‘Een sterke eerste lijn begint bij jezelf’

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2022-03

Ontwikkelingen in de geboortezorg vragen om goede samenwerkingen. Samenwerkingen tussen de lijnen, maar om die te laten slagen zijn samenwerkingen tussen de eerstelijnspraktijken nodig. Zodat een sterke eerste lijn ontstaat, die het perspectief van de fysiologie van de geboortezorg krachtig kan vertegenwoordigen. ‘Die sterke eerste lijn begint bij jezelf’ is de stelling van dit artikel. Linda Kamphorst (eerstelijnsverloskundige), Jolanda Liebregts (eerstelijnsverloskundige n.p. en onderzoeker) en Annelies de Vries (senior adviseur bij een ROS) wisselen erover van gedachten.

Zowel Linda als Jolanda waren kartrekker bij het verenigen van de eerste lijn binnen hun regio. Linda had hiervoor hulp van externe adviseurs; bij Jolanda was dit niet het geval. Annelies is ook bij dergelijke processen in de regio betrokken, maar dan in de rol van adviseur en kwartiermaker. 

Reflecteren

Annelies: ‘In ‘de eerste lijn versterken’ zit al iets van kritisch durven zijn naar jezelf. Je besluit namelijk dat er werk te -verzetten is tussen de eerstelijnspraktijken. Als je er op die manier naar kijkt, is de eerste lijn versterken geen doel op zich, maar een middel om volgende stappen te zetten. Goed georganiseerd en aanspreekbaar zijn als verloskundigenpraktijken is belangrijk, gezien alle ontwikkelingen in de geboortezorg. Er is geen standaard formule voor de vormgeving van zo’n samenwerking; dat hangt af van het doel, de gezamenlijke belangen en de verdere dynamiek binnen een regio. Praktijken vragen ons weleens te helpen bij het oprichten van een coöperatie of het vormen van een juridische entiteit, zonder dat ze precies weten waarom. Beter is het om eerst stil te staan bij de stand van zaken. Zijn er bijvoorbeeld verschillen in opvattingen, binnen de eerste lijn? Dan kun je beginnen bij het voeren van gesprekken om te proberen die verschillen te overbruggen. Om dan vervolgens te kijken wat je met elkaar voor ogen hebt. Wat mij betreft kan je dan beginnen met een A4 met heldere afspraken die binnen de regio gelden. Soms lukt het niet om als verloskundigen onderling afspraken te maken, terwijl er wel grootse ambities voor samenwerkingen zijn. Regionale ontwikkelingen zoals capaciteitstekort zijn dan soms het vliegwiel voor het versterken van de eerstelijns-samenwerking en een daarbij passende organisatievorm. Zoals bij jullie in Harderwijk het geval was, toch Linda?’

Linda: ‘Dat klopt. In 2015 startten wij in onze regio een geboortecentrum. We hebben ons toen eerst afgevraagd wat geschikte gesprekspartners waren namens de eerste en de tweede lijn. Verloskundigen binnen de regio konden stemmen en de vertegenwoordigers die daaruit kwamen – twee eerstelijnsverloskundigen en twee gynaecologen – gingen met elkaar om tafel en hebben allerlei samenwerkings-afspraken gemaakt. In dat proces ontstond ook de behoefte om ons als eerstelijnsverloskundigen te verenigingen. Want écht goed samenwerken deden wij nog niet, terwijl dat bij de totstandkoming van het geboortecentrum heel hard nodig was om een krachtige gesprekspartner van de ziekenhuizen te zijn. In de noodzaak die daar ontstond, zag je ineens mooie verbindingen ontstaan. Het heeft geleid tot een coöperatie waarbinnen de eerste lijn nu heel goed samenwerkt.’

‘Het resultaat is een coöperatie waarbinnen de eerste lijn nu heel goed samenwerkt’

Linda Kamphorst is eerstelijnsverloskundige en was een van de oprichters van Vrouwencentrum Harderwijk. Ook is ze lid van het bestuur en de ledenraad van het VSV in haar regio.
Mandaat

Jolanda: ‘Bij jullie was de urgentie binnen de regio concreet. Als ik naar het grotere plaatje van de zorg kijk, dan zien we dat de urgentie voor een sterke eerste lijn overal in Nederland aanwezig is. Er is een te grote vraag naar en een te groot aanbod van zorg. We móéten samenwerken om daar oplossingen voor te vinden. En ja, dan moet het interne gesprek binnen de eerste lijn ook gevoerd worden. Zodat je met elkaar helder hebt waar je voor staat en wat je kan bieden, wie daar over gaat en hoe je dat met elkaar organiseert. Je ziet nu soms eerstelijnsverloskundigen wat beslissen, waar andere praktijken het niet mee eens zijn. Daar wordt dan over geappt, maar het wordt nooit naar een bestuur of iets dergelijks teruggebracht. Dan ontstaat er onduidelijkheid en ruis. Eigenlijk heb je personen binnen de organisatie nodig die het mandaat van de hele eerste lijn krijgen om knopen door te hakken. Hoe is dat nu bij jullie geregeld?’

Linda: ‘De door de praktijken gekozen vertegenwoordigers hebben bij ons dat mandaat gekregen. Bij lastige keuzes maken zij de eindbeslissing, zij komen met oplossingen als er een volmelding is of als commotie ontstaat en zij zijn het aanspreekpunt voor de tweede lijn. Verder werken we met stemrecht, waarbij de grotere praktijken een grotere stem hebben dan de kleine praktijken. Maar zij brengen ook meer financiële middelen mee en worden geacht meer uren te investeren in werkgroepen.’

Tijd en geld

Annelies: ‘Mandaat is een belangrijk punt. En ook op andere facetten moeten de verloskundigen die naar voren geschoven worden, gefaciliteerd worden. Het is niet erg dat niet iedereen zich geroepen voelt om een bestuursfunctie te bekleden, maar zorg dan dat degenen die dat wél leuk vinden ook de mogelijkheid krijgen om zich op dat vlak te ontwikkelen. En zorg dat er tijd en geld wordt vrijgemaakt. En dat ze het niet naast hun praktijkwerkzaamheden hoeven te doen.’

Linda: ‘Daar sla je de spijker op z’n kop. Als medeoprichter ben ik in de opstartfase zo erg uit de uren gelopen, dat onze praktijk nu – zeven jaar later – pas weer uren hoeft te leveren. Maar ja, de nieuwe samenwerking leverde zoveel op dat ik het gevoel had: nu moeten we door! Ik vond het leuk om te doen, maar houdbaar was het natuurlijk niet. Qua tijd niet, maar ook niet met belangen die in ons geval verstrengeld raakten. Uiteindelijk heb ik geopperd om een externe coöperatie-voorzitter aan te stellen. Iemand met bestuurlijke capaciteiten die helemaal vrijgemaakt kon worden voor de functie.’

Jolanda: ‘In Den Bosch hebben we onze coöperatie in 2011 opgericht. Je gaat er vol enthousiasme in, maar ik had niet voorzien hoeveel tijd besturen kost. Je vervult een functie die bijna een dagtaak is naast je gewone werkzaamheden en dan ook nog eens één waarvoor je niet bent opgeleid. Kennis over organisatievormen of een juridische achtergrond hebben wij doorgaans niet, terwijl je die wel nodig hebt bij het oprichten van een coöperatie. En je wilt ook dat het inhoudelijke gesprek dat je voert gebaseerd is op wetenschap, terwijl we ook niet allemaal zijn opgeleid om wetenschappelijke artikelen te duiden. Ik ben het met jou eens Annelies: we kunnen niet alles zelf, dus laten we mensen faciliteren om hun talenten in te zetten en verder te ontwikkelen. En laten we de bestuurswerkzaamheden betalen. Linda, ik sta wel een beetje te kijken van wat jullie in Harderwijk hebben opgericht. Jullie zijn een inspiratiebron voor het land.’

Externe ondersteuning

Linda: ‘Dit hadden wij ook niet alleen gekund. Nyenrode ondersteunde ons omtrent bestuurszaken. Raedelijn – onderdeel van het ROS-netwerk – ondersteunde bij het samenstellen van de statuten, waardoor dat o zo belangrijke mandaat tot stand kwam, maar ook werd vastgelegd hoe dat mandaat teruggekoppeld werd aan de achterban. Beide organisaties hebben ons geholpen om de communicatielijnen helder te krijgen op een manier waar alle negen eerstelijnspraktijken achter staan.’

Jolanda: ‘Achteraf vind ik het best jammer dat wij het allemaal op ons eigen eilandje hebben gedaan. We hebben wel een ROS benaderd, maar de gesprekken verliepen moeizaam en leidden niet tot een bij ons passend aanbod. Achteraf gezien was de afstand tussen de ROS en onze regio te groot, we spraken een andere taal en begrepen elkaar niet. Ik weet nu dat ook de ROS-organisaties van elkaar verschillen. Bovendien moet je precies weten waar je moet zijn en je concrete behoefte kunnen vertalen naar beleidstaal. Wat meer verbinding tussen de regio’s zou mooi zijn. Zodat we van elkaar kunnen leren.’

Annelies: ‘Elke verloskundige kan in principe contact opnemen met de ROS uit haar regio. Maar elke ROS heeft eigen speerpunten, afhankelijk van de populatie in de regio. Zo richt de ene zich meer op ouderenzorg en de ander op geboortezorg. Dat vind ik ook wel zo gepast, want de kracht ligt in de regio. Wel zou het mooi zijn als die verschillen wat meer in kaart zouden zijn gebracht. Daar ligt een mooie rol voor de KNOV.’

