'Je moet eerst weten waar je vandaan komt'
Tekst: Yvette Hoogenboom | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: Aangeleverd
Goede keuzes voor de toekomst beginnen met weten waar je vandaan komt. Daarom volgde zorggroep VIDA uit de regio Amersfoort de scholing Het verloskundig kompas van de KNOV-academie. De scholing bracht collega’s met verschillende achtergronden dichter bij elkaar en gaf nieuwe inzichten voor de toekomst. Paule Korlaar-Dijkhuizen vertelt wat dat haar en haar collega’s opleverde.
Er komen veel ontwikkelingen op ons af binnen het verloskundig samenwerkingsverband (VSV). Dat vraagt om het maken van keuzes. Maar als je niet weet waar je vandaan komt, weet je ook niet goed waar je naartoe gaat. Hoe is ons vak ontstaan? Wat kunnen we leren van de verloskundigen die ons zijn voorgegaan? En vinden we die dingen nog steeds belangrijk? Pas daarna kun je met elkaar bepalen welke koers je wilt varen. We merkten binnen de zorggroep dat we die stap terug moesten doen om verder te komen.’
Terug naar de basis
‘In onze zorggroep werken verloskundigen met verschillende achtergronden. Sommigen zijn net afgestudeerd, anderen zitten al dertig jaar in het vak. Er zijn ook collega’s die in België zijn opgeleid. Iedereen brengt daardoor een eigen perspectief mee. Dan merk je dat niet iedereen dezelfde geschiedenis kent. Collega’s die pas kort werken, weten soms niet waarom bepaalde keuzes ooit zijn gemaakt. Terwijl juist die achtergrond helpt om te begrijpen hoe uniek ons vak is. Tegelijkertijd is de frisse blik van jonge collega’s weer heel inspirerend. Die combinatie van ervaring en nieuwe ideeën maakte de gesprekken heel praktisch.’
De volgende stap
‘De scholing was speciaal voor onze zorggroep op maat gemaakt. Vooraf konden we ons voorbereiden met video’s, podcasts en achtergrondinformatie. Dat vind ik echt een meerwaarde van de KNOV-academie: je kunt de stof lezen, bekijken of beluisteren. Daardoor kon iedereen zich op een goede manier voorbereiden. Tijdens de eerste bijeenkomst deden we verschillende oefeningen rond onze beroepsidentiteit en de kernwaarden van de verloskunde. Een van die oefeningen liet mooi zien dat iedereen iets anders nodig heeft om een volgende stap te zetten. Daardoor werd ook zichtbaar waarom collega’s soms verschillend naar dezelfde ontwikkeling kijken. Dat zorgde voor mooie gesprekken. Je merkt hoeveel je van elkaar kunt leren als je echt de tijd neemt om naar elkaars perspectief te luisteren.’
Meer begrip voor elkaar
‘Tijdens een gewone vergadering bespreek je vooral de praktische zaken. Bij de scholing hadden we de tijd om in te zoomen. Het was fijn om gezamenlijk het gesprek aan te gaan. Zo kregen we meer begrip voor elkaar en voor de verschillende perspectieven binnen de groep. Ik denk dat het ook veel toegevoegde waarde kan hebben om tweedelijnsverloskundigen bij de scholing aan te laten haken.’
'Het bleef niet bij één inspirerende bijeenkomst'

Het gesprek gaat verder
‘Na de eerste bijeenkomst stopte het gesprek niet. Tijdens onze algemene ledenvergadering kwamen de onderwerpen terug. De reacties waren heel positief en collega’s wilden er graag mee verder. We hebben samen gekeken: hoe willen we hier nu verder mee? We spraken af om een KNOV-webinar te bekijken, een online bijeenkomst te plannen en tijdens de tweede scholingsdag verder te werken aan onze gezamenlijke koers. Ook kwam het idee om de geschiedenis van ons VSV eens in kaart te brengen. Dat helpt nieuwe collega’s om beter te begrijpen waarom bepaalde keuzes in het verleden zijn gemaakt. Dat deden we echt voor onszelf als zorggroep. We wilden niet wachten tot er een ingewikkelde vraag op ons afkwam, maar juist nu met elkaar bepalen welke kant we op willen. De scholing gaf ons handvatten om dit gesprek te voeren. Het bleef dus niet bij één inspirerende bijeenkomst, maar werd echt het begin van een gezamenlijk proces.’
Goed voorbereid zijn
‘We hebben deze scholing niet gevolgd omdat er iets mis was of omdat we een probleem wilden oplossen. Juist niet. We wilden ons als zorggroep goed voorbereiden op de stappen die de komende jaren op ons afkomen. De scholing is heel enthousiast ontvangen en gaf ons niet alleen handvatten voor dit vraagstuk, maar ook voor andere onderwerpen waarover je als zorggroep met elkaar in gesprek wilt. Voor mij is dat de kracht van de scholing: je voert het goede gesprek voordat je voor lastige keuzes komt te staan. Zo bereid je je samen voor op de toekomst van de verloskunde.’


Climate Change and Midwifery Is the Profession Ready?
Tekst: Jutharat Attawet PhD, 2026-3
Beeld: Shutterstock
Climate change is no longer a distant environmental concern: heatwaves, air pollution and extreme weather events are increasingly affecting pregnancy and birth outcomes. But are midwives prepared for this emerging challenge? Jutharat Attawet and her team reviewed the global evidence on midwives’ climate-related knowledge and preparedness. Their conclusion: awareness is growing, but much more is needed in education, clinical guidance and organisational support.
Climate change is no longer a future environmental challenge1; it is a current and growing threat to maternal and newborn health. Across the world, rising temperatures, prolonged heatwaves, worsening air quality, floods, bushfires and other extreme weather events are increasingly affecting pregnancy, birth and the delivery of maternity care. As these environmental changes become more frequent, they are creating new responsibilities for healthcare professionals, particularly midwives, who provide continuity of care throughout pregnancy, birth and the postnatal period.
Pregnant women and newborns are among the populations most vulnerable to climate-related health risks. Physiological changes during pregnancy reduce the body’s ability to regulate heat, while the developing fetus is particularly sensitive to environmental exposures2. A growing body of evidence has linked extreme heat with adverse pregnancy outcomes, including preterm birth, hypertensive disorders of pregnancy, low birth weight and stillbirth3. Exposure to poor air quality, including bushfire smoke and urban air pollution, has also been associated with fetal growth restriction and preterm birth4. Climate-related disasters may further disrupt access to maternity services, delay antenatal care and increase psychological stress for women and families5.
'A growing body of evidence has linked extreme heat with adverse pregnancy outcomes'
Recognising these risks, the World Health Organization has identified climate change as one of the greatest threats to global health and has called for climate-resilient health systems that protect vulnerable populations, including pregnant women and newborns5-7. The Lancet Countdown on Health and Climate Change has similarly highlighted the growing health impacts of climate change and the urgent need for health professionals to support adaptation and resilience8.
For midwives, climate change represents more than an environmental issue; it is becoming part of everyday clinical practice. Women are increasingly seeking advice about staying safe during heatwaves, reducing exposure to poor air quality and planning maternity care during extreme weather events. Supporting women to manage these risks is a natural extension of midwifery’s role in health promotion and disease prevention. However, this raises an important question: are midwives adequately prepared to respond?
'Effective climate-responsive maternity care also requires appropriate knowledge, resources and supportive healthcare systems'
Looking beyond pregnancy outcomes
Much of the existing research has focused on how climate change affects pregnancy and newborn health. While this evidence is essential, considerably less attention has been paid to whether the maternity workforce has the knowledge, confidence and organisational support needed to respond to these emerging challenges.
To address this gap, our research team conducted a scoping review, recently published in Women and Birth9, to map the available evidence on midwives’ preparedness for climate change and maternal and child health. Following the Joanna Briggs Institute methodology, we systematically searched six international databases for studies examining midwives’ knowledge and preparedness related to climate change.
What did our review find?
Our scoping review identified only five studies10-14 examining midwives’ preparedness for climate change, highlighting a significant gap in the evidence. Although research increasingly demonstrates the effects of climate change on maternal and newborn health, much less attention has been given to whether the maternity workforce is equipped to respond.
Across the included studies, midwives consistently recognised climate change as an emerging maternal and newborn health issue and acknowledged their professional responsibility to support women and families. However, preparedness was variable. Participants reported barriers including limited climate-related education, insufficient continuing professional development, inconsistent access to clinical guidance and variable organisational support. These findings suggest that awareness alone is insufficient; effective climate-responsive maternity care also requires appropriate knowledge, resources and supportive healthcare systems.
The review also revealed important inconsistencies in how climate change-related events were defined across the literature. Terms such as ‘heatwave’, ‘extreme heat’ and other climate-related hazards were described using different criteria and thresholds, reflecting variations in local climate, geography and policy. While these differences may be appropriate for individual settings, the absence of globally consistent definitions makes it difficult to compare findings across studies, synthesise evidence and establish a clear understanding of climate-related risks during pregnancy.
This inconsistency also has downstream implications for research, education and clinical practice. Without common definitions, developing standardised educational content, comparing workforce preparedness across countries and producing evidence-based clinical guidelines becomes more challenging. Consequently, healthcare professionals may receive inconsistent recommendations about when climate-related events pose significant risks to pregnant women and what actions should be taken. Establishing internationally agreed definitions and reporting standards, while
allowing flexibility for local implementation, would strengthen future research and provide a more robust foundation for climate-responsive maternity care.
At the same time, the review demonstrated that preparedness cannot rely on a one-size-fits-all approach. The climate-related challenges faced by midwives differed according to local environmental conditions, healthcare systems and population needs. For example, some studies focused on the effects of extreme heat, whereas others emphasised air pollution, food insecurity or disaster preparedness. These differences suggest that climate-responsive maternity care requires both internationally consistent evidence and locally relevant implementation. Establishing shared competencies for climate-related maternal health, while allowing flexibility to address local priorities, may provide a stronger foundation for education, clinical practice and future research.
'Preparing the workforce therefore requires coordinated action across education, clinical practice and policy'
Moving from evidence to action
The findings of this review have important implications for the future of midwifery practice. As climate-related events become more frequent, midwives will increasingly be expected to support women in managing environmental health risks during pregnancy. Preparing the workforce therefore requires coordinated action across education, clinical practice and policy.
Climate change should be embedded within undergraduate education and continuing professional development to ensure that all midwives develop core knowledge and skills in climate-related maternal and newborn health. This should be supported by evidence-based clinical guidelines, patient education resources and organisational policies that enable climate-related discussions to become part of routine maternity care rather than exceptional circumstances.
