Medicatie tijdens de zwangerschap: waarom de standaarddosering niet altijd de juiste is
Tekst: Dagmar Hiensch, Caroline Dibbets, Dr. Vera Bukkems, Prof. Liesbeth Scheepers, Prof. Saskia de Wildt
Beeld: Shutterstock, 2026-2
Drie op de vier vrouwen in Nederland gebruikt weleens een medicijn tijdens de zwangerschap.¹ Toch is voor veel geneesmiddelen nog onvoldoende bekend welke dosering in deze periode veilig en effectief is. Project Madam, een samenwerking tussen het Radboudumc, MUMC+ en Moeders van Morgen Lareb, wil dit veranderen door onderzoek te doen naar de juiste geneesmiddeldosering voor zwangeren. Dit blijkt vaak een andere dosering te zijn dan die in de praktijk aan zwangeren wordt voorgeschreven.
Wat verandert er tijdens de zwangerschap en waarom is er zo weinig bekend?
Tijdens de zwangerschap verandert het lichaam van de zwangere ingrijpend om de groei en ontwikkeling van de foetus te ondersteunen. Deze veranderingen beïnvloeden ook hoe geneesmiddelen in het lichaam worden opgenomen, verdeeld en uitgescheiden.
Zo werken de nieren harder, waardoor het lichaam geneesmiddelen sneller kan uitscheiden. Ook verandert de activiteit van enzymen in de lever die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van medicatie. Hierdoor worden sommige geneesmiddelen sneller afgebroken, terwijl andere juist langer in het lichaam blijven. Daarnaast neemt het bloedvolume toe, waardoor geneesmiddelen meer verdund raken en zich anders over het lichaam verdelen.²
Door deze veranderingen kan de concentratie van geneesmiddelen in het bloed tijdens de zwangerschap afwijken van die vóór de zwangerschap. Dit kan leiden tot een verminderde werking of tot een verhoogd risico op bijwerkingen en toxiciteit bij de moeder of de foetus. Daarnaast is voor veel medicijnen nog niet bekend hoeveel van het geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Toch worden zwangeren vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek. Hierdoor ontbreekt belangrijke kennis over veilige en effectieve doseringen in deze groep.³

Hoe wordt de juiste dosering bepaald?
Project Madam richt zich daarom op het vinden van de juiste dosering van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Onderzoekers analyseren beschikbare literatuur over de concentratie van medicatie in het bloed van zwangeren en over de werking en veiligheid van deze geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar hoeveel van een geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Dit wordt onderzocht met placenta’s die na de bevalling beschikbaar komen.
Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar zwangeren, wordt er ook gebruik gemaakt van computermodellen, zogenaamde physiology-based pharmacokinetic (PBPK)-modellen. Deze modellen bootsen het lichaam van de zwangere na en voorspellen hoeveel van het geneesmiddel aanwezig is in het lichaam van de moeder en soms ook in de foetus.4 Deze informatie wordt gebruikt om het doseeradvies te ondersteunen.
De verzamelde informatie wordt kritisch beoordeeld en besproken in een multidisciplinaire expertgroep. Deze groep bestaat uit onder andere gynaecologen, internisten, kinderartsen, apothekers, toxicologen, huisartsen, verloskundigen en patiëntvertegenwoordigers. De KNOV was betrokken bij de expertgroep. Zij wegen de voor- en nadelen van de aangepaste dosering af voor zowel moeder als kind. Na goedkeuring worden de doseeradviezen gepubliceerd op de websites van Moeders van Morgen Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas, zodat zorgverleners deze in de praktijk kunnen toepassen.
'Zwangeren worden vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek, waardoor belangrijke kennis ontbreekt over veilige en effectieve doseringen'
Voorbeeld: amoxicilline
Amoxicilline is een veelgebruikt antibioticumtijdens de zwangerschap. In de praktijk krijgen zwangeren vaak een dosering van 500 mg drie keer per dag, terwijl bij niet-zwangeren regelmatig hogere doseringen worden gebruikt.
Omdat de nieren tijdens de zwangerschap sneller werken, wordt amoxicilline sneller uitgescheiden. Onderzoek laat zien dat de blootstelling aan amoxicilline met ongeveer 15 tot 25% afneemt tijdens de zwangerschap.5
Daarom wordt bij milde tot matige infecties geadviseerd om de hoogste dosering binnen de gebruikelijke doseerrange te gebruiken. Het onderzoek van Project Madam laat bovendien zien dat bij bepaalde indicaties, zoals preventief antibioticagebruik bij vroegtijdig gebroken vliezen, een hogere dosering nodig is om effectieve spiegels te bereiken. Voor de preventie van early-onset neonatale sepsis (EONS) lijkt de standaarddosering daarentegen wel voldoende om effectieve spiegels te behalen. In alle gevallen blijft het belangrijk om infecties tijdens de zwangerschap adequaat te behandelen. De voordelen hiervan wegen doorgaans op tegen de mogelijke nadelen van een hogere dosering.