Linda: ‘Ik ben het met je eens. Ik ben best vaak gebeld door regio’s die mij via via wisten te vinden. Het zou mooi zijn als er een overzicht was van best practices uit heel het land, met contactgegevens van degenen die erbij betrokken zijn of waren.’ 

‘Je gunt alle partijen zo’n goed georganiseerde plek aan tafel’

Jolanda Liebregts had een verloskundigenpraktijk, is voorzitter VSV@verlosdenbosch en doet nu promotie­onderzoek naar integrale zorg. Samenwerking tussen zorgverleners interesseert haar, mede dankzij haar achtergrond in de psychologie.
Tientallen definities

Linda: ‘Jolanda, jij bent van huis uit ook psycholoog. Wat is – als je vanuit dat perspectief kijkt – nodig van verloskundigen om onderlinge samenwerkingen te laten slagen?’

Jolanda: ‘Dat een sterke eerste lijn start bij jezelf, kan ik vanuit psychologisch oogpunt alleen maar beamen. Elke dag zijn we bezig met onze eigen praktijk, terwijl het heel leerzaam kan zijn om even afstand te nemen. En nieuwsgierig te zijn naar het perspectief van de ander. We zijn net begonnen met de VOICE-studie, naar de variatie in organisatie van integrale zorg. Wat nu al opvalt, is dat iedereen integrale zorg als iets anders ziet; zoveel perspectieven als er zijn, zoveel definities zijn er ook van bijvoorbeeld het begrip ‘integrale geboortezorg’. Zolang we ons eigen perspectief de waarheid vinden, zoeken we waar de ander het bij het verkeerde eind heeft en verzanden we in discussies die nergens toe leiden.’

Linda: ‘We weten niet altijd van elkaar hoe de ander bevraagd wordt. Gynaecologen hebben bijvoorbeeld geen idee dat wij soms baringen doen met een matras op de grond en zonder de juiste voorzieningen. Wij zijn ons er op onze beurt niet altijd bewust van dat gynaecologen niet alleen met verloskundigen te maken hebben, maar dat zij de zorg van heel de regio over zich heen krijgen, ook van huisartsen. Om elkaar wat beter te begrijpen, hebben we in onze regio een dagje met elkaar meegelopen. Dat zorgde voor eyeopeners. ‘Waarom doe je dat allemaal?’, vroegen de gynaecologen ons toen ze ontdekten hoeveel avond- en weekendspreekuren we hebben. Tja, omdat we ook met concurrentie te maken hebben. En zorg dus niet altijd alleen bieden vanuit kwaliteitsoverwegingen, maar ook weleens omdat een cliënt dreigt anders naar de concurrent te gaan. Door een dag mee te lopen en gesprekken te voeren, hebben we meer begrip voor elkaar gekregen.’

Jolanda: ‘Om de ander te kunnen begrijpen hebben we ook wat zelfonderzoek nodig: waar ligt mijn expertise? Wat vinden wij belangrijk? Waar komen mijn overtuigingen en gedrag vandaan? En vervolgens echt willen begrijpen hoe dat bij de ander zit. En ook begrijpen dat de waarheid niet bestaat. Zo’n houding kan leiden tot een open gesprek, waarbij iedereen zichzelf kan zijn. Waarbij alles gezegd kan worden, angsten op tafel komen en men ook naar elkaar luistert. Als die ruimte er is kan een constructief conflict gevoerd worden. Dat hoort erbij. Dan kun je met elkaar een wijs besluit nemen. Dit geldt voor de eigen praktijk, voor de coöperatie en voor het VSV. Precies in die volgorde; het begint bij jezelf. Maar ik merk dat we dat gesprek met de eigen collega’s al te weinig voeren. We nemen te weinig tijd om het te hebben over wat wel en niet goed gaat in de praktijk, terwijl daar veel winst te behalen is. Misschien is daar begeleiding voor nodig, zoals een praktijkcoach.’ 

Het ingewikkelde gesprek

Jolanda: ‘Als dat gesprek gevoerd wordt en je weet ‘waar je van bent’, als verloskundige en als praktijk, is de volgende stap de coöperatie. Het gesprek dat daar gevoerd wordt, kan ingewikkeld zijn. Bijvoorbeeld over verschillen tussen verwijscijfers van de afzonderlijke praktijken. Zijn die hoog of laag? Meten we de patiëntervaringen? Wat doen we daarmee? 

Zijn die cijfers beschikbaar in het VSV?’

Linda: ‘Op dat onderwerp ontstond bij ons ook wat discussie, want onze praktijk deed het hele jaar door enquêtes, terwijl er ook praktijken waren die dat maar twee keer per jaar deden. Wij zijn met elkaar het gesprek aangegaan, waarbij we onszelf eerst afvroegen: wat is het belang? Als dat gezamenlijke belang het uitgangspunt is, als het gesprek positief gevoerd wordt en als dat gesprek goed voorgezeten wordt, werkt zo’n discussie juist verbindend. Een voorwaarde is wel dat alle partijen openstaan voor verandering. Want als je kwaliteit van zorg vooropstelt, moet je als zorgverlener soms mee laveren met nieuwe situaties. Daar moeten alle partijen zich van bewust zijn en aan mee willen werken.’

Annelies: ‘Ook hier geldt: dat gesprek kan pas gevoerd worden als goed is gereflecteerd op wat er al speelt. Vaak is er oud zeer tussen praktijken. Een praktijk die extra echo’s ging aanbieden en daardoor meer cliënten naar zich toetrekt. Of een maat die drie deuren verderop een eigen praktijk begon. Zoiets kan twintig jaar geleden zijn gebeurd, maar als dergelijke gebeurtenissen nooit uitgesproken zijn, wordt het complex om écht samen voor dat gezamenlijke belang te gaan en soms water bij de wijn te doen. Dan kunnen we prachtige samenwerkingsovereenkomsten maken, maar als ‘onderliggend lijden’ niet aan de orde is gekomen kunnen we dat papiertje na een jaar weer doorscheuren.’

‘De samenwerkingsvorm hangt af van de dynamiek binnen de regio’

Annelies de Vries is senior adviseur bij ROSSamergo in regio Rotter­dam, Drechtsteden en Gorinchem. Zij richt zich met name op de beroepsgroep verloskundigen.
Professionaliseren

Annelies: ‘Linda, hoe hebben jullie gesprekken formeel georganiseerd?’

Linda: ‘Elk jaar hebben we een ledenvergadering waarbij iedereen aanwezig is. Dat is een informeel, gezellig samenzijn. Los daarvan voeren de negen praktijkvertegenwoordigers maandelijks gesprekken met elkaar. Daar hebben we van het begin af aan behoorlijk strenge regels aan verbonden. De gespreksdeelnemers moeten op tijd zijn, mogen geen dienst hebben en moeten zich goed ingelezen hebben. Bij belangrijke beslissingen mag er niet neutraal gestemd worden, dus vertegenwoordigers zorgen dat ze goed voorbereid zijn en met hun achterban gesproken hebben over het te nemen besluit. In principe wordt dit gesprek altijd door dezelfde vertegenwoordigers gevoerd. Alleen bij hele hoge uitzondering mag een vervanger geregeld worden. Het klinkt misschien rigide, maar deze professionaliseringsslag heeft ons een stuk krachtiger en slagvaardiger gemaakt. Ik merk dat nu we belangrijke issues echt goed doorspreken, er maar weinig punten zijn waar we niet op één lijn zitten.’

Jolanda: ‘Heel mooi hoe jullie de eerste lijn versterkt hebben. Eigenlijk gun je alle partijen in de geboortezorg een goed georganiseerde samenwerking, zodat ieder perspectief een plek aan tafel heeft. Dat leidt tot constructieve gesprekken waarmee je verder komt.’ 


Geslaagd

Tekst: Academies, 2022-03

De KNOV feliciteert alle nieuwe verloskundigen en heet hen van harte welkom in onze beroepsgroep!

Academie Verloskunde Maastrict (AV-M)

Yosra Allaoui

Anouk Asten

Daphne Bolder

Julia van den Brand

Liselotte Claassen

Karlijn Cox

Eva Craft

Roxy Dael

Lieke ten Dam

Meike den Dekker

Renske Denissen

Maaike Douven

Julia van Duijnhoven

Demi Hanegraaf

Dide Heesen

Marinda Hendriks

Annick Hoeben

Shannon Hogenberk

Sien Hurkens

Britt Jansen

Lynn Janssen

Regien Karssen

Iris Kelegom

Kiki Kerckhoffs

Inge Kerkvliet

Manon Klerkx

Marijke Kollen

Puck Koutrik

Romy Lastdrager

Esméralda Lith

Lisa Marquez Kroeze

Lisa Meel

Anne van Mourik

Floor Opdam

Hilde Pittens

Clara Reis

Joya Reul

Britt Reuleaux

Eline van Rossum

Lonneke van Santvoort

Inge Sauren

Romy Schepers

Maaike Schlingmann

Brenda Schmitz

Fleur Schouten

Nathalie Segers

Joyce van Seters

Nadine Somers

Sophie Soons

Madelon Spekreijse

Romy Spekreijse

Esther Udo

Lisa Veldscholten

Eva Vermeeren

Nina Vizzarri

Evi Vorstermans

Nadine Vos

Alicia Warbroek

Jacqueline Westenberg

Kyara Wetering

Tessa Witteveen

Juliëtte Wolters

Imre Zaaijer

Tessel Zweerink

Verloskundige Academie Rotterdam (VAR)