Professional organisations, healthcare services and researchers also have important roles in strengthening climate-responsive maternity care. Future work should focus not only on improving workforce preparedness but also on developing more consistent approaches to defining climate-related hazards, evaluating educational interventions and translating evidence into clinical practice. Strengthening the evidence base in these areas will help ensure that midwives are equipped with practical, reliable and contextually relevant guidance.
For Dutch midwives, these findings are particularly timely. Europe is experiencing increasingly frequent heatwaves and other climate-related events, making environmental health an increasingly important aspect of maternity care15,16. By strengthening climate literacy and integrating climate-responsive care into existing models of woman-centred practice17, the profession can continue to play a leading role in protecting the health of women, newborns and families in a changing climate.
'Climate change is reshaping maternity care'
Conclusion
Climate change is reshaping maternity care, and midwives will increasingly play a central role in helping women and families adapt to its health impacts. Our scoping review demonstrates that although midwives recognise climate change as an important maternal and newborn health issue, preparedness remains variable and is influenced by education, organisational support and the availability of clinical guidance.
Strengthening workforce preparedness requires more than increasing awareness. It calls for consistent educational standards, evidence-based clinical resources and policies that support climate-responsive maternity care while remaining adaptable to local contexts. By investing in these areas, the midwifery profession will be better equipped to protect the health of women, newborns and future generations in a changing climate.
References:
1. Islam MS, Fang T, Oldfield C, Larpruenrudee P, Beni HM, Rahman MM, et al. Heat wave and bushfire meteorology in New South Wales, Australia: air quality and health impacts. International journal of environmental research and public health. 2022;19(16):10388.
2. Fan W, Zlatnik MG. Climate Change and Pregnancy: Risks, Mitigation, Adaptation, and Resilience. Obstetrical & Gynecological Survey. 2023;78(4).
3. Chersich MF, Pham MD, Areal A, Haghighi MM, Manyuchi A, Swift CP, et al. Associations between high temperatures in pregnancy and risk of preterm birth, low birth weight, and stillbirths: systematic review and meta-analysis. bmj. 2020;371.
4. Bekkar B, Pacheco S, Basu R, DeNicola N. Association of air pollution and heat exposure with preterm birth, low birth weight, and stillbirth in the US: a systematic review. JAMA network open. 2020;3(6):e208243.
5. World Health Organization (WHO). Climate change: WHO; 2023 [Available from: who.int/news-room/fact-sheets/detail/climate-change-and-health.
6. World Health Organization (WHO). Experts warn of serious health impacts from climate change for pregnant women, children, and older people: WHO; 2024 [Available from: who.int/news/item/05-06-2024-experts-warn-of-serious-health-impacts-from-climate-change-for-pregnant-women--children--and-older-people.
7. World Health Organization (WHO). WHO calls for global expansion of midwifery models of care: WHO; 2025 [Available from:who.int/news/item/18-06-2025-who-calls-for-global-expansion-of-midwifery-models-of-care?.
8. Romanello M, Walawender M, Hsu S-C, Moskeland A, Palmeiro-Silva Y, Scamman D, et al. The 2024 report of the Lancet Countdown on health and climate change: facing record-breaking threats from delayed action. The Lancet. 2024;404(10465):1847-96.
9. Attawet J, Bhandari P, Lewis T, Wang C, Qiu Y. Midwives’ preparedness for climate change impacts on maternal and child health: A scoping review. Women and Birth. 2025;38(6):102112.
10. Nantanda R, Buteme S, van Kampen S, Cartwright L, Pooler J, Barton A, et al. Feasibility and acceptability of a midwife-led health education strategy to reduce exposure to biomass smoke among pregnant women in Uganda, A FRESH AIR project. Global Public Health. 2019;14(12):1770-83.
11. Cartwright LL, Callaghan LE, Jones RCM, Nantanda R, Fullam J. Perceptions of long-term impact and change following a midwife-led biomass smoke education program for mothers in rural Uganda: A qualitative study. Rural and Remote Health. 2022;22(1):1-15.
12. Baharav Y, Nichols L, Wahal A, Gow O, Shickman K, Edwards M, et al. The Impact of Extreme Heat Exposure on Pregnant People and Neonates: A State of the Science Review. Journal of Midwifery & Women’s Health. 2023;68(3):324-32.
13. Monteblanco AD, Vanos JK. Community-based maternal health workers’ perspectives on heat risk and safety: a pilot qualitative study. Health Care for Women International. 2021;42(4-6):657-77.
14. Dağlı E, Reyhan FA, Kırca AŞ. Midwives’ views about the effects of climate change on maternal and child health: A qualitative study. Women and Birth. 2024;37(2):451-7.
15. Ballester J, Quijal-Zamorano M, Méndez Turrubiates RF, Pegenaute F, Herrmann FR, Robine JM, et al. Heat-related mortality in Europe during the summer of 2022. Nature Medicine. 2023;29(7):1857-66.
16. Smid M, Russo S, Costa AC, Granell C, Pebesma E. Ranking European capitals by exposure to heat waves and cold waves. Urban Climate. 2019;27:388-402.
17. Brady S, Gibbons KS, Bogossian F. Defining woman-centred care: A concept analysis. Midwifery. 2024;131:103954.
Wat vinden verloskundig zorgverleners van het beleid bij 41 weken?
Tekst: Anna Seijmonsbergen-Schermers, 2026-3
Beeld: Aangeleverd
In 2021 werd de landelijke multidisciplinaire richtlijn Beleid zwangerschap vanaf 41 weken gepubliceerd1. Sindsdien wordt geadviseerd om vanaf 41 weken een inleiding van de baring aan te bieden, naast de mogelijkheid om af te wachten. Aanbevolen wordt om deze keuze middels uitgebreide counseling aan te bieden aan zwangere vrouwen met een eenling in hoofdligging. Maar wat vinden verloskundig zorgverleners in Nederland van dit beleid en in hoeverre wordt dit beleid nageleefd?
Van november 2023 tot en met juni 2024 werd in Nederland een grote vragenlijst uitgezet, waarmee de mening van zorgverleners over de richtlijn en de naleving van de aanbevelingen werden onderzocht. Daarnaast werd de ervaren impact van de richtlijn geïnventariseerd.
De vragenlijst bestond uit 7 delen:
1. Algemene informatie over het onderzoek, de richtlijn en toestemming.
2. Bekendheid met het bestaan van de aanbevelingen in de richtlijn.
3. Mening over en naleving van de aanbevelingen in de richtlijn.
4. Gezamenlijke besluitvorming: naleving van de aanbevelingen over gezamenlijke besluitvorming in de richtlijn en de inhoud van de gesprekken.
5. Verwachte uitkomsten en impact van de aanbevelingen op de praktijk.
6. Kenmerken van de deelnemers.
7. Algemene houding ten opzichte van bevallen als natuurlijk of medisch proces, gemeten met de gevalideerde Birth Beliefs Scale (BBS)².
Overeenstemming en naleving
De vragenlijst werd door 643 zorgverleners voor minstens 25% ingevuld, waarvan 497 de lijst volledig invulden. Van de 643 zorgverleners was 53% eerstelijnsverloskundige, 29% gynaecoloog/arts-assistent en 19% klinisch verloskundige. Zij vertegenwoordigden 11,6% van alle werkende gynaecologen en 11,2% van alle werkende verloskundigen in Nederland.
'Gynaecologen hadden over het algemeen een hogere overeenstemming met en naleving van de aanbevelingen'
Over het algemeen was het merendeel van de zorgverleners het eens met de aanbevelingen uit de richtlijn (zie figuur 1). Gynaecologen waren het meest positief over de aanbevelingen, gevolgd door klinisch verloskundigen en daarna eerstelijnsverloskundigen (zie figuur 2).
Er was 72% overeenstemming met en 87% naleving van de eerste aanbeveling uit de richtlijn: ‘Bied de mogelijkheid van inleiding aan vanaf 41 weken naast de mogelijkheid om af te wachten’. Ook was 92% het eens met de aanbeveling ‘bespreek de voor- en nadelen’ en paste 89% deze aanbeveling toe in de praktijk. Met de aanbeveling ‘benoem de effecten op perinatale uitkomsten zoals perinatale sterfte en NICU-opnames’ was slechts 67 procent het eens en 63% was het eens met de aanbeveling ‘benoem het mogelijk verhoogde risico voor nullipara ten opzichte van multipara’. De naleving van deze aanbevelingen was ook lager, respectievelijk 59% en 43%. Terwijl 56% het eens was met de aanbeveling om keuzekaarten te gebruiken, leefde 40% deze aanbeveling ook daadwerkelijk na.
Terwijl 92% bekend was met module 1 van de richtlijn (R1.1 en R1.2), was slechts 68% bekend met module 2 (R2.1 en R2.2). De naleving van deze aanbevelingen over monitoring was dan ook lager, respectievelijk 49% en 44%.
Aan de 172 zorgverleners die het niet eens waren met de eerste aanbeveling werd gevraagd wat hun voorkeur zou zijn (tabel 1). Dit waren voornamelijk eerstelijnsverloskundigen, waarbij vaak voorkeur uitging naar afwachtend beleid tot 42+0 weken.

Geassocieerde factoren
Vervolgens werd onderzocht welke factoren samenhangen met de overeenstemming en naleving van de aanbevelingen. Professie, de Birth Beliefs Scale en de algemene houding van zorgverleners tegenover richtlijnen hingen het sterkst samen met de overeenstemming met de aanbevelingen. Voor de naleving van de aanbevelingen waren dat professie, de algemene houding van zorgverleners tegenover richtlijnen en bekendheid met de richtlijn.
Gynaecologen hadden over het algemeen een hogere overeenstemming met en naleving van de aanbevelingen. Zorgverleners die in het algemeen positief staan tegenover richtlijnen, bleken het vaker eens te zijn met de aanbevelingen en deze ook vaker na te leven. Ongeacht de professie bleek ook een medische opvatting over zwangerschap en geboorte (gemeten met de Birth Beliefs Scale) samen te hangen met meer overeenstemming met de aanbevelingen. Bekendheid met de richtlijn en het zorgvuldig lezen ervan worden geassocieerd met een betere naleving van de aanbevelingen.

