dat kan even chaotisch voelen en pijn doen. Die wetenschap gaf rust: je begrijpt beter waar je doorheen gaat en dat je daar niet omheen kunt.’
Terug naar de geboortezorg. Het DRIFT-onderzoek noemt de risico-regelparadox. Elke keer dat er iets misgaat, volgen er nieuwe protocollen en regels om herhaling te voorkomen. Het systeem wordt complexer, duurder en logger, tot het punt waarop dat enorm complexe systeem zelf een risico wordt. Derk: ‘In de afgelopen twintig tot vijfentwintig jaar is er een verschuiving geweest naar het benoemen van steeds kleinere risico’s. En als je die risico’s gaat benoemen, leg je de verantwoordelijkheid eigenlijk bij de moeder neer.’ Marieke: ‘En bij de verloskundige’. Derk: ‘Terwijl er vaak geen handelingsperspectief is.’
Geen onderbouwing
Het viel Derk in het onderzoek op dat de beweging richting een steeds biomedischer systeem vaak als vanzelfsprekend evidence-based wordt beschouwd. ‘Maar er is eigenlijk nergens een goede onderbouwing en kosten-batenanalyse van die ontwikkeling op systeemniveau te vinden.’ Derk verwijst naar het invloedrijke adviesrapport Een goed begin, van de door het ministerie ingestelde Stuurgroep Zwangerschap en geboorte, uit 2009. ‘Dat zorgde voor een enorme toename van interventies, kosten en overhead, maar na een aanvankelijke daling in de sterftecijfers liggen die inmiddels weer hoger dan toen. Los van waar je staat in de discussie moet je je dan afvragen: is de richting die we zijn ingeslagen nog wel de juiste?’
Marieke sluit zich aan bij die vraag. ‘Als wij ons verhaal doen krijgen wij vaak te horen, ja, maar jullie willen gewoon je praktijken houden. Kom maar met een goede onderbouwing. Maar andersom wordt diezelfde vraag veel minder gesteld: waarop baseren we eigenlijk dat meer ingrijpen tot betere zorg leidt?’ Er is zelfs toenemend bewijs dat overbodige interventies ook nevenschade kunnen hebben, voegt Sien toe. Als voorbeeld noemt ze een UMCG-onderzoek dat aantoont dat medische interventies tijdens een ongecompliceerde bevalling op de langere termijn gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van moeder en kind.
Derk: ‘Wat wij met dit onderzoek proberen te doen, is de toon en de richting van het gesprek veranderen. Uiteindelijk wil je dat de regels van het spel worden aangepast, maar daarvoor heb je eerst een ander gesprek nodig.’ Dat gesprek moet volgens Sien en Derk niet beginnen bij de vraag welke bestaande afspraak, interventie of organisatievorm net iets slimmer kan worden ingericht, maar bij een fundamentelere vraag: wat is goede geboortezorg? Vertrekt die vanuit zwangerschap en geboorte als natuurlijk proces, waarbij medische expertise beschikbaar is als dat nodig is? Of vanuit het biomedische model gebaseerd op diagnose en behandeling van risico’s?
De KNOV en haar leden zetten zich in voor dat eerste. Zij zien dagelijks wat dat biomedische vertrekpunt doet met de praktijk. Met de manier waarop zwangere vrouwen worden geïnformeerd. Met de rust of onrust tijdens een baring. Met de ruimte die er is om af te wachten. En met de positie die verloskundigen innemen aan overlegtafels waar protocollen en regionale afspraken worden gemaakt. Sien: ‘Er zijn mensen die graag weer meer sociale elementen in de geboortezorg terugbrengen. Niet alleen verloskundigen, maar ook gynaecologen, cliënten en kraamverzorgers. Tegelijkertijd is er ook een groep die het huidige systeem verder wil optimaliseren en de oplopende druk binnen het huidige systeem met organisatorische aanpassingen probeert te bevechten.’