Merel Sara Bas

Christianne den Boon

Liset Brautigam

Irene Hölscher

Esmee Jansen

Carolien Verburgh

Bo van Waalwijk van Doorn

Senna Worlanyoh

Marjolein van Wuijckhuijse

Britney Hoogstad 

Sophie de Kok 

Danique van Lobenstein

Eshwa Popal   

Fleur van Reeuwijk 

Ellemarie Stolte

Jennifer Vink

Emma de Waal

Lisa Graafland

Romy Horsten

Sofia Verdoold

Elena van der Vlugt

Marit Volkers

Ouafila Zammou

Monique Admiraal

Lotte Becker

Janniek Burger

Zainab Ajouaoui

Iris van Arendonk

Sterre Baan

Jarina Blok

Shalini Boedjarath

Layla Boich

Hannah Burggraaf

Lotte van Dijk

Aisha Duijvesteijn

Feline van Herk

Lena Hoogeveen

Petra Kooman

Dieuwertje Koster

Cibelle Medina Ramos Monteiro

Jetske van Oostrum

Marrit Rietkerk

Jamie Rijk

Sanne Rotgers

Robin Schuur

Alien Sloof

Lori van Velzen

Quinty Verbaan

Floor Verheijen

Wilmie Versluis

Lotte van Wasbeek

Lynn Willekens

Gwendolyn Zeeman

Academie Verloskunde – Amsterdam en Groningen (AVAG)

Anne Duismann

Lisanne van Kesteren

Yelda Erdogan

Danique Brandsma

Eline Geluk

Fabiënne Kling

Aimée Grote Beverborg

Sophie Raven

Maartje Brinkman

Marieke Kanen

Froukje van der Sar

Josefine Damen

Lisanne van de Beek

Jasinka Rosenmöller

Eva Dessing

Roos Higler

Madeleine Graaman

Lotte Visser

Naomi Dettmer

Emily Gohres

Marjoleine Baaij

Renate Zwier

Bouchra Skakni

Nadia Levy

Barbara Witsiers

Korian Renirie

Rikkie Gemmeke

Roos Kossen

Sarah Hoffman

Jikke Postma

Pippa Burrell

Anneke Zuijderduijn

Donja van der Eng

Dieuwertje Luppers

Elaine de Wit

Femke Kluwer

Fien Mulder

Henritha Muijs

Jasmijn de Vos

Eline Stuut

Emma Wassenaar

Zoë Kassenaar

Kayleigh Schuttenhelm

Tessel Gervais

Arieke de Greeuw

Emma Hanekamp

Stephanie de Souza Nascimento

Laura Meiresonne

Laura Bier

Joosje Swellengrebel

Lia Groenhart

Welmoed Offinga

Anja Bareveld

Carolien Vis

Linda Kroes

Laetitia Moes

Jet Baalhuis

Hermien Jorna

Eveline Biesemaat

Sophie Dekker

Anita Faber

Alyssa van der Zon

Geary Dantuma

Lisanne Munk

Esther Oosterik

Mirjam Hilboezen

Melissa Krakers

Yanaika Kootstra

Renske Dasselaar

Emma Ronde

Anne Wassenaar

Mirte Broersma

Christina Halma

Leonie Woltmeijer

Nadine de Weerd

Danique Adolfs

Elles Kruiter

Moniek van den Berg

Lotte Jeuring

Manon Dasselaar

Dian Haak

Masteropleiding Physician Assistant – klinisch verloskundige (MPA-KV)

Suzanne Koster

Kiki van Broeckhuijsen

Jolein Vernooij

Rebecca Vellekoop-van Ravenswaaij

Jolien Verploegen

Esther Prinsen-Kaljouw

Charlotte Williams-van der Weijden

Anne Blaauwgeers

Demi van Beusichem

Astrid van Wijk

Marion de Ridder

Jolanda van der Wilt-Schouten

Wendy Kaptein-van Doeselaar

Annemiek Janssen

Sandra Smeets


Zij aan zij: Nathanja en Saritha

Tekst: VRHL Content en creatie, 2022-3
Beeld: De Beeldredacteur

Nathanja en Saritha begonnen beiden op AP Hogeschool Antwerpen en deden tijdens hun opleiding ervaring op als partusassistent in Nederland. Saritha is inmiddels een jaar aan het werk, Nathanja zit in haar laatste studiejaar. Tijdens een bevalling leerden ze elkaar kennen. Nathanja was nieuwsgierig: hoe is het om te werken in Nederland terwijl je in België bent opgeleid? 

 ‘Ze is een voorbeeld’

Nathanja over Saritha

‘Als student in België maak ik me weleens zorgen of ik ooit kan tippen aan de verloskundigen die in Nederland worden opgeleid. Saritha liet me inzien dat ook ik als volwaardig verloskundige word opgeleid. We leerden elkaar kennen tijdens een bevalling. Er werd al hard gewerkt toen ik de kamer binnenstapte. Ik had meteen bewondering voor Saritha. Ze voerde haar werk netjes uit en had een leuke interactie met het hele gezin. Heel menselijk. Tijdens het persen kwamen we erachter dat de navelstreng om de nek van het kind gewikkeld zat. Saritha bleef rustig en loste het professioneel op zonder dat de ouders zich zorgen hoefden te maken. Ze had veel zelfvertrouwen en wist wat ze deed. Toen ik later hoorde dat zij ook aan AP had gestudeerd, voelde dat als een opluchting. Als je in België afstudeert, word je door Nederlandse geboortezorgverleners toch met wat meer scepsis behandeld. Saritha is het voorbeeld van een succesvolle, in België opgeleide verloskundige. Mijn ontmoeting met haar heeft mij geïnspireerd om extra hard te werken.’

‘Ik zag haar niet als student’

Saritha over Nathanja

‘Toen Nathanja als partusassistent binnenstapte merkte ik niet dat ze net was begonnen; ze pakte haar werkzaamheden meteen professioneel op. Ik zag haar niet als student, maar echt als partus-assistent. En ik herkende mezelf in haar, want ik had ook als partusassistent naast mijn opleiding gewerkt. Ik probeerde haar mee te nemen in het hele proces. Ik liet haar meekijken tijdens het hechten en legde zo goed mogelijk uit wat ik aan het doen was. In België is dat de taak van de gynaecoloog en ik wist uit ervaring dat je als student niet vaak de kans krijgt om mee te kijken. Toen we klaar waren, hebben we nog wat gekletst. Ik vertelde Nathanja dat ze niet moet schrikken als ze vaak ‘nee’ hoort wanneer ze gaat solliciteren. En dat ze desondanks moet doorzetten, een dikke huid moet hebben. Dan komt ze er wel! Achteraf hoorde ik dat Nathanja in eerste instantie was toegelaten in Nederland, maar bewust koos voor het traject in Antwerpen. Ik vind het superstoer dat ze hier zelf voor heeft gekozen en nu alvast aan de slag is als partusassistent. Dat zegt iets over haar, ze gaat geen uitdaging uit de weg. Tegen Nathanja zou ik willen zeggen: ‘Je mag altijd bellen als je vragen hebt of wilt sparren.’


(Hoe) kunnen we succesvol implementeren in de geboortezorg?

Tekst: Dr. Noortje T.L. van Duijnhoven, Ruth Evers, Marieke Smith, Dorine C. Veldhuyzen, MBA, 2022-02

VSV’s zijn goed in het bedenken van veelbelovende innovaties in de zorg. Structurele implementatie is echter lastig, waardoor elk VSV zelf het wiel opnieuw uitvindt. Bovendien is er geen goed systeem voor opschaling van succesvol gebleken innovaties. De Nederlandse geboortezorg doet zichzelf hiermee tekort. 

Ontwikkelingen in de geboortezorg zijn gericht op betere zorg voor moeder en kind. In de geboortezorg krijgen VSV’s, naast de door henzelf geïnitieerde projecten, talloze verzoeken en verplichtingen tot verandering van hogerhand1. De VSV’s worden verantwoordelijk gehouden voor het verbeteren van de geboorte­zorg in hun regio; een grote taak naast het dagelijkse takenpakket van de deelnemers in het VSV. De ambitie van VSV’s is groot, maar de kennis en methodiek om succesvol te implementeren blijken tekort te schieten. VSV’s ervaren een enorme prestatiedruk en voelen zich vaak onvoldoende toegerust en onvoldoende daadkrachtig om de gewenste en opgelegde acties door te voeren.

Tabel 1. Best practices
Opzet VSV Carrousel 

De wens tot verbetering van de slagkracht van VSV’s deed de coördinatoren van het regionaal consortium Geboortezorg Oost en de directie van Talmor besluiten om de ‘VSV Best Practice Carrousel’ te initiëren. Het doel was tweeledig: 1) VSV’s faciliteren een gewenste best practice uit een andere regio te implementeren, en 2) de succes – en faalfactoren bij implementatieprocessen in VSV’s definiëren, om handvatten te kunnen geven richting meer slagvaardige organisaties. Achterliggend idee was dat het bewust zelf doorlopen van een implementatieproces, met structurele aandacht voor reflectie en bijsturing gedurende de gehele looptijd, een toekomstige implementatie vergemakkelijkt.

Figuur 1. PAR-onderzoeksmethode
De Best Practices 

Een lijst van tien recente Best Practices uit de Nederlandse geboortezorg (tabel 1) en een team van acht ervaren facilitators/projectleiders om de regio’s te gaan begeleiden, waren het startpunt van het project en het onderzoek. Vanaf het voorjaar van 2019 mochten alle VSV’s en IGO’s kiezen voor een extern begeleid en betaald implementatie­traject van zes maanden. Elk VSV/elke IGO mocht twee keer meedoen aan de Best Practice Carrousel. In totaal draaiden in ruim twee jaar 29 projecten in 25 VSV’s/IGO’s. Zodra de keuze voor een Best Practice ­definitief was en een werkgroep geformeerd, kreeg het VSV/de IGO een projectleider ­aangeboden om het implementatieproces te faciliteren.