Ervaren impact
Er was aanzienlijke onzekerheid onder de zorgverleners (45%) over de voordelen van de richtlijn voor moeders en neonaten. Slechts 17% geloofde in maternale voordelen en 20% in neonatale oordelen (figuur 1). Over het algemeen waren eerstelijnsverloskundigen het meest negatief over de impact, gevolgd door klinisch verloskundigen. Gynaecologen waren het meest positief (figuur 2). De meeste zorgverleners (64%) zagen voordelen van de richtlijn voor cliëntgerichte zorg en 42% zag organisatorische voordelen. Aan de andere kant rapporteerde 47% een toegenomen mate van angst en/of minder vertrouwen bij vrouwen. Ook gaf 63% aan dat de richtlijn leidt tot meer medicalisering en 57% tot meer capaciteitsproblemen. Deze meningen waren prominenter aanwezig bij eerstelijnsverloskundigen en veel minder bij gynaecologen. Ondanks deze ervaren impact gaf de meerderheid (61%) aan dat de regionale capaciteit voldoende was om deze zorg te kunnen bieden. Eerstelijnsverloskundigen gaven het vaakst aan capaciteitsproblemen te ervaren. Ook gaf 48% van de zorgverleners aan dat ze veranderingen in de zorg ervoeren voor vrouwen die nog niet 41 weken zwanger waren: verloskundigen ervoeren hier vaker een verslechtering en gynaecologen vaker een verbetering. Ook ervoer 31% persoonlijke impact door de richtlijn, waarbij deze impact bij de meesten negatief was. Het vertrouwen in de richtlijnwerkgroep was hoog onder alle drie de groepen (72%).
Interpretatie en conclusie
Ondanks aanzienlijke onzekerheid onder zorgverleners over de positieve uitkomsten van de aanbevelingen voor vrouwen en baby’s, stemde het merendeel van de zorgverleners in met het aanbieden van inleiding van de baring bij 41 weken naast de optie van expectatief beleid. De grote meerderheid hield zich aan deze aanbeveling. De implementatie van specifieke aspecten van de richtlijn in de dagelijkse praktijk was echter opvallend lager bij alle zorgverleners. Denk hierbij aan het gebruik van keuzehulpen, het gedetailleerd bespreken van perinatale uitkomsten, differentiatie naar pariteit en de beperkingen van monitoring. Het beroep van de zorgverlener was de meest bepalende factor voor de mate van overeenstemming met en naleving van de aanbevelingen. Over het algemeen uitten eerstelijnsverloskundigen minder gunstige opvattingen over de richtlijn en de verwachte impact ervan, wat resulteerde in een lagere nalevingsgraad. Klinisch verloskundigen volgden een vergelijkbare trend, zij het in mindere mate. Gynaecologen daarentegen hadden de meest positieve houding tegenover en de hoogste nalevingsgraad van de richtlijn. Daarnaast beïnvloedden opvattingen over bevallen als natuurlijk dan wel medisch proces de mate van overeenstemming met de aanbevelingen, ongeacht de professionele achtergrond. Tot slot werd het zorgvuldig lezen van de richtlijn positief geassocieerd met de naleving ervan.
'Slechts 67% ondersteunde het specificeren van perinatale uitkomsten'
De resultaten suggereren dat het type aanbeveling invloed had op de naleving. De aanbeveling om keuzeopties aan te bieden is relatief eenvoudig te implementeren en de naleving is zichtbaarder voor de omgeving. Naleving van de meer gedetailleerde aanbevelingen over gezamenlijke besluitvorming is tijdrovender en minder zichtbaar voor de omgeving. Hoewel vrijwel alle deelnemers het erover eens waren dat de voor- en nadelen van de keuzemogelijkheden besproken dienen te worden, steunde slechts 67% het specificeren van perinatale uitkomsten. Uit de literatuur over risicocommunicatie blijkt dat het presenteren van numerieke gegevens het begrip van kansen vergroot en overschatting van risico’s vermindert, vergeleken met het gebruik van kwalitatieve beschrijvingen3. Het gebruik van keuzehulpen en het specificeren van perinatale uitkomsten per keuzeoptie worden aanbevolen in de richtlijn om de duidelijkheid te vergroten en geïnformeerde besluitvorming te ondersteunen. Daarnaast uitte 45% van alle deelnemers onzekerheid over de vraag of de richtlijn leidt tot verbeterde maternale of perinatale uitkomsten, wat mogelijk verklaard wordt door de tegenstrijdige resultaten in de literatuur. De onderzoekers adviseren om de verschuiving in het beleid rondom 41 weken verder te evalueren, met als doel om meer inzicht te krijgen in de daadwerkelijke impact van deze nationale beleidswijziging en zorgverleners meer zekerheid te bieden over het meest optimale beleid.

Wat betekent dit voor jou?
Als verloskundige heb je te maken met de richtlijn Beleid zwangerschap vanaf 41 weken. Het is belangrijk om deze multidisciplinaire landelijke richtlijn na te leven. Dat betekent echter niet alleen dat je zwangeren de mogelijkheid biedt om ingeleid te worden bij 41 weken. Het betekent ook dat er een gedegen counselingsgesprek plaatsvindt, waarbij alle relevante informatie expliciet en volledig aan de orde komt. Daarbij gaat het om het gebruik van de keuzekaarten, het concretiseren van de cijfers over perinatale uitkomsten per keuzeoptie, het bespreken van de voor- en nadelen van de keuzeopties, en het differentiëren tussen nulliparae en multiparae. Ook is het belangrijk om de kanttekeningen bij foetale monitoring te bespreken.
Omdat vooral module 2 bij velen onbekend is, is het aan te bevelen om de richtlijn nog eens goed te lezen, met extra aandacht voor de wat meer onderbelichte aanbevelingen. Wees je daarnaast bewust van de invloed van je eigen opvattingen op naleving van de aanbevelingen en daarmee ook op de zorg die je aan de cliënt biedt. Het is verstandig om hier transparant over te zijn.
Als je toegenomen capaciteitsproblemen ervaart als gevolg van de richtlijn, is het goed om dit bespreekbaar te maken binnen de beroepsvereniging en het VSV en om naar gezamenlijke oplossingen te kijken. Wees tot slot alert op veranderingen in de zorg vóór 41 weken, omdat zorgverleners een verslechtering signaleerden in de zorg voor vrouwen die nog geen 41 weken zwanger zijn.
In de tussentijd onderzoeken onderzoekers verder wat de invloed van dit beleid is op maternale en neonatale uitkomsten en op de zorgcapaciteit, zodat dit in een herziening van de richtlijn meegenomen kan worden.
Bronnen:
1. Federatie Medisch Specialisten. Beleid zwangerschap vanaf 41 weken 2021. Available from: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/beleid_zwangerschap_ 41_weken/beleid_zwangerschap_vanaf_41_weken.html.
2. Zondag DC, van Haaren-Ten Haken TM, Offerhaus PM, Mestdagh E, Scheepers HCJ, Nieuwenhuijze MJ. Validation of the Birth Beliefs Scale for maternity care professionals in The Netherlands. J Psychosom Obstet Gynaecol. 2024;45(1):2392160.
3. Zipkin DA, Umscheid CA, Keating NL, Allen E, Aung K, Beyth R, et al. Evidence-based risk communication: a systematic review. Ann Intern Med. 2014;161(4):270–80.
Geslaagd!
Tekst: Academies, 2026-3
In het studiejaar 2025-2026 is een nieuwe lichting verloskundigen afgestudeerd. Van harte gefeliciteerd met deze prestatie en welkom in ons mooie vak!
Academie Verloskunde – Amsterdam en Groningen (AVAG)
Groningen
Irene
Élise
Linde
Hilde
Lisanne
Susan
Anna
Carolien
Femke
Annelies
Pascalle
Marit
Sterre
Lina
Femke
Denise
Sophie
Luca
Madelief
Vera
Bente
Tosca
Rozemarijn
Iris
Ruth
Nynke
Demi
Miriam
Iza
Hannah
Annefleur
Sophie
Mirthe
Lisa
Lynn
Femke
Amsterdam
Jamie
Britt
Brigith
Chantal
Isa
Puck
Melissa
Anne
Emma
Femke
Ilse
Charity
Wivineke
Renske
Loïs
Isabel
Madou
Noa
Marit
Annelies
Kyla
Simone
Larissa
Renee
Kinza
Inge
Fenna
Loena
Anouk
Fleur
Marjolein
Noa
Romy
Anne
Yentl
Laura
India
Lotte
Lidewij
Babet
Franca
Dorien
Femke
Florien
Heidy
Judith
Lexi
Luca
Maryse
Ramona
Stassy
Wendy
Verloskunde Academie Rotterdam
Indira
Sophie
Saskia
Emma
Eva
Rianke
Elise
Nursena
Rhodé
Laura
Francis
Beti
Maria
Pam
Lotte
Floor
Jade
Rhodé
Sabrina
Fee
Rebecca
Felicia
Jessica
Morsal
Fee
Sylvie
Tinka
Paula
Marieke
Margot
Germainy
Eva
Marlinde
Anouk
Wendy
Deyanira
Anika
Yvana
Jinaan
Linsey
Aimée
Lisa
Marja
Fleur
Lauren
Melanie
Liv
Rhona
Aya
Femke
Lianne
Tara M
Fatma
Chiara
Esmee
Claudia
Miranda
Sabine
Vivian
Julia
Academie Verloskunde Maastricht (AVM)
Britte
Sterre
Emma
Wydiënne
Sandra
Dieuwke
Kayleigh
Aniek
Latifa
Anouk
Juliëtte
Maud
Finette
Marly
Neeltje
Eva
Anna
Sophie
Dyonne
Rian
Evi
Vera
Merel
Mirre
Jade
Britt
Floor
Esmée
Helen
Fjenne
Bente
Anouk
Belle
Sterre
Suzanne
Madelief
Julia
Janneke
Tessel
Inge
Laukje
Fleur
Joyce
Erna
Marjolein
Bente
Saskia
Lianne
Talitha
Lola
Nina
Soleil
Desiree
Saffrijn
Merel
Zoe
Lieke
Iris
Laura
Tess
Anne-Sophie
Juul
Paula
Silke
Anne Roos
Roos
Melanie
Sophie
Samen werken aan meer uniformiteit
Platform Protocollen moet verloskundigen verbinden en ondersteunen
Tekst: Eline Wortman | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Hoe zorg je ervoor dat regionale protocollen beter aansluiten op landelijke richtlijnen? En hoe zorg je ervoor dat niet elke regio opnieuw hetzelfde protocol ontwikkelt? Met het nieuwe Platform Protocollen wil de KNOV verloskundigen verbinden, kennis bundelen en signalen uit de praktijk vertalen naar landelijk beleid.
Het idee voor het Platform Protocollen ontstond tijdens de Algemene Ledenvergadering van de KNOV in november 2024. Een lid stelde daar een vraag die bij veel collega’s herkenning opriep: is het niet mogelijk om regionale protocollenwerkgroepen met elkaar te verbinden? Zo zouden verloskundigen minder dubbel werk hoeven doen en sneller van elkaar kunnen leren.