'Een transitie begint juist in de praktijk. Zoek bondgenoten, ook buiten de eigen beroepsgroep'



'Vooruit naar vroeger'
In het gesprek gebruikt Derk de uitdrukking ‘vooruit naar vroeger’. Die wordt vaker gebruikt in het gesprek over transities. In de landbouw bijvoorbeeld, waar na decennia van schaalvergroting en intensivering opnieuw aandacht ontstaat voor lokale ketens, kringlopen en balans met de natuur. Niet omdat vroeger alles beter was, maar omdat waarden die in de loop van de tijd naar de achtergrond verdwenen, opnieuw richtinggevend kunnen worden. Het onderzoek adviseert dat de geboortezorg een vergelijkbare beweging inzet. ‘We moeten af van zo’n dominante focus op risico’s: verschuif het doel van de geboortezorg van “ten koste van alles levend geboren worden” naar “gezond geboren worden”’, zo luidt een van de conclusies. ‘Niemand aan tafel wil terug naar een tijd waarin vrouwen en baby’s minder veilig waren. Maar duidelijk is dat de balans is doorgeslagen’, zegt Derk. ‘Je kunt niet terug. Je moet door. Maar je wilt dat doen met behoud van de vooruitgang die is geboekt.’ Voor Marieke is dit een belangrijk onderscheid. De beweging die verloskundigen willen, is geen nostalgisch verlangen naar vroeger. Het is een nieuwe transitie, zegt ze. ‘In de transitie naar het biomedische model, die afgelopen twintig jaar plaatsvond, hebben verloskundigen vaak remmend achter de kar gehangen: dit gaat niet goed, er komen steeds meer interventies. Dat heeft ons veel energie gekost, veel verloskundigen zijn hierdoor gestopt met hun werk. Wij zijn inmiddels een nieuwe richting ingeslagen en zijn blij met bredere gesprek in de sector.’
Transitiepijn
Transities kunnen pijn doen. Er ontstaat bij verschillende groepen ongemak wanneer een systeem kantelt en professionele identiteit, overtuigingen en routines onder druk komen te staan. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn misschien wel de boerenprotesten waarvan we er in de afgelopen jaren veel hebben gezien. Voor veel boeren voelt de benodigde omslag naar een duurzamere landbouw niet alleen als een verandering van regels, maar als een aantasting van hun vakmanschap en identiteit. Veel verloskundigen ervaren die pijn ook al enige tijd: ze hebben gevoel dat hun vak en deskundigheid jarenlang zijn gemarginaliseerd. Maar ook bij andere geboortezorgprofessionals is er transitiepijn, benadrukt Derk. Ook gynaecologen en andere zorgprofessionals ervaren dat het systeem waarin zij werken is vastgelopen. Marieke vindt dat belangrijk om te benoemen. ‘Ik spreek genoeg gynaecologen die ook vinden dat het anders moet. Ik hoop heel erg dat dit onderzoek helpt om het gesprek te verdiepen. Dat het niet meer gaat over wat de verschillende beroepsgroepen, maar wat de geboortezorg nodig heeft.’
Het rapport van DRIFT wordt onderdeel van de gesprekken aan de landelijke tafels, waarin wordt gewerkt aan een generiek kompas voor de geboortezorg. Maar wat kun jij als verloskundige ondertussen zelf doen met deze visie op de veranderingen in de geboortezorg? Marieke ziet het rapport als een prettige rugdekking. ‘In VSV’s wordt na een enkel incident soms meteen nieuw beleid gemaakt. Maar niet elke verdrietige uitkomst vraagt om een nieuw protocol. Met het rapport kun je laten zien dat er meer perspectieven zijn dan verdere systeemoptimalisatie. Dat het niet alleen je gevoel is.’ Derk adviseert om vooral niet te wachten tot alle landelijke kaders zijn aangepast; dat kan immers nog wel even duren. ‘Een transitie begint juist in de praktijk. Zoek bondgenoten, ook buiten de eigen beroepsgroep. Er zijn veel meer mensen die verlangen naar een geboortezorg waarin gezondheid, vertrouwen en het natuurlijke proces weer meer centraal staan. Die beweging is er al. Jij kunt die helpen groter maken.’
Sien moedigt verloskundigen en de geboortezorg aan om ook buiten de sector relaties aan te gaan; iets wat sommige praktijken al veelvuldig doen. ‘Armoede, stress, luchtkwaliteit en sociale ongelijkheid bepalen in belangrijke mate hoe gezond een zwangerschap verloopt. Daarom is het belangrijk om je ook buiten dat biomedische model te organiseren en de verbinding met gemeenten en het sociaal domein te zoeken.’ Ook Marieke ziet daarin een logische volgende stap. ‘Als gezondheid echt het vertrekpunt wordt, moeten ook de coalities veranderen. Nu zijn VSV’s nog sterk rondom ziekenhuizen georganiseerd. Dat past bij de transitie die we achter ons hebben. Maar de volgende stap vraagt om een veel bredere samenwerking.’