‘Ambities zijn groot, maar de kennis en methodiek om succesvol te implementeren schieten tekort’

Tabel 2. Vragenhiërarchie om het natuurlijk denkproces te volgen
De PAR-methode 

Parallel aan ieder implementatietraject werd aan de hand van de zogeheten PAR-methodiek data verzameld over de voortgang van het traject. PAR staat voor: Participatory Action Research en bij deze methode zijn alle ­deelnemers van de studie tevens actief onderzoeker2. De PAR-methode kenmerkt zich door de actieve en gestructureerde reflectie van de deelnemers, in dit geval de werkgroepleden, zowel individueel als in de groep. Het doel hiervan is om gedurende de onderzoeksperiode bewuste interventies te doen om de aanpak te verbeteren. Deze methode faciliteert de werkgroep om zelf­lerend te zijn en gaandeweg te verbeteren. De werkgroep had een start-, tussen- en eind­bijeenkomst. Deze bijeenkomsten kenden een heldere structuur in het gezamenlijke gesprek (tabel 2), om zaken bespreekbaar te maken en verbeteringen direct door te voeren. Als onderdeel van de PAR-methodiek werd de vragenhiërarchie vanuit de Technology of Participation3 gebruikt. In de tijd tussen de bijeenkomsten vulden de werkgroepleden wekelijks een korte vragenlijst in via een app, als reflectie op het persoonlijke proces als onderdeel van het geheel. Na afloop van de eindbijeenkomst gaven zowel de werk­groepleden als het VSV-/IGO-bestuur, de projectleiders en de contactpersoon van ons onderzoeksteam via een digitale vragenlijst input over de ervaren succes- en faalfactoren en het verwachte effect van het implementatie­proces op de slagvaardigheid van het VSV/de IGO.

Figuur 2. Fasen voor het slagen van succesvolle veranderingen⁴.
Uitkomsten

In totaal zijn er 83 PAR-bijeenkomsten geweest en 179 vragenlijsten ingevuld. Samen heeft dit geleid tot de input van honderden ervaringen en observaties die verband hielden met het implementatietraject van de Best Practices in de deelnemende VSV’s/IGO’s. Codering en groepering van alle input vond plaats naar het model van Kotter4, met acht voorwaardelijke fasen voor succesvolle veranderingen in groepen (figuur 2). Het grootste deel van de input was onder te brengen in fasen 2 t/m 5 van Kotter, waarmee duidelijk de essentiële fasen bij implementatie in een VSV/IGO naar boven kwamen. Succesfactoren waren vaak de positief geformuleerde faalfactoren en vice versa. De belangrijkste factoren kennen samengevat de volgende thematiek: mandatering, extern voorzitterschap of ondersteuning, juiste mensen aan tafel, koersvastheid, de noodzaak van het aandacht geven aan de zachtere aspecten van de samenwerking, juridische en financiële kaders, communicatie en draagvlak. Om deze uitkomsten op breder regionaal en landelijk niveau in een systemisch kader te plaatsen, hebben we tien personen geïnterviewd die werkzaam zijn in overkoepelende geboortezorg organisaties. Uit deze interviews kwamen vergelijkbare thema’s naar voren: wederzijds begrip, vertrouwen en gelijkwaardigheid, aanwezigheid van een kartrekker en mandatering. Dit lijken misschien voor de hand liggende en op het eerste gezicht bekende uitkomsten, maar niet eerder zijn deze randvoorwaardelijke factoren onderzocht in data afkomstig van VSV’s en IGO’s. Biedt het doorlopen van zo’n extern gefinancierd en begeleid traject voor een werkgroep ook voordelen voor de toekomst en het hele VSV/de hele IGO? De werkgroepleden en projectleiders hadden hier meer vertrouwen in dan de VSV- en IGO-besturen. Tweederde van de participanten geloofde dat het door­lopen van het Best Practice-traject een ­positief effect heeft op de samenwerking én de slagvaardigheid om in de toekomst succesvoller te kunnen innoveren. De mensen die geen actief deel uitmaakten van de ­werkgroep – inclusief de individuele en groepsgewijze reflecties – waren minder van vertrouwen richting de toekomst. 

‘Tweederde van de participanten geloofde dat het doorlopen van het Best Practice-traject een positief effect heeft op de samenwerking en slagvaardigheid’

Praktische handvatten

Om de bevindingen beschikbaar te maken voor de dagelijkse praktijk, is een animatie gemaakt. Ook werd een toolbox ontwikkeld, met inspirerende en laagdrempelig te gebruiken onderdelen die de praktische implementatie in het eigen VSV/de eigen IGO faciliteren. Zie voor de animatie en toolbox bestpracticeproject.nl. Door de data schemerde nog iets anders heen; iets van systemische en organisatorische aard. De geïnterviewden identificeerden daarmee aspecten die voorwaardelijk zijn om VSV’s en IGO’s überhaupt in staat te stellen de gewenste professionaliseringsslag te maken. Zij herkennen en erkennen een overbelast veld en pleiten voor drastische veranderingen van het systeem. De onredelijke overvraging van het veld is confronterend en impliceert de urgentie voor een voorgestelde transitie. Nieuw gestelde kaders en randvoorwaarden zouden faciliterend moeten zijn voor de VSV’s/IGO’s op weg naar echte integrale en overstijgende zorg voor moeder en kind. Dit sluit naadloos aan op de recent, meermaals benoemde nadrukkelijke noodzaak tot structurele, inhoudelijke en bestuurlijke netwerksamenwerking in de geboortezorg, met name op lokaal en regionaal niveau5,6. 

De toekomst 

VSV’s en IGO’s kunnen de verantwoordelijkheid voor het realiseren van optimale zorg voor moeder en kind pas op zich nemen, als ze deze verantwoordelijkheid ook actief kunnen omarmen. Dat vergt een parallelle inspanning van de regionale VSV’s/IGO’s en een aanpassing van het gehele landelijke geboortezorgsysteem. Om deze transities succesvol te laten zijn, zijn de implementatielessen uit de Best Practice Carrousel van toepassing op alle lagen die het systeem kent. Alleen als ook het systeem bereid is tot verandering, kunnen VSV’s en IGO’s zich ontwikkelen tot meer slagvaardige organisaties. Bied hen betere en eerlijkere kaders en randvoorwaarden, en VSV’s/IGO’s zullen niet alleen bereid, maar ook bekwaam zijn tot succesvolle implementaties. 

Kernpunten
  1. Verloskundige Samenwerkingsverbanden (VSV’s) en IGO’s zijn bezig met een professionaliseringsslag.
  2. Er heerst discrepantie bij VSV’s/IGO’s tussen verantwoordelijkheid krijgen en kunnen nemen.
  3. Structurele reflectie van zowel het individu als het team gedurende een implementatietraject is waardevol, zo niet voorwaardelijk voor succesvol kunnen veranderen.
  4. Voor succesvolle implementatie zijn wederzijds begrip, vertrouwen en gelijkwaardigheid, aanwezigheid van een kartrekker en mandatering vanuit de achterban nodig.
  5. Aanpassingen in kaders en randvoorwaarden vanuit het geboortezorgsysteem zullen de ontwikkeling van VSV’s/IGO’s tot slagvaardige en zelfregulerende organisaties faciliteren. 
Bronnen:
1. Zorgstandaard Integrale Geboortezorg (2016). Versie 1.1. Zorginstituut Nederland, Utrecht.
2. McIntyre A. Participatory Action Research. California: Sage Publications; 2008. doi: 10.4135/9781483385679.
3. Internationale organisatie voor facilitatie en participatie. www.ica-international.org/icas-technology-of-participation-top/
4. Kotter J, Rathgeber H. Onze ijsberg smelt! Succesvol veranderen in moeilijke omstandigheden. Amsterdam: Business Contact; 2020.
5. Achterberg P, Harbers M, Post N, Visscher K. Beter Weten: Een Beter Begin. Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; 2020. doi: 10.21945/RIVM-2020-0140.
6. Van Zijp C, Van Urk F, Dreef S, De Graaff A, Verheul M. Samen (net)werken in de zorg: doorbreken van patronen. Utrecht: Berenschot; 2021. 

Zij aan zij: Jessica en Loïs

Tekst: VRHL Content en creatie, 2022-2
Beeld: Jessica Innemee

De vonk sloeg over toen Jessica een bevalling vastlegde die Loïs begeleidde. Een jaar daarvoor hadden ze elkaar leren kennen, toen Jessica (VI-Photography) de foto’s voor de solopraktijk (Oerkracht) van Loïs maakte. Inmiddels kunnen ze niet alleen privé, maar ook zakelijk niet meer zonder elkaar. ‘Een baring samen is veel leuker.’

‘Zij straalt zoveel kracht uit’

Jessica over Loïs

‘Zij straalt zoveel kracht uit als ze een bevalling begeleidt. En ook daarna; Loïs is de baas in de kamer, de kraamhulp assisteert en de barende vrouw vertrouwt Loïs volledig. Prachtig om te zien; op dat beeld werd ik tijdens onze eerste bevalling samen al verliefd. Dat was een pittige thuisbevalling met een fluxus. Loïs handelde doortastend en toen ze de ambulance belde was er bij niemand twijfel. Je merkt dat Loïs haar cliënten door en door kent. Ook ik ken de cliënt en haar partner goed, want voor de bevalling heb ik uitgebreid contact. Als het zover is, zorgt dat voor verbinding en een sfeer in de kamer… Die kan ik bijna niet omschrijven. Dan zijn we een team. Loïs is er voor haar cliënt, ik leg op de achtergrond de gebeurtenissen vast en probeer tussentijds Loïs te assisteren. Tijdens iedere bevalling die we samen doen word ik nog gekker op haar. Dan wordt ze heel iemand anders, magisch vind ik dat.’