Die vraag bleek breed te leven. De KNOV organiseerde in 2025 een webinar voor verloskundigen die betrokken zijn bij protocolontwikkeling. Daar deelden verloskundigen hun ervaringen en uitdagingen. Volgens KNOV-beleidsadviseur richtlijnontwikkeling Sophie Dekker ontstond het platform vanuit een duidelijke behoefte van leden. ‘Zij gaven aan dat ze elkaar willen kunnen vinden en ondersteunen bij protocolontwikkeling.’
Bevorderen van de regionale samenwerking
De KNOV wil voorkomen dat regio’s onnodig van elkaar gaan verschillen. Door kennis en protocollen te delen én de verbinding met landelijke richtlijnen te leggen, kunnen regionale afspraken beter op elkaar aansluiten en ontstaat meer uniformiteit. ‘Verloskundigen die protocollen ontwikkelen, ervaren vaak een toenemende werkdruk. We hopen te voorkomen dat iedereen steeds opnieuw het wiel moet uitvinden. Misschien heeft een andere regio hetzelfde vraagstuk allang opgelost. Dan is het zonde als je daar opnieuw veel tijd in steekt’, vertelt Sophie. Het doel van het platform is om leden met elkaar te verbinden, zodat zij elkaar kunnen vinden en ondersteunen bij protocollenontwikkeling. Het platform is meer dan een plek om protocollen te delen. Door ervaringen uit de praktijk samen te brengen, wordt ook zichtbaar waar kennishiaten zijn en waarover landelijke richtlijnen ontbreken of waar richtlijnen niet-toereikend zijn. ‘Als er hiaten zijn in het andelijke beleid, horen we dat graag. Dan kunnen wij bekijken of daar op termijn landelijke richtlijnontwikkeling nodig is, in plaats van dat elke regio zelf oplossingen gaat bedenken.’ Zo helpt het platform verloskundigen elkaar te ondersteunen en levert het waardevolle input voor de verdere ontwikkeling van landelijk beleid.
Verbinding facilliteren
Het nieuwe Platform Protocollen bouwt voort op de bestaande digitale KNOV-platforms. Waar die vooral zijn ingericht rond werksettings, zoals praktijkhouders, klinisch verloskundigen en studenten, is dit platform juist inhoudelijk van aard. Iedere verloskundige kan aansluiten, ongeacht de werksetting. Leden kunnen er vragen stellen rondom protocollen en ervaringen delen. De KNOV deelt er bovendien updates over landelijke kwaliteitsdocumenten. Ook worden bijeenkomsten rond actuele thema’s georganiseerd.
De vereniging beoordeelt of accordeert gedeelde protocollen niet. Sophie: ‘Het platform is van de verloskundigen zelf. Wij faciliteren de verbinding en leggen de link met het landelijke beleid.’ Juist die ruimte stimuleert verloskundigen om kennis met elkaar te delen.
Sterker in de regio
Verloskundigen lopen regelmatig tegen dezelfde vragen aan. Hoe houd je protocollen actueel? Hoe zorg je dat regionale afspraken aansluiten bij landelijke richtlijnen? En hoe voorkom je dat er een wirwar aan werkafspraken ontstaat? Daarnaast verschillen interpretaties van wetenschappelijk onderzoek soms tussen disciplines, bijvoorbeeld tussen verloskundigen en medisch specialisten. Dat maakt gezamenlijke protocolontwikkeling niet altijd eenvoudig.
Door kennis te delen, hoeven regio’s minder zelf uit te zoeken en ontstaat meer uniformiteit. Volgens Sophie versterkt dat uiteindelijk ook de positie van verloskundigen in de geboortezorg.’ ‘Als je steviger staat in de protocollen die je gebruikt of ontwikkelt, ben je ook een sterkere gesprekspartner voor andere partijen in de geboortezorg. Dat komt de professionele autonomie uiteindelijk ten goede.’
'Het platform is ontstaan vanuit een behoefte van leden'
Het platform is inmiddels beschikbaar en in de komende maanden wordt de eerste platformbijeenkomst gepland. De ambitie is om zoveel mogelijk verloskundigen aan te laten sluiten en actief kennis te laten delen. Sophie hoopt dat verloskundigen elkaar over een jaar goed kunnen vinden rondom protocolontwikkeling. ‘Er is al ontzettend veel kennis aanwezig. Het zou mooi zijn als iemand in Friesland straks eenvoudig gebruik kan maken van een oplossing die collega’s in Noord-Brabant al hebben bedacht.’

Medicatie tijdens de zwangerschap: waarom de standaarddosering niet altijd de juiste is
Tekst: Dagmar Hiensch, Caroline Dibbets, Dr. Vera Bukkems, Prof. Liesbeth Scheepers, Prof. Saskia de Wildt
Beeld: Shutterstock, 2026-2
Drie op de vier vrouwen in Nederland gebruikt weleens een medicijn tijdens de zwangerschap.¹ Toch is voor veel geneesmiddelen nog onvoldoende bekend welke dosering in deze periode veilig en effectief is. Project Madam, een samenwerking tussen het Radboudumc, MUMC+ en Moeders van Morgen Lareb, wil dit veranderen door onderzoek te doen naar de juiste geneesmiddeldosering voor zwangeren. Dit blijkt vaak een andere dosering te zijn dan die in de praktijk aan zwangeren wordt voorgeschreven.
Wat verandert er tijdens de zwangerschap en waarom is er zo weinig bekend?
Tijdens de zwangerschap verandert het lichaam van de zwangere ingrijpend om de groei en ontwikkeling van de foetus te ondersteunen. Deze veranderingen beïnvloeden ook hoe geneesmiddelen in het lichaam worden opgenomen, verdeeld en uitgescheiden.
Zo werken de nieren harder, waardoor het lichaam geneesmiddelen sneller kan uitscheiden. Ook verandert de activiteit van enzymen in de lever die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van medicatie. Hierdoor worden sommige geneesmiddelen sneller afgebroken, terwijl andere juist langer in het lichaam blijven. Daarnaast neemt het bloedvolume toe, waardoor geneesmiddelen meer verdund raken en zich anders over het lichaam verdelen.²
Door deze veranderingen kan de concentratie van geneesmiddelen in het bloed tijdens de zwangerschap afwijken van die vóór de zwangerschap. Dit kan leiden tot een verminderde werking of tot een verhoogd risico op bijwerkingen en toxiciteit bij de moeder of de foetus. Daarnaast is voor veel medicijnen nog niet bekend hoeveel van het geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Toch worden zwangeren vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek. Hierdoor ontbreekt belangrijke kennis over veilige en effectieve doseringen in deze groep.³

Hoe wordt de juiste dosering bepaald?
Project Madam richt zich daarom op het vinden van de juiste dosering van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Onderzoekers analyseren beschikbare literatuur over de concentratie van medicatie in het bloed van zwangeren en over de werking en veiligheid van deze geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar hoeveel van een geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Dit wordt onderzocht met placenta’s die na de bevalling beschikbaar komen.
Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar zwangeren, wordt er ook gebruik gemaakt van computermodellen, zogenaamde physiology-based pharmacokinetic (PBPK)-modellen. Deze modellen bootsen het lichaam van de zwangere na en voorspellen hoeveel van het geneesmiddel aanwezig is in het lichaam van de moeder en soms ook in de foetus.4 Deze informatie wordt gebruikt om het doseeradvies te ondersteunen.
De verzamelde informatie wordt kritisch beoordeeld en besproken in een multidisciplinaire expertgroep. Deze groep bestaat uit onder andere gynaecologen, internisten, kinderartsen, apothekers, toxicologen, huisartsen, verloskundigen en patiëntvertegenwoordigers. De KNOV was betrokken bij de expertgroep. Zij wegen de voor- en nadelen van de aangepaste dosering af voor zowel moeder als kind. Na goedkeuring worden de doseeradviezen gepubliceerd op de websites van Moeders van Morgen Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas, zodat zorgverleners deze in de praktijk kunnen toepassen.
'Zwangeren worden vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek, waardoor belangrijke kennis ontbreekt over veilige en effectieve doseringen'
Voorbeeld: amoxicilline
Amoxicilline is een veelgebruikt antibioticumtijdens de zwangerschap. In de praktijk krijgen zwangeren vaak een dosering van 500 mg drie keer per dag, terwijl bij niet-zwangeren regelmatig hogere doseringen worden gebruikt.
Omdat de nieren tijdens de zwangerschap sneller werken, wordt amoxicilline sneller uitgescheiden. Onderzoek laat zien dat de blootstelling aan amoxicilline met ongeveer 15 tot 25% afneemt tijdens de zwangerschap.5
Daarom wordt bij milde tot matige infecties geadviseerd om de hoogste dosering binnen de gebruikelijke doseerrange te gebruiken. Het onderzoek van Project Madam laat bovendien zien dat bij bepaalde indicaties, zoals preventief antibioticagebruik bij vroegtijdig gebroken vliezen, een hogere dosering nodig is om effectieve spiegels te bereiken. Voor de preventie van early-onset neonatale sepsis (EONS) lijkt de standaarddosering daarentegen wel voldoende om effectieve spiegels te behalen. In alle gevallen blijft het belangrijk om infecties tijdens de zwangerschap adequaat te behandelen. De voordelen hiervan wegen doorgaans op tegen de mogelijke nadelen van een hogere dosering.
Voorbeeld: labetalol
Labetalol is het eerste keus geneesmiddel bij de behandeling van zwangerschapshypertensie. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van het enzym in de lever dat labetalol afbreekt. Hierdoor breekt het lichaam dit geneesmiddel sneller af, wat de effectiviteit kan verminderen.6,7
Onderbehandeling van zwangerschapshypertensie heeft negatieve gevolgen voor zowel moeder als (ongeboren) kind. Dit kan bijvoorbeeld het risico op zwangerschapsvergiftiging en een laag geboortegewicht verhogen. Tegelijkertijd kunnen hogere doseringen van labetalol, vooral later in de zwangerschap, bij de pasgeborene leiden tot een lage hartslag, bloeddruk en bloedsuiker, maar dit lijkt niet op te wegen tegen de risico’s van onderbehandelde hypertensie bij de moeder.
Voor een voldoende bloeddrukverlagend effect over de gehele dag, wordt geadviseerd om labetalol vaker per dag te doseren. Daarnaast is het van belang om de bloeddruk van de moeder goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.
Voorbeeld: sertraline
Het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap neemt toe. Sertraline is één van de meest voorgeschreven medicijnen binnen deze groep. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van enzymen in de lever die sertraline afbreken. Hierdoor kan de blootstelling aan sertraline, vooral in het tweede en derde trimester, met wel 40% afnemen. Dit kan leiden tot een verminderde effectiviteit en terugkeer van depressieve of angstklachten.8
Een hogere dosering kan gepaard gaan met voorbijgaande ontwenningsverschijnselen bij de pasgeborene. Tegelijkertijd kan een onbehandelde depressie negatieve gevolgen hebben voor zowel moeder als (ongeboren) kind, zoals terugkeer van de depressieve gevoelens, vroeggeboorte of een te laag geboortegewicht.
Daarom wordt geadviseerd om zwangeren die sertraline gebruiken op de hoogte te stellen van een mogelijke afname van de effectiviteit. Daarbij is het van belang om de klachten goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.
Voorbeeld: corticosteroïden
De corticosteroïden betamethason en dexamethason worden ingezet bij dreigende vroeggeboorte om ernstige complicaties bij de pasgeborene te voorkomen, zoals het respiratoir distresssyndroom, intraventriculaire bloedingen en necrotiserende enterocolitis.
PBPK-modellen die geneesmiddelspiegels bij zwangeren en de foetus voorspellen, laten zien dat de huidige doseringsschema’s van deze geneesmiddelen leiden tot hoge piekconcentraties in het bloed van zowel de moeder als de foetus.9 Dit kan leiden tot onnodige bijwerkingen, zoals infecties en een te lage bloedglucosespiegel bij de moeder. Bij de foetus kan een hoge blootstelling mogelijk nadelige effecten hebben op de neurologische ontwikkeling.
Gegevens over de veiligheid en effectiviteit van lagere doseringen tijdens de zwangerschap zijn alleen nog onvoldoende onderzocht. Binnen de expertgroep is daarom besloten dat er op dit moment onvoldoende bewijs is om een lagere dosering in de praktijk toe te passen. Dit voorbeeld laat zien dat PBPK-modellen suggereren dat een lagere dosering mogelijk is, maar dat er eerst verder onderzoek nodig is naar de effectiviteit en veiligheid van deze aangepaste dosering. Dit betekent dat de huidige dosering hetzelfde blijft totdat aanvullend onderzoek aantoont of de lagere dosering veilig en effectief is.
'Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol in het signaleren van veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen'
Wat kan de verloskundige betekenen?
Wanneer een zwangere medicatie gebruikt, is het belangrijk om alert te zijn op veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen. Een verminderde werking, het terugkeren van klachten of juist het optreden van nieuwe bijwerkingen kan erop wijzen dat een andere dosering van het geneesmiddel nodig is. Voor zorgverleners is het daarom van belang om hier tijdens controles actief naar te vragen en signalen serieus te nemen.
Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol. Zij hebben veel contact met zwangeren en kunnen hen informeren over mogelijke veranderingen in de werking en bijwerkingen van medicatie. Daarnaast kunnen zij veranderingen in klachten of bijwerkingen vroegtijdig signaleren. Door deze signalen te herkennen en te overleggen met de zwangere en de arts, kan de behandeling tijdig worden aangepast. Zo kunnen verloskundigen bijdragen aan het optimaliseren van de behandeling en de gezondheid van zowel moeder als kind verbeteren.
Tot nu toe zijn er voor elf geneesmiddelen zwangerschapsspecifieke doseeradviezen opgesteld. Later in 2026 volgen er meer. De volledige doseeradviezen voor onder andere amoxicilline, labetalol en sertraline zijn te vinden via de websites van Moeders van Morgen, Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas.
Meer achtergrondinformatie over de adviezen en het onderzoek van Project Madam is beschikbaar op projectmadam.org.
Over de auteurs
- Dagmar Hiensch: Apotheker-onderzoeker, Radboudumc
- Caroline Dibbets: PhD-kandidaat, Radboudumc
- Dr. Vera Bukkems: Ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, Ziekenhuis Rivierenland
- Prof. dr. Liesbeth Scheepers: Hoogleraar Implementatie van verloskundige zorg op maat, gynaecoloog-perinatoloog, MUMC+
- Prof. dr. Saskia de Wildt: Hoogleraar klinische farmacologie, kinderarts-intensivist, Radboudumc.
Bronnen
1. Houben E, Bezemer I, Hukkelhoven C, Steegers E, Herings R. Medication use during pregnancy in the Netherlands: a population-based study. Value Health. 2017;20(9).
2. Westin AA, Reimers A, Spigset O. Should pregnant women receive lower or higher medication doses? Tidsskr Nor Laegeforen. 2018 Oct 30;138(17).
3. Bilinski A. Why It Is Unethical Not to Conduct Randomized Trials in Pregnancy. JAMA. 2026;335(12):1029–1030.
4. Ke AB, Greupink R, Abduljalil K. Drug Dosing in Pregnant Women: Challenges and Opportunities in Using Physiologically Based Pharmacokinetic Modeling and Simulations. CPT Pharmacometrics Syst Pharmacol. 2018;7(2):103-10.
5. Abduljalil K, Ning J, Pansari A, Pan X, Jamei M. Prediction of Maternal and Fetoplacental Concentrations of Cefazolin, Cefuroxime, and Amoxicillin during Pregnancy Using Bottom-Up Physiologically Based Pharmacokinetic Models. Drug Metab Dispos. 2022;50(4):386-400.
6. Fischer JH, Sarto GE, Hardman J, Endres L, Jenkins TM, Kilpatrick SJ, et al. Influence of gestational age and body weight on the pharmacokinetics of labetalol in pregnancy. Clin Pharmacokinet. 2014;53(4):373-83.
7. Rubin PC, Butters L, Kelman AW, Fitzsimons C, Reid JL. Labetalol disposition and concentration-effect relationships during pregnancy. Br J Clin Pharmacol. 1983;15(4):465-70.
8. Koldeweij C, Dibbets C, Franklin BD, Scheepers HCJ, de Wildt SN. A User-Driven Framework for Dose Selection in Pregnancy: Proof of Concept for Sertraline. Clin Pharmacol Ther. 2025 Jan;117(1):214-224.
9. Van Der Heijden JEM, Van Hove H, Van Elst NM, Van Den Broek P, Van Drongelen J, Scheepers HCJ, De Wildt SN, Greupink R. Optimization of the betamethasone and dexamethasone dosing regimen during pregnancy: a combined placenta perfusion and pregnancy physiologically based pharmacokinetic modeling approach. Am J Obstet Gynecol 2025 Feb;232(2):228.
Afscheid van Marianne Nieuwenhuijze: onderzoekspionier in fysiologische verloskunde
Tekst: Sara de Waal | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat
Marianne Nieuwenhuijze neemt afscheid als hoogleraar en lector Midwifery/Fysiologische Verloskunde. Als een van de eerste onderzoekers op het gebied van verloskunde in Nederland heeft ze in bijna vijftig jaar veel zien veranderen. Met dit interview blikt ze terug op haar loopbaan.
Als je terugkijkt op een loopbaan van jaren, zijn er ongetwijfeld momenten die eruit springen. Momenten om trots op te zijn. Voor Marianne is het opzetten van het onderzoeksdomein voor fysiologische verloskunde in Maastricht er daar één van. In 2007 legde zij daarvoor de basis, in een tijd waarin dit onderzoeksveld nog in de kinderschoenen stond. Tegelijk zocht ze actief de verbinding met andere midwifery-onderzoeksgroepen, in Nederland en daarbuiten. ‘Om dat te kunnen doen, ben ik veel naar het buitenland gegaan. Er werd al onderzoek gedaan in Groot-Brittannië. Daar heb ik met allerlei onderzoekers gesproken, zoals Jane Sandall. Hen vroeg ik: hoe hebben jullie dit opgezet? Hoe hebben jullie dit uitgebouwd? Met welke thema’s zijn jullie bezig? Later is daar de verbinding met Canada en de Verenigde Staten bijgekomen. Zo kon ik een goed beeld vormen van wat onderzoek naar fysiologische verloskunde precies inhoudt: hoe kun je in onderzoek minder medisch naar verloskunde kijken?’
In Nederland ontstond op dit vlak al vrij vroeg een samenwerking met de verschillende instituten die hierbij betrokken waren, zoals de andere opleidingen Verloskunde. We hadden ook het geluk dat er in die tijd brede erkenning voor de fysiologische kijk op geboortezorg ontstond. Daardoor kwam er geld beschikbaar om het onderzoek te laten groeien.’ Die basis is nog altijd zichtbaar. ‘Het onderzoeksdomein is nu nog altijd springlevend. Met grote én kleine projecten bereiken we samen veel, vooral als het gaat om het ontwikkelen van inzichten. Niet alleen medisch, maar ook sociaal: wat betekent zwangerschap? Op die manier geven we verloskunde op een holistische manier vorm.’
'Wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel mensen om je heen'

Wat bijblijft
Aan alle jaren die Marianne als verloskundige actief is geweest, heeft ze veel herinneringen. ‘Enerzijds aan bijzondere bevallingen. Soms moeilijke en soms hele mooie’, vertelt ze. ‘Ik denk nu aan een bevalling die ik heb begeleid, waarbij een moeder in bad wilde bevallen van haar vierde kind. Ze wilde dit met de vader en de twee oudste kinderen erbij. Dat ging goed. Er was een warme sfeer. Toen de moeder uit bad wilde, deed vader zijn shirt uit om de baby warm tegen zich aan te houden. Het oudste zoontje deed direct ook zijn shirt uit, ‘voor de baby’. Dat is een voorbeeld van hoe mooi en bijzonder thuis bevallen kan zijn, waar het kind in het gezin ontvangen wordt.’ Als Marianne terugkijkt op haar loopbaan denkt ze daarnaast ook aan de veranderingen door de jaren heen. ‘Vooral hoe anders we tegen het zorgproces zijn gaan aankijken. Steeds meer administratie, wat tijd wegneemt van de cliëntenzorg. Maar ook steeds meer technologie. Er is altijd een spanningsveld als je gezondheid wilt stimuleren, want preventie is steeds meer gekoppeld aan technologie en testen. Daardoor beweegt de mindset echter weg van de fysiologie. Het blijft zoeken naar balans. Het is denk ik goed om enerzijds alert te zijn: wat speelt er? Maar om ook een stuk vertrouwen te houden in jezelf en in de fysiologie, het natuurlijke proces van zwangerschap en geboorte. Dus niet alleen op technologie leunen, want dat doet iets met de relatie met je kind.’