‘Ongelofelijk hoe zij naar gebeurtenissen kijkt’

Loïs over Jessica

‘Bij zo’n gecompliceerde baring gaat alles zo snel dat de vrouw amper de tijd heeft om de gebeurtenissen te verwerken. Dan is het extra waardevol om de bevalling een mooie manier vast te leggen. Ik ken niemand die dat op zo’n mooie manier kan als Jessica. Ongelofelijk hoe zij naar gebeurtenissen kijkt. Ze pikt de emotie eruit. Bij de vrouw en haar partner, maar ook bij de baby en zelfs bij mij. Als je naar de foto’s kijkt voel je de sfeer van de situatie. Dat vind ik heel bijzonder. En dat niet alleen, ook de manier waarop we ons werk met ons privé combineren. Solistisch werken is een lifestyle; je moet er veel voor opzij zetten om vijf atermen per maand te kunnen begeleiden. Dat hebben wij allebei. Juist daarom begrijpen we elkaar ook goed. Jessica stimuleert me en begrijpt het als ik ineens weg moet. En zo is het ook andersom. Alles klopt gewoon.’


Jong geleerd…

Tekst: vrhl content en creatie, 2022-02

Ze weten elkaar in het werkende leven beter te vinden, hebben meer ­respect voor elkaars discipline en hebben meer begrip voor elkaars ­denkwijze. Het zijn de meest gehoorde argumenten voor het organiseren van een puzzel die ‘interprofessioneel opleiden’ heet. Want het ís nogal een organisatie, om studenten van verschillende opleidingen op hetzelfde moment vrij te maken en lokalen beschikbaar te hebben. Het loont de moeite; studenten zijn enthousiast en leren elkaar beter kennen.

Universiteit, Antwerpen

IPSIG staat voor ‘Interprofessioneel Samenwerken in de Gezondheidszorg’. Jaarlijks doen meer dan duizend studenten uit het laatste jaar van de opleidingen Geneeskunde, Fysiotherapie, Farmacie, Ergotherapie, Verpleegkunde, Sociaal Werk, Voeding en Diëtetiek, Orthopedagogie, Logopedie en Audiologie, Psychologisch Consulent en Vroedkunde mee aan de IPSIG-week. Deze bestaat uit interactieve sessies waarbij kennis wordt gemaakt met elkaar en elkaars rol, een zorgplan rond een casus wordt gemaakt en aandacht is voor ethisch handelen, communicatie en reflectie op de eigen competenties.

‘De succesfactor van deze module is dat zowel universitaire opleidingen als opleidingen van hogescholen met elkaar samenwerken’, vertelt Giannoula Tsakitzidis. Zij ontwikkelde de IPSIG-module samen met een interprofessioneel team. ‘Maar er ontstaat ook samenwerking tussen Belgische, Nederlandse en anderstalige studenten. Die cultuurverschillen komen zorgverleners vaak tegen; mooi als met dit internationale aspect al in de opleiding kennis is gemaakt.’ Het zijn veel uiteenlopende opleidingen, dan kan een casus nooit voor iedereen helemaal van toepassing zijn. ‘Dat is ook niet erg’, zegt Giannoula. ‘Bij een casus rondom een hersenbloeding zal een vroedvrouw in opleiding inhoudelijk misschien niets concreets kunnen doen, maar ze kan wel meedenken. Zij levert een bijdrage door de manier waarop zij gewend is zich aan te passen aan de behoeften van een zwangere vrouw. Zij neemt de ziekte niet als uitgangspunt, maar de patiënt. Terwijl een arts in opleiding kennis heeft en uitgaat van ziekte X waar behandeling Y bij past. Van die verschillende perspectieven en mogelijkheden willen wij onze studenten bewust maken in deze week. Zij leren beroepsspecifieke kennis te overstijgen en samen te kijken naar de patiënt.’ De IPSIG-week wordt al achttien jaar georganiseerd. ‘Elk jaar is het vechten om de logistieke uitdagingen te overwinnen’, vertelt Giannoula. ‘Want wij reserveren in deze week honderd docenten, zestig lokalen en hebben ook restaurants en parkeergelegenheid nodig. We hebben geleerd dat elke drie tot vijf jaar verantwoordelijke teams voor een groot deel vernieuwd zijn, met soms ook nieuwe decanen en/of nieuwe opleidingshoofden. Om steeds iedereen mee te krijgen en betrokken te houden, organiseren we iedere drie jaar een ‘VIPSIG’, met de ‘very important people’ uit de betrokken teams. Tot nu toe werkt dat!’

‘Belangrijke doelen zijn respect voor elkaar en een kijkje in elkaars keuken’

AP Hogeschool, Antwerpen

In Antwerpen vindt nog een interprofessioneel project plaats. Hier neemt een groep studenten Verloskunde – van verschillende Vlaamse academies – zes tot twaalf weken een moeder-kindafdeling van een ziekenhuis over. Ze leren hier dus ‘in het echt’ met elkaar samen te werken. Eveline Mestdagh van AP Hogeschool vertelt: ‘Hier gaat een heel voorbereidingsproces aan vooraf. Studenten leren met de systemen te werken en leren de protocollen en regels van het ziekenhuis kennen. Dan gaan ze aan de slag. De dienstdoende verloskundigen zijn wel aanwezig, maar alleen als observator.’ Een hele praktische vorm van opleiden dus, waar de studenten volgens Eveline veel van leren. ‘In deze periode zien we studenten enorm groeien. Ze leren om zelfstandig een arts te bellen en te briefen, een hele dienst uit te bouwen, multidisciplinair overleg te organiseren en om zelf beslissingen te nemen.’ Het is een behoorlijke investering voor zowel opleiding als ziekenhuis. ‘Maar het levert ook veel op’, zegt Eveline. ‘Veel van de studenten die hebben deelgenomen, blijven werken in het ziekenhuis waar ze het project hebben gevolgd; ze zijn immers al ingewerkt. Van sommige studenten zien we dat ze – nu ze écht zelfstandig moeten werken en niet langer achterover kunnen leunen – nog niet de competenties bezitten om zelfstandig aan het werk te gaan. Voor hen leidt dit project tot nieuwe leerdoelen.’

‘Grote kans dat ze straks ook met elkaar moeten samenwerken, fijn als ze nu al kennismaken’

Academie Verloskunde, Amsterdam

In de IPE-Unit (IPE staat voor Interprofessionele Educatie) zorgt een team – bestaande uit een student Verloskunde, een beginnend verpleegkundige, een coassistent Kindergeneeskunde en een coassistent Gynaecologie – voor vier kraamvrouwen. Claartje Hart is stagecoördinator bij Academie Verloskunde Amsterdam en vertelt: ‘Elke student heeft z’n eigen persoonlijke leerdoelen. Tegelijkertijd leren de studenten veel van elkaar. Coassistenten leren meer vanuit de patiënt en haar baby te denken, in plaats vanuit beleid. En verloskundigen krijgen meer vertrouwen in wat zij al kunnen en weten.’

’s Ochtends krijgen de studenten de vier kraamvrouwen overgedragen. Voor deze vrouwen werken zij een beleid uit aan de hand van theorie. ’s Middags bespreken ze hun bevindingen met elkaar. Daar is een begeleider bij, die kritische vragen stelt. Claartje: ‘Belangrijke doelen zijn respect voor elkaar en een kijkje in elkaars keuken. Vooroordelen zie je verminderen, omdat ze elkaar echt spreken en met elkaar samenwerken. Er ontstaat veel bewondering voor elkaar en studenten ontdekken waarvoor zij andere specialismes kunnen inschakelen; wat hun kwaliteiten zijn. Een leuk inzicht dat we steeds zien: coassistenten zijn vaak erg onder de indruk van wat verloskundigen in opleiding al weten.’

Academie Verloskunde, Maastricht

In Maastricht worden diverse activiteiten georganiseerd samen met de opleidingen Kraamverzorgende, Geneeskunde en Gynaecologie. De interprofessionele activiteit met de arts-assistenten is de tweedaagse cursus ‘Begeleiding en fysiologie van de baring’. De drie opleidingen Verloskunde ontwikkelden deze cursus samen met opleiders van arts-assistenten Gynaecologie. Vanuit de AVM is Ina Bastiaans betrokken bij deze cursus. Zij vertelt: ‘De eerste dag staan de ontwikkelingen in de verloskunde, baringshoudingen en shared decision making centraal. We gaan in op cijfers en trends, zoals: hoeveel vrouwen bevallen thuis en hoeveel vrouwen bevallen met een inleiding of sectio. Samen proberen we de achtergronden te verklaren en verschillende perspectieven te doorgronden.’

‘Later die dag gaan we vooral praktisch aan de gang met baringshoudingen en gespreksvoering op basis van shared decision making. Het uitgangspunt is een goede en respectvolle sfeer, waar we vooral vanuit nieuwsgierigheid vragen aan elkaar stellen. Deelnemers komen achter hun overeenkomsten en verschillen, en ontdekken dat het doel voor iedereen gelijk is. Namelijk de beste uitkomsten voor moeder en kind.’ Om het begrip voor elkaars perspectief te versterken lopen de deelnemers – los van de twee cursusdagen – een dag mee op elkaars werkplek. Ook werken ze in subgroepjes aan een presentatie over een onderwerp dat gerelateerd is aan de fysiologie, vertellen vertegenwoordigers van de KNOV en de NVOG over integrale samenwerkingen en reflecteren deelnemers op hun handelen naar aanleiding van de inzichten die de eerste dag heeft opgeleverd. Ina: ‘Het doel is niet om het met elkaar eens te zijn, maar om bewust te worden van de perspectieven die er zijn en van wat die perspectieven bij je oproepen. Die bewustwording en de verdieping op het gebied van de fysiologie vormen een basis voor wederzijds respect en begrip en bevorderen een toekomstbestendige samenwerking.’