Stem van de cliënt
Marianne ziet ook positieve ontwikkelingen: ‘De afgelopen twintig jaar heeft de samenspraak met de cliënt zich veel meer ontwikkeld. Toen ik in 2014 op dit onderwerp promoveerde, was het nog onzeker of dit wel een plaats in de geboortezorg zou krijgen. Ik denk dat dit onderzoek heeft bijgedragen aan het draagvlak hiervoor, daar ben ik blij om. Want samenspraak kan af en toe ingewikkeld zijn, maar die complexiteit is het waard om te onderzoeken. De basis van de fysiologische verloskunde is eigenlijk: hoe kunnen we het gezonde behouden en wat kunnen verloskundigen doen om dingen zo gezond en normaal mogelijk te houden? Daar hoort het meenemen van de stem van de cliënt bij. Ouders zijn immers primair verantwoordelijk. Wij kunnen die verantwoordelijkheid als zorgverleners niet overnemen. De ouders zijn met het kind een eenheid, die wil je de kans geven om samen te groeien en verder te komen. Er zijn altijd wel situaties waarin spanning is, maar laten we die als uitzondering beschouwen.’ Marianne denkt dat er op het gebied van samenspraak en eigen regie nog wel stappen zijn te maken. ‘Ik denk dat we ons als verloskundigen comfortabeler kunnen leren voelen in uitdagende situaties. Dat je als zorgverlener ermee leert leven dat niet alles gaat zoals je wil, en dat jij ook niet voor alles verantwoordelijk bent. Wél valt er te leren om beter met elkaar in gesprek te gaan, ook met mensen die bijvoorbeeld minder gezondheidsvaardig zijn of schulden hebben, maar net zo goed regie in hun zorgtraject willen hebben. Ook als het gaat om het geven van informatie over gezond leven kunnen we leren om beter aan te sluiten bij verschillende groepen zwangeren. Als je weet wat er voor hen speelt, kun je betere handreikingen geven.’
Samen sterk
Een van de grootste uitdagingen voor verloskundigen de komende jaren is het gezamenlijk vormgeven van de beroepsgroep, denkt Marianne. Ze legt uit: ‘Als we ons als verloskundigen meer verenigen, hebben we een duidelijkere stem en meer invloed. Dan worden we door de buitenwereld als één stem herkend. Maar het blijft uitdagend, met zo veel verschillende praktijken. Soms denk ik dat we met een aantal praktijken afspraken hebben gemaakt, maar dan blijkt er toch nog een extra praktijk te zijn die het weer anders doet. Maar ik zie de hoeveelheid samenwerkingen wel steeds meer toenemen, er worden coöperaties gevormd. Niet alleen als VSV’s, maar ook met verloskundigen. Dit kan bovendien helpen om verloskundigen duurzamer in het vak te houden, doordat je het gevoel krijgt er niet
alleen voor te staan. Dat is een belangrijke factor als het gaat om capaciteitsproblematiek. Bovendien kun je op die manier sterker neerzetten: wat is er nodig voor goede zorg? Dan hoeft niet elke praktijk individueel oplossingen te zoeken. Samen kunnen we veel meer!’
'Blijf altijd kijken naar het individu'
Sociaal perspectief
Marianne denkt dat het voor onderzoekers met name een uitdaging is om een groter, breder beeld te krijgen in verloskundig onderzoek. ‘Vroeggeboorte is bijvoorbeeld een lastig probleem waar we maar moeizaam grip op krijgen. Ik denk dat we soms te technisch en te veel op detail de diepte ingaan, terwijl we dit soort dingen ook meer vanuit een sociaal perspectief kunnen bekijken. Dat we vaker kunnen nadenken over welke effectieve interventies er te vinden zijn vanuit sociaal oogpunt. Dan kijk je bijvoorbeeld ook naar hoe mensen leven en hoe ze worden ondersteund. Ook als het gaat om mentale gezondheid zie ik te vaak dat dit als een individueel psychisch probleem wordt gezien, terwijl daar ook een sociale component zit. We spreken het individu aan, maar hebben ook als maatschappij iets te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het combineren van zorg en werk: daarin staan vrouwen te vaak alleen. Het zou erg helpen als vrouwen meer ruimte en steun krijgen om zwanger te zijn en voor hun kind te zorgen.’
Tips
Als ze jonge verloskundigen één advies zou mogen geven, zou het zijn: ‘Zorg dat je een netwerk om je heen krijgt van mensen die je kunnen ondersteunen. Zoek ook een klankbord om dingen te bespreken die je moeilijk vindt.’ Dat is dus ook haar oproep aan zittende verloskundigen: ondersteun startende verloskundigen, want dat is nodig. ‘De wereld is zo veel ingewikkelder dan toen ik begon. Ook op gebied van wat er van je verwacht wordt qua relatie met cliënten, afspraken, richtlijnen, enzovoorts. Ze kunnen steun gebruiken om de eerste jaren ervaring op te bouwen. Tegen jonge onderzoekers zou ik zeggen: wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel dan mensen om je heen met wie je die vragen samen kunt verkennen. Zoek aansluiting bij de onderzoeksgroepen die er zijn. Een master doe je ook om een bredere blik te krijgen, dat is heel waardevol als het gaat om je persoonlijke ontwikkeling.’
Beroepsidentiteit en richtlijnen
Marianne was niet alleen hoogleraar en verloskundige, maar heeft ook veel gedaan voor de KNOV en de profilering van de verloskunde. Zo was ze lid van onder andere de landelijke richtlijncommissie Verloskundige Indicatielijst, de Expertgroep Beroepsidentiteit en de Commissie Standaarden (die het bestuur adviseert over richtlijnen). Dat deed ze enerzijds uit nieuwsgierigheid en anderzijds om de beroepsgroep te versterken. ‘Het is altijd verrijkend om met elkaar een onderwerp te onderzoeken, het brengt nieuwe inzichten. Beroepsidentiteit is bovendien de basis om verloskundigen te binden en het maakt ons sterker als we goed weten wie we zijn, ook naar buiten. De commissie voor richtlijnen is een oude liefde, daar ben ik rond 2000 mee gestart. Het is heel waardevol om te weten wat er vanuit onderzoek wel en niet bekend is en om dat te gebruiken om de zorg af te stemmen op de vrouw en haar behoefte en keuzes. Tegelijkertijd is het ook goed om te weten wat nog niet of weinig bewezen is. Bijvoorbeeld zoals bij het inleiden met 41 weken. We weten dat het voor een eerste kind een optie kan zijn, maar voor een tweede kind eigenlijk geen meerwaarde heeft. Bij het eerste kind kan het iets betere uitkomsten geven, maar de vraag is dan: hoeveel beter? Blijf altijd kijken naar het individu: wie is de vrouw en wat brengt zij mee? Het gaat dus om een balans. Je wilt nadenken over wat de evidence zegt en wat richting geeft, maar weeg ook andere factoren mee. Elk geval is uniek.’
Emeritaat
Hoewel Marianne afscheid neemt als hoogleraar en met emeritaat gaat, blijft ze een dag in de week promovendi begeleiden en onderzoeksprojecten helpen ontwikkelen. ‘Verder ben ik van plan om te publiceren over de geschiedenis van de verloskunde, daarin ben ik erg geïnteresseerd. Ook wil ik mijn vroedvrouwvaardigheden inzetten bij mijn kleinkinderen en ze ondersteunen door middel van watchful attendance. Daarnaast wil ik weer gaan reizen. Wat ik ga missen is het sparren met studenten; promovendi zijn vaak wat ouder. Het blijft altijd leuk om te horen wat jonge mensen bezighoudt en hoe zij in de maatschappij staan.’
Liever van Marianne zelf haar inzichten horen uit haar rijke carrière? Kom 26 juni naar de ALV-middag in Utrecht of beluister aflevering 3 van KNOV - de podcast!
Gegevensuitwisseling via Blinkz: 'juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert'
Tekst: Hedy Jak | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat
Geboortezorgprofessionals die elkaars dossiers kunnen inzien: het klinkt logisch en levert direct winst op. Minder dubbel werk, meer tijd voor de cliënt. Eerstelijnsverloskundige Martine Kokkelmans uit Geleen (Limburg) werkt met Blinkz (voorheen Babyconnect) en is voortrekker binnen haar VSV. Zij vertelt wat digitaal samenwerken haar in de praktijk oplevert, hoe het de kwaliteit van zorg versterkt en waarom het juist nu helpt bij het omgaan met de groeiende capaciteitsdruk in de verloskunde.
Martine Kokkelmans werkt al ruim twintig jaar als verloskundige en is mede-eigenaar van verloskundigenpraktijk Verloskundigen Geleen. Sinds begin dit jaar vervult zij de rol van coördinator binnen een fusiepraktijk, waarin acht praktijken zijn samengegaan tot één organisatie met drie teams. Daarnaast is zij bestuurder van de Verloskundige Coöperatie Zuid-Limburg en was zij de afgelopen jaren als projectleider zorg nauw betrokken bij de implementatie van Babyconnect in Limburg.
Je bent binnen je VSV voortrekker op het gebied van gegevensuitwisseling. Hoe ben je betrokken geraakt bij Blinkz?
‘Al meer dan tien jaar ben ik betrokken bij onze VSV-werkgroep vanuit de wens om gegevens tussen zorgverleners rondom moeder en kind op één plek te kunnen inzien en delen. Het subsidieproject van VIPP Babyconnect kwam op ons pad. Dat was de kans om gegevensuitwisseling niet alleen lokaal, maar landelijk te organiseren. Want als je echt vooruitgang wilt boeken, moet je verder kijken dan je eigen regio. We wilden immers ook eenvoudig gegevens kunnen uitwisselen met bijvoorbeeld Amsterdam, en niet alleen met de zorgverleners in onze directe omgeving. De voorwaarden van de subsidie speelden daarin een belangrijke rol. Daarvoor hebben we de samenwerking opgezocht met andere VSV’s en het initiatief direct provinciebreed opgepakt. Dit leidde tot de oprichting van een projectgroep en een gezamenlijke subsidieaanvraag namens heel Limburg. Hierdoor kunnen we, in heel Nederland, laten zien wat er mogelijk is door betere informatievoorziening en gegevensuitwisseling.’
Wat motiveerde jou om daarin een actieve rol te pakken?
‘Als bèta-georiënteerde verloskundige – ik studeerde eerst Bouwkunde – ben ik misschien een beetje atypisch. Ik ben niet vies van cijfers en techniek. Mijn motivatie haalde ik uit een stukje frustratie dat ik in mijn dagelijks werk ervoer op het gebied van gegevensuitwisseling. Alle gegevens zijn al ergens, we moeten alleen gigantisch veel moeite doen om die op tafel te krijgen. Dat kon efficiënter, vond ik. De tijd die we kwijt zijn met het zoeken naar gegevens, zou in de zorg voor onze patiënten moeten zitten. Mijn drive om dit te doen is om collega’s meer tijd in de zorg te gunnen.’
Kun je schetsen hoe het delen van dossiers via de viewer er in de praktijk uitziet?
‘Voordat zorgverleners de viewer (zie kader Wat is Blinkz?) goed kunnen gebruiken, is het nodig om de toestemming aan te hebben staan en moet de toegang geregeld zijn. Als dat goed staat, kun je de documenten zien die alle geboortezorgpartners in onze regio publiceren. Dat kan een ontslagbrief uit het ziekenhuis zijn, een partusverslag of bijvoorbeeld de uitkomst van een consult. Dergelijke documenten staat in een overzicht bij elkaar.’

Kun je een voorbeeld noemen van dubbel werk dat voorkomen wordt omdat je elkaars dossiers kunt inzien?
‘Als ik voorheen een visite op de kraamafdeling van een ziekenhuis ging doen, dan moest ik langs de post aan de verpleegkundige vragen hoe het met een cliënt ging. Door gebruik te maken van Blinkz kan ik voordat ik naar het ziekenhuis vertrek, in de viewer al even lezen wat de verpleegkundige die dag heeft opgeschreven over die opname. Daardoor kan ik meteen naar mijn cliënt toe gaan. Wat we ook al doen, is de terugkoppeling van consulten teruglezen in de viewer. Bij het voorbereiden van mijn spreekuur kan ik dan zien wat er vorige week is uitgekomen toen een cliënt bij de gynaecoloog was.’
Merk je ook verschil in de samenwerking met andere zorgverleners binnen het VSV?
‘Zeker! Vroeger was het altijd een hele klus om dossiers van een eerdere zwangerschap op te vragen. We moesten de vorige zorgverlener bellen, en het gebeurde vaak dat de informatie via een beveiligde mail werd gestuurd, of soms zelfs onbeveiligd, omdat sommige collega’s niet precies wisten hoe ze het veilig moesten versturen. Nu is het een stuk eenvoudiger. Zodra onze cliënt toestemming geeft, zetten we de toegang in de viewer aan en kunnen we meteen de gegevens van eerdere zwangerschappen inzien. Het is binnen een minuut geregeld. Je belt, vraagt of ze de toegang even aanzetten, en zodra de cliënt toestemming heeft gegeven, is het al zichtbaar. Het zit gekoppeld aan haar digitale dossier, dus we hoeven die informatie niet zelf nog te verzamelen.’
In tijden van capaciteitsproblemen: levert deze manier van werken daadwerkelijk tijdwinst op?
‘Dat vind ik nog een lastige vraag om te beantwoorden omdat het een groeimodel is en iedereen aan het wennen is om ermee te werken. Op dit moment zijn we druk bezig om ervoor te zorgen dat iedereen de toestemming en toegang op de juiste manier aan heeft staan. Daar zit een stuk winst in. Dat zijn we aan het versnellen, zodat we dat allemaal op een vast moment vragen en doen. Volgend jaar zijn we verder en schat ik in dat ik dan volmondig ja kan zeggen.’
Helpt dit systeem ook om sneller te schakelen bij drukte of onverwachte situaties?
‘Het gemak is groot. Met een paar klikken heb je toegang tot de informatie en dat helpt zeker bij drukte of onverwachte situaties. De viewer biedt een handig en snel overzicht, zeker in situaties waarin je moet doorverwijzen. Voorheen moest ik eerst een volledige verwijzing via ZorgDomein aanmaken om alle gegevens in het ziekenhuis te krijgen. Als je het nu tijdens de zwangerschap goed inricht – en dat geldt ook voor het ziekenhuis – is de zwangerschapskaart bij een verwijzing automatisch beschikbaar. Dat scheelt echt tijd. Tegelijkertijd zijn we er nog niet. Het systeem is een goed startpunt, maar er liggen nog volop ontwikkelwensen, bijvoorbeeld op het gebied van functionaliteiten die technisch al mogelijk zijn, maar nog niet door de bronsystemen ondersteund kunnen worden. Dat maakt het soms lastig, want de praktijk vraagt om snelheid en volledigheid. Onderdelen zijn echt nog in ontwikkeling.’
'Het systeem levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk'

Is het de moeite waard om al met de viewer te gaan werken?
‘Ja, ik denk dat we er zeker al mee moeten gaan werken. Wat er nu staat, werkt goed en biedt al een mooi en bruikbaar overzicht van de beschikbare gegevens. Natuurlijk willen we er in de toekomst nog veel meer uithalen, maar dat is geen reden om te wachten tot alles volledig is doorontwikkeld. Mijn advies is: begin gewoon. Juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert én wat er nog beter kan. Bovendien sluiten steeds meer partijen aan. Zo kunnen kraamcentra via hun bronsysteem Atermes al gegevens uitwisselen, waardoor we ook de bevindingen van kraamverzorgenden kunnen inzien. Het systeem is nog niet af, maar het is absoluut een waardevol begin, en het levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk.’
Wat zou je andere VSV’s adviseren die nog aan het begin staan van digitale gegevensuitwisseling via Blinkz?
‘Werk met elkaar samen en leer een routine aan. Als je er niet mee werkt, ervaar je ook niet wat je eraan kunt hebben. Als de drempel te hoog voelt omdat je blijft vasthouden aan bestaande processen die je al kent, dan kan het helpen om binnen de praktijk of binnen je regio een buddysysteem af te spreken. Dan doe je het samen, dat werkt vaak goed.’
Vanaf 1 januari 2026 is digitale gegevensuitwisseling ondergebracht binnen het Duurzaam Informatiestelsel Geboortezorg (DIG). Hierin werken de KNOV, NVOG, BO Geboortezorg, BEN, NVK, de Federatie van VSV’s en Nictiz samen, met een prominente rol voor de eindgebruikers. Blinkz werkt in opdracht van de geboortezorgpartijen en beheert de inhoudelijke en technische doorontwikkeling van toekomstbestendige gegevensuitwisseling.
Achter de schermen bij de inspectie
Tekst: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), 2026-2
Beeld: Aangeleverd
Wanneer moet je als verloskundige een situatie melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Wat gebeurt er nadat er een melding bij de IGJ is binnengekomen? En wat doet de inspectie met signalen uit het veld? Voor veel verloskundigen blijft het werk van de inspectie abstract en op afstand. IGJ-inspecteur Lauri van den Berg geeft je een inkijkje in haar werk.
Verloskundigen zijn deskundigen in de geboortezorg, maar toch kan er in de praktijk iets misgaan. Daarom regelt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) dat verloskundigenpraktijken incidenten en calamiteiten moeten onderzoeken om ervan te leren en zo de zorg verder te verbeteren. Het toezicht van de IGJ is daarop een extra waarborg, zodat zwangeren en gezinnen kunnen rekenen op veilige en kwalitatief goede zorg. Tegelijk signaleert de inspectie knelpunten in de praktijk, zoals de lange reistijd naar het ziekenhuis door verkeersdrukte in stedelijke gebieden. Hoewel de IGJ zulke problemen niet zelf oplost, brengt zij deze wel onder de aandacht van ministeries en beleidsmakers.
Meldingen belangrijk voor de inspectie
‘Een deel van mijn werk bestaat uit het onderzoeken van meldingen’, vertelt Lauri. Jaarlijks ontvangt de inspectie zo’n 40 tot 50 meldingen over de eerstelijnsverloskundige zorg, waarvan een groot deel verplichte meldingen zijn (zie kader). Daarbij is het onderscheid in ernst belangrijk: een incident, waarbij (mogelijke) beperkte schade is ontstaan, moet wel intern onderzocht worden, maar hoeft niet gemeld te worden. Pas bij een ernstig schadelijk gevolg of overlijden is sprake van een calamiteit en geldt een meldplicht. Hierover bestaat in de praktijk nog vaak een misverstand, bijvoorbeeld dat elke perinatale sterfte gemeld moet worden. ‘Dat is niet zo,’ licht Lauri toe. ‘Alleen als er een relatie is met tekortkomingen in de zorg, is melden verplicht.’ Naast deze verplichte meldingen ontvangt de IGJ ook signalen van zorgverleners en zorggebruikers. ‘Die meldingen geven inzicht in wat er speelt in de dagelijkse praktijk en waar de grootste risico’s liggen voor de kwaliteit en veiligheid van de geboortezorg.’
Verantwoordelijkheid van praktijkhouder
Praktijkhouders zijn als zorgaanbieders volgens de Wkkgz verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg van de verloskundigenpraktijk. De IGJ verwacht dat zij de calamiteitenmeldingen doen. ‘We zien regelmatig dat zzp’ers dit zelfstandig oppakken, terwijl juist een gezamenlijke aanpak nodig is om verbetermaatregelen breed door te voeren binnen een praktijk.’ Lauri ziet dat dit ook waardevol is voor waarnemers, die soms net zijn afgestudeerd. ‘Zij hebben een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt en horen nazorg te krijgen van hun collega’s. Samen melden en onderzoeken helpt hierbij.’ Tegelijkertijd blijft de drempel om te melden hoog: verplichte meldingen worden soms te laat of niet gedaan. Volgens Lauri speelt naast onwetendheid ook angst een rol. ‘Helaas heerst het beeld nog te veel dat wij straffen, terwijl onze focus ligt op leren en verbeteren na een calamiteit.’
'Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en wat verbetermaatregelen zijn'

Vertrouwen als vertrekpunt
Na een calamiteitenmelding vraagt de inspectie de zorgaanbieder om zelf onderzoek te doen, vanuit het uitgangspunt van vertrouwen in de professional. ‘Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en welke verbetermaatregelen voor hun praktijk en regio passend zijn’, vertelt Lauri. Omdat calamiteitenonderzoek geen dagelijks werk voor verloskundigen is, biedt de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten (scan hiervoor de code). Daarnaast wordt binnen de KNOV-academie gewerkt aan een microlearning over calamiteitenonderzoek.
De meeste calamiteiten spelen zich af in de hele geboortezorgketen, niet alleen binnen één praktijk. Daarom stimuleert de IGJ gezamenlijk onderzoek door ketenpartners. ‘We zien goede voorbeelden, zoals VSV’s die vooraf afspraken maken over hoe zij calamiteiten samen onderzoeken.’