Academie Verloskunde, Groningen

In Groningen wordt binnen diverse modules de integrale samenwerking al vroeg aangeleerd. Een mooi voorbeeld is de studieochtend rond zwangere vrouwen in een kwetsbare situatie. Relinde van der Stouwe vertelt: ‘In Groningen hebben we een samenwerking rondom kwetsbare gezinnen tussen onder andere JGZ, kraamzorg, verloskunde en de gemeentelijke Wij-teams*. Daarvoor is aandacht tijdens deze studieochtend. Zo leren verloskundigen, kraamverzorgenden en verpleegkundigen in opleiding en studenten Social Work al voordat zij aan het werk gaan hoe het hier is ingericht en wat hun rol binnen die samenwerking is. Na de introductie gaan de studenten in groepjes uiteen, waarbij studenten van verschillende disciplines bij elkaar worden gezet. Aan de hand van een casus over een kwetsbare zwangere maken zij met elkaar een zorgplan. Hierna oefenen we een warme overdracht van kraamverzorgende en verloskundige naar JGZ-verpleegkundige of maatschappelijk werker.’ Een nieuwe uitdaging ondervindt Relinde bij de module ‘Reproductieve Gezondheidszorg’; een module voor de tweedejaarsstudenten Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Studenten Verlos- en Verpleegkunde sluiten aan op een van de opdrachten, waarbij een multidisciplinair overleg wordt voorbereid en gevoerd. ‘Het is een ontzettend mooi project, maar praktisch lastig uitvoerbaar omdat alle drie de opleidingen een eigen studieschema hebben.’ Toch wordt alles op alles gezet om het te realiseren. ‘Studenten vinden deze vorm van onderwijs heel nuttig. Zo zie ik het ook; ze komen al vroeg in aanraking met professies waar zij later ook veel mee te maken kunnen hebben. Als zij nu al leren hoe zij hun eigen rol in dergelijke samenwerkingen kunnen vormgeven, hebben zij een grote voorsprong.’

* Wij Groningen adviseert en ondersteunt mensen in de gemeente Groningen om zelf grip te krijgen/houden op hun leven. Het verzorgt de indicaties voor de Wmo en Jeugdwet.

‘Samen proberen we achtergronden te verklaren en perspectieven te doorgronden’

Verloskunde Academie, Rotterdam

Verloskundigen in opleiding van het derde jaar hebben al heel veel kennis. Daarom zijn zij degenen die lesgeven tijdens de lesdag over fysiologische baringen in Rotterdam. Deze vaardigheidsles wordt gevolgd door coassistenten Geneeskunde die bijna aan hun coschap Gynaecologie beginnen. Corrie Lodewikus is docent Verloskunde in Rotterdam: ‘Onze studenten merken tijdens deze dag dat ze al veel van de fysiologie afweten; veel meer dan de studenten Geneeskunde, die zijn immers breder opgeleid.’ 

En ander mooi interprofessioneel initiatief in Rotterdam zijn de twee onderwijsdagen die onlangs werden georganiseerd. Deze opleidingsdagen werden gevolgd door gynaecologen in opleiding en verloskundigen in opleiding. ‘We hebben hen twee keer een casus gezamenlijk laten bespreken. Een voorbeeld van zo’n casus is meconiumhoudend vruchtwater; wanneer beslis je dat het te laat is om naar het ziekenhuis te gaan? Welke afwegingen maak je? Hoewel gynaecologen in opleiding het iets spannender vinden om een dergelijke situatie in de eerste lijn te laten dan de verloskundigen in opleiding, merken ze vooral dat hun overeenkomsten groter zijn dan de verschillen. Een mooie eyeopener.’ Corrie merkt dat de drempel om elkaar op te zoeken verlaagd wordt. ‘Een student vertelde mij eens dat ze het best spannend vond om te overleggen met de tweede lijn, maar dat dit door deze onderwijsdagen was veranderd. Onbekend maakt onbemind, maar juist in die samenwerking moeten we elkaar zien te vinden. Bovendien is de kans groot dat de studenten van vandaag ook écht elkaar samenwerkingspartners worden. Hoe mooi is het dan, dat zij elkaar al hebben leren kennen?’


Zij aan zij: Lucia en Bob delen leven en praktijk

Tekst: VRHL Content en creatie, 2022-1
Beeld: Michel Ter Wolbeek

Bob was een van de drie jongens bij wie Lucia in de klas zat. Ze volgden de vroedvrouwenopleiding in een internaat in Heerlen. ’s Nachts sloop hij over de gangen naar haar slaapkamer. Lucia slaagde een jaar eerder dan Bob. Zodra het kon en ze een geschikte plek hadden gevonden, richtten ze Verloskundigenpraktijk Simons op. Nu, 33 jaar later, runnen ze de praktijk nog altijd samen. Avondjes uit of vakanties komen weinig voor. ‘Maar dat vinden we meestal niet erg.’

‘Hij steunt me onvoorwaardelijk’

Lucia over Bob

‘We wilden allebei een eigen praktijk. Het was vanzelfsprekend dat we dat samen zouden doen. En het werkt, we vullen elkaar aan. Ik de coachende kant, zoals coachingsgesprekken en ook VSV-vergaderingen. Hij de meer technische kant, zoals echo’s en financiën. Als een cliënt geen klik met mij voelt, voelt ze die vaak wel met Bob en dat geldt ook andersom. Zo komt het voor dat als ik dienst heb en een cliënt belt met wie Bob wat beter klikt, Bob toch de bevalling begeleidt. Aan continuïteit is bij ons geen gebrek. De onvoorwaardelijke steun die ik van Bob krijg, zou ik niet kunnen missen. We werken prima samen tijdens spreekuren waarbij echo’s gemaakt moeten worden. Maar toen ik ziek werd pakte hij ook alles zelf op. We weten van elkaar dat het dan goed komt en respecteren elkaars grenzen.’

‘Dingen ontstaan vanzelf bij ons’

Bob over Lucia

‘Op een bepaald moment boden steeds meer praktijken om ons heen echo’s aan. Daar verloren wij cliënten aan, dus wilden wij die echo’s ook aanbieden. We bespraken het onder het koffiedrinken en binnen een mum van tijd hadden we besloten dat ik de opleiding zou volgen. Zulk soort dingen ontstaan vanzelf bij ons. We hebben allebei onze taken en daar voelen we ons goed bij. Toen we op ons piekmoment vierhonderd partussen per jaar hadden, overwogen we iemand aan te nemen. Algauw besloten we dat we beter een deel van ons gebied konden afstoten. Een nieuwe collega naast zo’n twee-eenheid is bijna onwerkbaar. Met z’n tweeën een praktijk runnen is ook een nadeel, want samen een avond uit komt bijna niet voor. Gelukkig delen we andere mooie momenten met elkaar.’


Meer continuïteit door eerdere betrokkenheid kraamverzorgende

Tekst: Annemieke Verbeek, 2022-01

Een kraamverzorgende al vanaf de start van de actieve fase invliegen en niet pas aan het einde; nieuw onderzoek laat zien dat dit een gunstig effect heeft op de uitkomsten. Barende vrouwen vragen onder andere minder om pijnbestrijding en kijken positiever terug als ze continue steun hebben ontvangen, óók na overdracht naar de tweede lijn. 

Ze vond het wel spannend, de eerste keer dat ze als kraamverzorgende ‘alleen’ naast een barende vrouw zat. Normaal is er ook altijd een verloskundige bij aanwezig, maar Mariëlle Costongs werd ingezet in een door ZonMw gefinancierd onderzoek naar het effect van continue begeleiding tijdens de bevalling door de kraamzorg.

Mariëlle is al 22 jaar kraamverzorgende en draait als vaste medewerker van de partuspool bij kraambureau Geboortezorg Limburg haar hand niet om voor het ondersteunen bij een bevalling meer of minder. Maar solo de aanstaande ouders ondersteunen vanaf het begin van de actieve fase van de bevalling, dát was een nieuwe ervaring. Mariëlle: ‘Meestal komen we bij een partus als de ontsluiting al verder gevorderd is en de verloskundige er de hele tijd bij is. Nu kwamen we een stuk eerder, ging de verloskundige weer weg en boden wij de continue begeleiding. Hiervoor hebben ik en bijna zeventig van mijn collega’s in Limburg een korte bijscholing van een dagdeel gevolgd. Daarin leerden we over coachen en begeleiden bij de ademhaling. Daarna konden we aan de slag. Je komt als vreemde binnen, maar doordat je heel vroeg komt in het baringsproces, bouw je toch een band op met mensen. Waar de ene vrouw het prettig vindt dat je de hele tijd naast haar zit, vindt een ander het juist een prettig idee als er wel iemand in de buurt is maar zij toch alleen met haar partner in de kamer is.’

Kosteneffectieve steun

Dat de continue aanwezigheid van iemand anders dan een verloskundige of gynaecoloog de kans op medisch ingrijpen kleiner maakt, is al langer bekend als het zogeheten ‘doula-effect’; met een vertrouwd iemand naast zich, die er vooral is om gerust te stellen, te coachen en niet-medische handelingen als massage en tegendruk te geven, vragen vrouwen minder vaak om medicinale pijnbestrijding, zijn er minder complicaties en een lager percentage keizersneden. ‘Dit klinisch vergelijkende onderzoek moest inzichtelijk maken of het in de Nederlandse setting kosteneffectief is om hiervoor een kraamverzorgende in te zetten’, vertelt Marianne Nieuwenhuijze, als hoogleraar Verloskunde aan de Academie Verloskunde Maastricht/Universiteit Maastricht betrokken bij het onderzoek. Het onderzoek naar de effectiviteit van continue begeleiding door een kraamverzorgende was het derde en afsluitende onderdeel van de Continuous Care study, of CC trial. In de eerste fase werden mogelijke hinderende factoren in de zorg geïnventariseerd, het tweede deel bestond uit het ontwikkelen van de training voor kraamverzorgenden. In het onderzoek werd primair gekeken naar het effect op de vraag naar epidurale pijnstilling, daarnaast werden ook manier van bevallen, tevredenheid en effectiviteit als secundaire uitkomsten meegenomen.  

Marianne: ‘Bijna duizend zwangeren uit een gemêleerde populatie deden mee met het onderzoek. Zij werden door de deelnemende kraamcentra benaderd tijdens het huisbezoek in de zwangerschap. Op basis van loting kreeg de helft van hen continue begeleiding van een getrainde kraamverzorgende aangeboden, een aanbod waar zo’n zestig procent van de zwangere vrouwen gebruik van maakte. Bij de andere helft van de zwangere vrouwen veranderde er niks aan de geboden verloskundige zorg. In deze regio is continue begeleiding door de verloskundige trouwens wel het streven, maar in de praktijk niet overal haalbaar. Zwangere vrouwen wisten vooraf niet welke kraamverzorgende bij hun bevalling aanwezig zou zijn en konden zich tot het laatste moment bedenken als ze toch liever hun bevalling zonder extra persoon erbij wilden. De plaats van bevalling maakte niets uit; drie ziekenhuizen in de regio zeiden hun medewerking toe aan het onderzoek, waardoor de kraamverzorgenden ook welkom waren na een overdracht van de eerste naar tweede lijn. Door corona liep het onderzoek wat vertraging op, omdat ziekenhuizen tijdelijk geen derde persoon bij baringen toelieten.’

In de groep met continue begeleiding was er minder vraag naar pijnbestrijding, halveerde het aantal keizersneden en keken vrouwen positiever terug op hun bevalling

Positievere bevalervaring

De resultaten uit het onderzoek overtroffen zelfs de positieve verwachtingen van de onderzoeksgroep: bij de vrouwen die tijdens hun bevalling continue zorg van een kraamverzorgende kregen, werden aanzienlijk minder keizersneden uitgevoerd en werd minder pijnstilling gebruikt. Marianne: ‘Het aantal keizersneden halveerde bijna, van 12 naar 6,3 procent. Het aantal ruggenprikken nam af van 37 naar 24 procent, een daling van bijna 40 procent. De vraag naar andere medicinale pijnbestrijding nam af van 16 naar 10 procent. Het aantal gewone spontane bevallingen nam toe van 78 naar 86 procent. En, ook enorm belangrijk: de vrouwen waardeerden de steun van de kraamverzorgende en keken meer tevreden op hun bevalling terug.’ De gemiddelde extra uren kraamzorg bedragen 4 uur en 17 minuten. Verzekeraars VGZ en CZ vergoedden gedurende de loop van het onderzoek de extra inzet van kraamzorg, die gemiddeld 225 euro per bevalling kost. Uit de kostenvergelijking tussen de twee groepen blijkt echter dat onder aan de streep continue zorg kostenbesparend is en het een besparing van bijna 250 euro oplevert. Dit is voornamelijk te verklaren doordat vrouwen in de continue groep minder lang in het ziekenhuis hoefden te worden opgenomen na de bevalling.

Het geringe aantal uren extra ondersteuning bij elke bevalling, is volgens Marianne te verklaren door het feit dat het om een gemiddelde gaat. ‘De hele snelle bevallingen halen het cijfer al snel naar beneden. En we hebben de uren geteld tót het moment dat een kraamverzorgende normaliter ook zou komen, in de laatste fase van de actieve fase en overgang naar de transitiefase.’ Deze extra uren waren trouwens vooraf wel een punt van discussie met de betrokken kraamzorgorganisaties, want de Arbowetgeving schrijft een maximaal aantal uren op een werkdag voor. ‘We moeten daar nog nauwkeuriger naar kijken, hoe die ureninzet uiteindelijk gegaan is. Juist die vroege ondersteuning blijkt vruchten af te werpen, maar je wilt ook niet dat iemand aan het einde van de bevalling afgewisseld moet worden door een collega omdat ze al meer dan 8 uur naast een vrouw zit.’

Doordat je heel vroeg komt in het baringsproces, bouw je een band op met mensen’

Ontlast verloskundige

Er gingen meer gesprekken aan het onderzoek vooraf, bijvoorbeeld met verpleegkundigen over de taakverdeling op de verloskamer. ‘Wie vervult welke rol in het ziekenhuis? Die vraag was relevant om vooraf met elkaar te bespreken’, zegt Marianne. ‘De kraamverzorgende was er puur voor de mentale ondersteuning, het was niet de bedoeling dat ze meer praktische zaken zou overnemen van een verpleegkundige. Dat was verleidelijk met alle werkdruk in de ziekenhuizen, een paar extra handen aan het bed, dus daar hebben we hele heldere afspraken over gemaakt. Toch betekent het wel degelijk een ontlasting voor zowel eerstelijns- als tweedelijnsverloskundigen; je weet dat er iemand is die, ook als je er even niet bent, goed voor de barende vrouw zorgt. De wetenschap dat zij aan de bel trekt als er iets is, geeft ook rust. Van verloskundigen hoor ik ook wel dat ze juist die emotionele steun liever zelf geven, in de praktijk zal dit vanwege de werkdruk voorlopig een spanningsveld blijven. Een aantal verloskundigen blijft zelf continue begeleiding bieden, ook na overdracht. Meestal is dit liefdewerk oud papier, sommigen vragen een extra eigen bijdrage. Zwangeren die het willen en kunnen betalen, kunnen het zelf regelen door een doula in te huren. Willen we continue steun toegankelijk maken voor álle barenden, dan kan je met de resultaten uit dit onderzoek een warm pleidooi houden om dit door kraamverzorgenden te laten uitvoeren.’ Nog een punt voor de evaluatie: de extra inzet van de kraamzorg tijdens de bevalling betekende een evenredige vermindering van de beschikbare uren in de kraamweek. Marianne: ‘Hierover werden zwangere vrouwen vooraf geïnformeerd, maar zeker bij een eerste kind is het lastig inschatten voor vrouwen waar ze meer behoefte aan hebben; extra steun bij de bevalling of juist daarna. De verloskundige kan indien nodig wel extra uren kraamzorg indiceren, zo zou je dat kunnen opvangen. Helemaal ideaal zou het zijn als het niet of-of, maar en-en is.’

Pilletje

Zelfs met deze positieve resultaten, is het niet vanzelfsprekend dat er meteen iets gaat veranderen in de praktijk. Hoe nu verder? Marianne: ‘De kraamzorgorganisaties zijn nu aan zet om het gesprek met verzekeraars aan te gaan. Het bespaart geld en levert tevreden, gezondere cliënten op. Dat lijkt me een stevige basis voor onderhandelingen. Implementatie in de eerste lijn kan relatief eenvoudig zijn, al heeft de kraamzorg ook te maken met serieuze capaciteitsproblemen. Maar wie weet, maakt dit het vak van kraamverzorgende ook weer interessanter voor mensen die juist de begeleiding tijdens een bevalling boeiend vinden. De kraamverzorgenden die deelnamen aan het onderzoek, vonden het een verrijking van hun werkzaamheden. Hun ervaringen worden later nog uitgebreider geëvalueerd. In ziekenhuizen heb je te maken met meer ingewikkelde organisatorische, juridische en financiële structuren. Veel mooie innovaties lopen daar op stuk, hartstikke zonde. Als continue ondersteuning een pilletje zou zijn, dan hadden we dit allang ingevoerd.’

Vertrouwen

Kraamverzorgende Mariëlle is na de tientallen bevallingen tijdens het onderzoek vertrouwd met het geven van continue begeleiding. Zij zou graag zien dat dit een standaard zorgaanbod wordt. Ze herinnert zich een gezin dat tijdelijk op een vakantiepark verbleef omdat ze net terug waren na een verblijf in het buitenland. ‘Bij aankomst was de verloskundige nog aanwezig en hebben we samen met het gezin afspraken gemaakt over wanneer te bellen en een tijdstip waarop de verloskundige nog een keertje zou komen kijken. De verloskundige ging weg en we bleven met z’n drieën achter. We hadden besproken dat ik in de woonkamer zou blijven zitten en als er iets was dan zouden ze me roepen. De weeën werden heftiger en ze wilde naar het ziekenhuis voor een ruggenprik. Van de verloskundige had ik begrepen dat alles goed vorderde dus ik dacht bij mezelf: pijnstilling zou toch zonde zijn. Ik besprak rustig de voor- en nadelen, heb haar gerustgesteld en voorgesteld om dit met de verloskundige te bespreken zodra zij er weer was. Na komst van de verloskundige gingen we alsnog richting ziekenhuis. Daar is mevrouw niet veel later zonder pijnstilling bevallen. Ze was supertrots. Een ruggenprik kan een uitkomst zijn, maar het is mooi als vrouwen het vertrouwen krijgen dat ze op eigen kracht kunnen baren.

Voor vragen of meer informatie kan je contact opnemen met Marianne via m.nieuwenhuijze@av-m.nl.


Zij aan zij: Esther en Manon kozen hun eigen weg

Tekst: VRHL Content en creatie, 2021-4
Beeld: Michel Ter Wolbeek

Esther en Manon Wesselink zijn een eeneiige tweeling en allebei verloskundige. Ze maken elkaars zinnen af en voelen elkaar aan, maar gingen in hun beroep ieder hun eigen weg. Dat houdt Esthers fysiologische blik scherp en laat Manon de tweede lijn beter begrijpen.