De IGJ als externe toets
Na een calamiteitenonderzoek beoordeelt de inspectie of dit zorgvuldig uitgevoerd is en of de verbetermaatregelen passend zijn. Is dat het geval, dan wordt de melding afgesloten. ‘Wij kijken ook naar de nazorg en of het perspectief van de zwangere of het gezin is meegenomen.’ De inspectie heeft ook familie-inspecteurs die in specifieke situaties de familie begeleiden bij wat er is gebeurd nadat een verloskundigenpraktijk een melding bij de inspectie heeft gedaan. Anders dan vaak gedacht, ligt de nadruk van de inspectie niet op het nemen van maatregelen tegen een praktijk: uitgangspunt is dat verloskundigen leren en verbeteren. Alleen als dat onvoldoende gebeurt, of bij ernstige signalen zoals een alcoholverslaving van een verloskundige, grijpt de inspectie in.
Ook leren van wat goed gaat
Toezicht gaat niet alleen over verbeterpunten, maar juist ook over wat goed gaat. ‘Tijdens onze VSV-bezoeken zien we bijvoorbeeld dat gezamenlijke consulten tussen de zwangere en de eerste en tweede lijn goed werken bij zorgvragen buiten de richtlijn,’ vertelt Lauri. Dit past bij Safety-II: leren van wat goed gaat en die inzichten delen. Lauri sluit af: ‘We werken allemaal aan hetzelfde doel: veilige en goede geboortezorg. Door signalen te delen en samen te leren, kunnen we die zorg blijven verbeteren.
Klik hier voor de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten.
Hoe houd je grip als er geen plek is in het ziekenhuis? Samen sterker bij opnamestops
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat
Het is een herkenbaar scenario voor eerstelijnsverloskundigen: het kost veel tijd om voor een cliënt een plek te vinden in het ziekenhuis. De tijd dringt en ondertussen lopen je andere zorgvragen door. Door opnamestops bij ziekenhuizen en centralisatie van zorg komen dit soort situaties steeds vaker voor – en als verloskundige trek je regelmatig aan het kortste eind. Het onderzoeksproject OPTIMISTIC biedt hier geen pasklare oplossing voor, maar wel handvatten om er beter mee te kunnen omgaan.
Tamar van Haaren-Ten Haken is sinds juni lector bij het lectoraat Midwifery Science bij de Academie Verloskunde Maastricht. In deze rol volgt zij Marianne Nieuwenhuijze op (lees meer op pagina 18). Ze is daarnaast betrokken bij het onderzoeksproject OPTIMISTIC (OPTIMIzing SusTaInable midwifery Care in line with professional identity). Ze legt uit dat dit onderzoek voortkomt uit een ontwikkeling die al langer speelt: structurele capaciteitsproblemen in de geboortezorg. ‘Door tijdelijke opnamestops, sluiting van verlosafdelingen en centralisatie van zorg kunnen zwangeren niet altijd in hun eigen regio bevallen. Het komt regelmatig voor dat baby’s onderweg naar het ziekenhuis worden geboren. Of dat zwangeren vanwege de vertraging of langere reistijd toch thuis bevallen – ondanks een medische indicatie. Dit heeft impact op de cliëntervaringen, de werktevredenheid van verloskundigen en op de veiligheid van zorg.’
Weinig invloed
Voor eerstelijnsverloskundigen betekent dit concreet: meer afstemming, meer reistijd en meer onzekerheid. Maar ook: stress en minder werkplezier doordat de zorg die ze leveren onder druk komt te staan. Tamar: ‘Als een ziekenhuis besluit om verloskamers te sluiten, voelt het voor eerstelijnsverloskundigen soms alsof zij het probleem moeten oplossen, terwijl ze daar weinig invloed op hebben. Die spanning is voelbaar in het werkveld. Verloskundigen geven aan dat het huidige systeem hun werkplezier aantast en dat ze zich afvragen hoe ze met deze situatie moeten omgaan. Mogelijke noodoplossingen waarover wordt gesproken, zijn triageposten of het oprichten van een geboortecentrum.’
Gezamenlijke aanpak
Het onderzoek richt zich bewust niet op het oplossen van het capaciteitsprobleem. ‘Dit ligt grotendeels buiten onze invloedssfeer’, geeft Tamar aan. ‘In plaats daarvan zoomen we met OPTIMISTIC in op een concreet en dagelijks terugkerend probleem: er is geen plek in het ziekenhuis. Wat kun je als eerstelijnsverloskundige doen op het moment dat je hiermee te maken krijgt? En kun je dan praktisch samenwerken met collega’s in de regio? Met dit onderzoek willen we van een reactieve manier van werken – steeds opnieuw oplossingen zoeken in acute situaties – toe naar een meer voorbereide en gezamenlijke aanpak.’
Impact zichtbaar maken
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het in kaart brengen van de impact van opnamestops. Want hoewel deze regelmatig in het nieuws komen, blijft de invloed op de eerstelijnsverloskunde vaak onderbelicht. Tamar: ‘We kijken niet alleen naar cijfers, maar ook naar ervaringen. Wat betekent het voor jou als professional? Wat doet het met je cliënt? We verzamelen casuïstiek en verhalen van verloskundigen om dat beeld compleet te maken. Hierbij maken we ook gebruik van grote databestanden zoals VeCaS, met gegevens over tienduizenden zwangerschappen. Zo krijgen we inzicht in zorgstromen, uitkomsten en verschillen tussen regio’s.’ Opvallend is dat de gevolgen verder reiken dan alleen logistiek ongemak. Denk aan vertraagde zorg, onrust bij zwangeren en situaties waarin afgesproken zorg – zoals pijnbestrijding of een plaatsindicatie – niet beschikbaar is. ‘Er wordt vaak gezegd dat de acute zorg geborgd is’, vertelt Tamar. ‘Maar goede zorg is meer dan alleen acute veiligheid. Ook de afgesproken zorg en de ervaring van de cliënt tellen mee.’
‘Eerstelijnsverloskundigen kunnen meer invloed uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren’

Beroepsidentiteit als kompas
Een tweede pijler van het onderzoek is de beroepsidentiteit van verloskundigen in relatie tot capaciteitsproblematiek. Wat vinden wij belangrijk in ons werk? En waar schuurt het wanneer systemen onder druk staan? OPTIMISTIC is gestart voordat de KNOV de Beroepsidentiteit van de Verloskundige ontwikkelde. Binnen het onderzoek wordt beroepsidentiteit (professional identity) in bredere zin gebruikt, als overkoepelend begrip. ‘Bij opnamestops zie je dat kernwaarden in het geding komen’, vertelt Tamar. ‘Bijvoorbeeld continuïteit van zorg of voldoende tijd kunnen besteden aan het begeleiden van je cliënt. Dat raakt direct aan hoe je je werk wilt doen. Daarom verkennen we binnen OPTIMISTIC, samen met verloskundigen, wat de gedeelde kernwaarden zijn. Niet alleen op papier, maar juist zoals verloskundigen die in de praktijk ervaren. Deze waarden vormen vervolgens de basis voor het verkennen van mogelijke samenwerkingsvormen in de regio. Want samenwerken kan helpen om het probleem van de opnamestops het hoofd te bieden – maar alleen als het past bij hoe verloskundigen hun vak willen uitoefenen.’
Regionaal organiseren
Waarom ligt de focus op regionaal niveau? Tamar: ‘Omdat daar veel van de problemen samenkomen. Vaak hebben meerdere praktijken te maken met één of twee ziekenhuizen. Elke praktijk ervaart dezelfde problemen, maar probeert ze individueel op te lossen. Er is mogelijk winst te behalen door als eerstelijnsverloskundigen regionaal samen te werken. Hierbij kun je denken aan gezamenlijke achterwachtsystemen, een slimmere verdeling van zorg of het bundelen van capaciteit. Het is hierbij belangrijk dat de samenwerking niet alleen uit nood ontstaat, maar ook gebaseerd is op een gedeelde visie. Als die ontbreekt, kan samenwerking juist frictie opleveren. Daarom beginnen we bij de vraag: wat vind je belangrijk in je werk? Van daaruit kunnen we verder bouwen.’
'Door slim samen te werken in de regio, kun je zorgen voor minder werkdruk en meer werkplezier'
Van inzicht naar instrument
Een van de beoogde opbrengsten van OPTIMISTIC is een simulatiemodel, dat wordt ontwikkeld met Universiteit Twente. Dit model moet inzicht geven in de effecten van verschillende manieren van samenwerken. Hierbij houdt het model rekening met meerdere factoren tegelijk, zoals het aantal zorgverleners in de regio, de gemiddelde zorgvraag en regionale kenmerken. Maar ook met het aantal verloskundigen, het aantal ziekenhuizen en de reistijd daarnaartoe. Het idee is dat verloskundigen met dit model straks voor hun eigen regio scenario’s kunnen verkennen: wat gebeurt er als je anders samenwerkt? En wat betekent dat voor de capaciteit, werkdruk en continuïteit van zorg? Tamar legt uit: ‘Met dit model kun je als het ware verschillende situaties in jouw regio simuleren. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er bij piekbelasting? Of als een ziekenhuis tijdelijk sluit? Zo kun je op voorhand beter onderbouwde keuzes maken. We gaan het simulatiemodel in twee regio’s als pilot testen.’
Meer regie, minder stress
Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dus dat eerstelijnsverloskundigen meer invloed kunnen uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren – juist binnen de beperkingen die er zijn. Dit betekent niet dat de verantwoordelijkheid volledig bij hen komt te liggen. Integendeel. ‘Het gaat er niet om dat verloskundigen het probleem moeten oplossen’, benadrukt Tamar. ‘We willen juist laten zien waar je wél invloed op hebt en hoe je samen sterker kunt staan: een verandering van voortdurend reageren naar beter voorbereid zijn.’
Betekenis voor de praktijk
Hoewel het onderzoek nog tot en met volgend jaar loopt, levert het nu al waardevolle inzichten op. Alleen al het delen van ervaringen blijkt belangrijk. ‘We merken dat verloskundigen zich gehoord voelen’, zegt Tamar. ‘Hun verhaal krijgt aandacht – en dat is hard nodig. Uiteindelijk zullen de resultaten leiden tot praktische handvatten voor eerstelijnsverloskundigen die te maken krijgen met opnamestops. Het grotere probleem van capaciteitsdruk zal daarmee niet verdwijnen. Maar de manier waarop we hiermee omgaan, kan wel veranderen. Als we door een goede samenwerking kunnen bijdragen aan minder werkdruk, minder stress, meer werkplezier en betere zorg voor cliënten, dan is dat al een belangrijke stap.’