‘Ze trekt me terug naar de fysiologie’

Esther over Manon

‘Ik geloof dat ik met een artikel uit de Libelle kwam aanzetten, waarin een verloskundige geportretteerd werd. ‘Dát ga ik doen’, zei ik tegen Manon en dat plantte ook een zaadje bij haar. Ik werd meteen ingeloot en Manon niet, maar dat is goed voor ons geweest. We hebben daardoor ieder ons eigen pad gekozen, met eigen studiegenoten, later eigen collega’s en nu zelfs een eigen lijn. Door persoonlijke gebeurtenissen koos ik ervoor om de overstap naar het ziekenhuis te maken. Daardoor kijk ik nu ook met een klinische blik naar de geboortezorg. Manon – die nog steeds in een eerstelijnspraktijk werkt – trekt me nog weleens terug naar de fysiologie. Ik waardeer Manon om haar geduld, kunde en voelsprieten. In een vroeg stadium voelt zij al aan welke kant het opgaat en ze weet de vraag achter de vraag te ontdekken. Ik ben blij met haar als collega in de eerste lijn. Een verloskundige als Manon gun ik iedereen.’

‘Ik zou niet kunnen wat Esther kan’

Manon over Esther

‘We zijn hetzelfde, Esther en ik. We denken hetzelfde en voelden het zelfs toen de ander ging bevallen. Zo verrassend was het dus niet dat ook ik besloot verloskundige te worden. De omstandigheden hebben voor het verschil in loopbaan gezorgd. Ik werk nog altijd in de eerste lijn, Es in de tweede lijn. Daar hebben we het vaak over. Er is verschil tussen eerste- en tweedelijnsverloskundigen. Die omvat niet alleen de plek, maar gaat ook over meer of minder solistisch werken en het wel of niet kunnen opbouwen van een band met je cliënt. Ik heb bewondering voor hoe Esther ook het tweedelijns werken eigen heeft gemaakt. En zelfs de masteropleiding Physician Assistant heeft afgerond. Ze doet dat maar mooi als alleenstaande ouder met drie pubers. Ik zou dat nooit gekund hebben!


Twinning Buiten de Lijnen, niets is wat het lijkt…

Tekst: Tamara Warlich, 2021-04

Vol enthousiasme zijn de 22 Twins begonnen met Twinning Buiten de Lijnen. Een dynamisch proces met als doel: het versterken van de continuïteit van zorg voor zwangere vrouwen, door een verloskundige over de lijnen heen. Op een creatieve manier ontwikkelen de Twins deelprojecten. 

Het is verleidelijk om te denken dat deze deelprojecten de uitkomst van Twinning zijn. Zeker, ze zijn een mooi resultaat, maar niet de belangrijkste uitkomst. Om continuïteit van zorg door de verloskundige te bewerkstelligen, is sterk leiderschap door diezelfde verloskundige nodig en dát is het belangrijkste effect van Twinning. We vroegen twee Twins (geen Twinpaar met elkaar) naar hun kijk op het project en hun ervaringen met continuïteit van zorg. 

Maaike van der Woude
Wil je jezelf voorstellen?

Marloes: ‘Ik ben Marloes Horstink-van der Heiden, getrouwd, drie geweldige kinderen en in 1995 cum laude afgestudeerd in Antwerpen. Ik heb in het buitenland gewerkt in de eerste, tweede en derde lijn. Sinds 2015 ben ik tweedelijnsverloskundige bij OLVG West. Sinds 2019
werk ik ook als Physician Assistant klinisch verloskundige en ben ik CRM-, BLS- en NLS-trainer en kwaliteitsmedewerker binnen de unit.’ 

Maaike: ‘En ik ben Maaike van der Woude, in 2019 afgestudeerd als verloskundige bij de Verloskunde Academie in Groningen. Daarna direct gestart als eerstelijnsverloskundige en nu werkzaam bij it Bertehûs in Akkrum. Sinds een half jaar werk ik daar ook als basisechoscopist.’ 

Marloes Horstink
Waarom doe je mee met Twinning?

Marloes: ‘Als kwaliteitsmedewerker merk ik dat er nog veel meer van elkaar te leren valt en dat we samen voor de zwangere vrouwen moeten zorgen. Dus ik dacht gelijk: dit is super! Vanuit ons VSV verzorgen wij al veel projecten, dus het Twinning-project kunnen we direct goed integreren binnen ons VSV en het OLVG.’

Maaike: ‘Een oud-studiegenoot kende het Twinning-project en tipte mij. Al vanaf mijn studententijd ben ik geïnteresseerd in de samenwerking tussen eerste-, tweede- en derdelijnsverloskundigen. Dit is precies waar het Twinning-project over gaat. Ik hoop door het project meer inzicht te krijgen in hoe het komt dat verloskundigen uit de verschillende lijnen met hun expertise anders tegen onderwerpen van continuïteit van zorg aankijken. Daarnaast ben ik ook benieuwd naar de overeenkomsten die we hebben.’

Wat verwacht je ervan?

Marloes: ‘Continuïteit voor de zwangere vrouw door in elkaars keuken te kijken. Door te leren van elkaars expertise en door elkaar te inspireren en te ondersteunen.’

Maaike: ‘Ik verwacht een deelonderwerp uit te werken met mijn Twin en zo bij te dragen aan de verbetering van de continuïteit van zorg in de geboortezorg. Persoonlijk verwacht ik meer inzicht te krijgen in de mening die andere verloskundigen uit de verschillende lijnen hebben over het onderwerp ‘continuïteit van de zorg’.’

Welke ervaring heb je als het gaat om continuïteit?

Marloes: ‘Bij ons VSV draaien we veel pilots, waarbij de eerste lijn -balloninleidingen en CTG’s bij minder leven uitvoert. En we draaien een pilot met meconiumhoudend vruchtwater in de eerste lijn. We geven multidisciplinaire trainingen, samen met eerstelijnsverloskundigen en kraamverzorgsters en op de poli hebben we gedeelde zorg door de eerste en tweede lijn.’ 

Maaike: ‘Ik werk in een dorpspraktijk met een klein team van verloskundigen. Cliënten zien daardoor vaak een vast gezicht gedurende de zwangerschap, bevalling en kraamtijd. Hierdoor ben ik deelgenoot van het gehele proces en ik denk dat dit bijdraagt aan de continuïteit van de zorg. Ook binnen het VSV merk ik dat we stappen zetten door het aanpassen van zorgpaden.’

Hoe ben je al bezig met continuïteit van zorg?

Marloes: ‘Al sinds ik in het OLVG werkzaam ben, zijn we met projecten bezig.’ 

Maaike: ‘Ik denk dat we in de zorg dagelijks bezig zijn met continuïteit. Voorbeelden hiervan zijn persoonlijke zorgpaden, het meewerken aan protocollen en richtlijnen en vergaderingen met collega-praktijken en het ziekenhuis.’ 

Wat neem je mee uit de eerste twee workshops?

Marloes: ’Wat mij vooral opviel was dat ik niet de enige ben die multitasker is. Geweldig om te zien dat er meerdere verloskundigen zijn die positieve energie en zin hebben om naast hun werk extra zaken op te pakken. Iedereen verklaart me voor gek met wat ik allemaal doe, maar nu we elkaar beter leren kennen, merk ik dat ik nog meer van deze inspirerende mensen kan leren.’

Maaike: ‘De brainstormsessie is bij mij het meest blijven hangen. Die ging over onze wens voor de toekomst als het gaat om continuïteit van zorg, waarbij we uitgingen van een situatie waarin geld geen rol speelt. Door de brainstorm realiseerde ik dat we uiteindelijk allemaal hetzelfde doel voor ogen hebben, alleen verschillen we van opvatting over de weg daarnaartoe. Zolang we vanuit dat gemeenschappelijke doel verder gaan, kunnen we kijken wat we van elkaar nodig hebben om te komen tot (meer) continuïteit van zorg.’

Kun je iets vertellen over het deelproject van jou en je Twin?

Marloes: ’Ik licht een tipje van de sluier op: we gaan een escape delivery room bouwen die gericht is op teambuilding en samenwerking, en waarin de zwangere centraal staat.’ 

Maaike: ‘Mijn Twin en ik onderzoeken hoe we de continuïteit van zorg kunnen optimaliseren bij vrouwen met een sectio in de anamneses. Hoe en wat precies volgt later, maar onze wens en hoop is dat de zwangere vrouwen een vast gezicht zien en met vertrouwen hun zwangerschap, bevalling en kraambed in gaan.’

Marloes: ’Het is bijzonder om te mogen deelnemen. Ik ben trots om bij dit team te horen!’ 

De Twins nemen deel aan workshops, studiereizen, debatten en werkbezoeken en zetten kleinschalige projecten op. Hiermee ontwikkelen ze hun leiderschaps-kwaliteiten. Met twee gevalideerde methodes ‘General Self-Efficacy Scale’ 1 en ‘Most Significant Change benadering’ 2, meten we hun persoonlijke ontwikkeling.
Bronnen:
1. Schwarzer, R; Jerusalem, M. 1995 Generalized self-­efficacy Scale. In J. Weinman, S. Wright, & M. Johnston, Measures in Health Pyschology:A user’s portfolio. Causal and control beliefs (pp. 35-37). Windsor, UK.
2. Mariël Kanne, Sabrina Keinemans & Ed de Jonge. 2020. Terugblik en reflectie op de ethische dimensie van een praktijkgericht onderzoek met gebruik van de Most Significant Change-benadering. KWALON 2020 (25) 2.