Voorbeeld: labetalol
Labetalol is het eerste keus geneesmiddel bij de behandeling van zwangerschapshypertensie. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van het enzym in de lever dat labetalol afbreekt. Hierdoor breekt het lichaam dit geneesmiddel sneller af, wat de effectiviteit kan verminderen.6,7
Onderbehandeling van zwangerschapshypertensie heeft negatieve gevolgen voor zowel moeder als (ongeboren) kind. Dit kan bijvoorbeeld het risico op zwangerschapsvergiftiging en een laag geboortegewicht verhogen. Tegelijkertijd kunnen hogere doseringen van labetalol, vooral later in de zwangerschap, bij de pasgeborene leiden tot een lage hartslag, bloeddruk en bloedsuiker, maar dit lijkt niet op te wegen tegen de risico’s van onderbehandelde hypertensie bij de moeder.
Voor een voldoende bloeddrukverlagend effect over de gehele dag, wordt geadviseerd om labetalol vaker per dag te doseren. Daarnaast is het van belang om de bloeddruk van de moeder goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.
Voorbeeld: sertraline
Het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap neemt toe. Sertraline is één van de meest voorgeschreven medicijnen binnen deze groep. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van enzymen in de lever die sertraline afbreken. Hierdoor kan de blootstelling aan sertraline, vooral in het tweede en derde trimester, met wel 40% afnemen. Dit kan leiden tot een verminderde effectiviteit en terugkeer van depressieve of angstklachten.8
Een hogere dosering kan gepaard gaan met voorbijgaande ontwenningsverschijnselen bij de pasgeborene. Tegelijkertijd kan een onbehandelde depressie negatieve gevolgen hebben voor zowel moeder als (ongeboren) kind, zoals terugkeer van de depressieve gevoelens, vroeggeboorte of een te laag geboortegewicht.
Daarom wordt geadviseerd om zwangeren die sertraline gebruiken op de hoogte te stellen van een mogelijke afname van de effectiviteit. Daarbij is het van belang om de klachten goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.
Voorbeeld: corticosteroïden
De corticosteroïden betamethason en dexamethason worden ingezet bij dreigende vroeggeboorte om ernstige complicaties bij de pasgeborene te voorkomen, zoals het respiratoir distresssyndroom, intraventriculaire bloedingen en necrotiserende enterocolitis.
PBPK-modellen die geneesmiddelspiegels bij zwangeren en de foetus voorspellen, laten zien dat de huidige doseringsschema’s van deze geneesmiddelen leiden tot hoge piekconcentraties in het bloed van zowel de moeder als de foetus.9 Dit kan leiden tot onnodige bijwerkingen, zoals infecties en een te lage bloedglucosespiegel bij de moeder. Bij de foetus kan een hoge blootstelling mogelijk nadelige effecten hebben op de neurologische ontwikkeling.
Gegevens over de veiligheid en effectiviteit van lagere doseringen tijdens de zwangerschap zijn alleen nog onvoldoende onderzocht. Binnen de expertgroep is daarom besloten dat er op dit moment onvoldoende bewijs is om een lagere dosering in de praktijk toe te passen. Dit voorbeeld laat zien dat PBPK-modellen suggereren dat een lagere dosering mogelijk is, maar dat er eerst verder onderzoek nodig is naar de effectiviteit en veiligheid van deze aangepaste dosering. Dit betekent dat de huidige dosering hetzelfde blijft totdat aanvullend onderzoek aantoont of de lagere dosering veilig en effectief is.
'Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol in het signaleren van veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen'
Wat kan de verloskundige betekenen?
Wanneer een zwangere medicatie gebruikt, is het belangrijk om alert te zijn op veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen. Een verminderde werking, het terugkeren van klachten of juist het optreden van nieuwe bijwerkingen kan erop wijzen dat een andere dosering van het geneesmiddel nodig is. Voor zorgverleners is het daarom van belang om hier tijdens controles actief naar te vragen en signalen serieus te nemen.
Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol. Zij hebben veel contact met zwangeren en kunnen hen informeren over mogelijke veranderingen in de werking en bijwerkingen van medicatie. Daarnaast kunnen zij veranderingen in klachten of bijwerkingen vroegtijdig signaleren. Door deze signalen te herkennen en te overleggen met de zwangere en de arts, kan de behandeling tijdig worden aangepast. Zo kunnen verloskundigen bijdragen aan het optimaliseren van de behandeling en de gezondheid van zowel moeder als kind verbeteren.
Tot nu toe zijn er voor elf geneesmiddelen zwangerschapsspecifieke doseeradviezen opgesteld. Later in 2026 volgen er meer. De volledige doseeradviezen voor onder andere amoxicilline, labetalol en sertraline zijn te vinden via de websites van Moeders van Morgen, Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas.
Meer achtergrondinformatie over de adviezen en het onderzoek van Project Madam is beschikbaar op projectmadam.org.
Over de auteurs
- Dagmar Hiensch: Apotheker-onderzoeker, Radboudumc
- Caroline Dibbets: PhD-kandidaat, Radboudumc
- Dr. Vera Bukkems: Ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, Ziekenhuis Rivierenland
- Prof. dr. Liesbeth Scheepers: Hoogleraar Implementatie van verloskundige zorg op maat, gynaecoloog-perinatoloog, MUMC+
- Prof. dr. Saskia de Wildt: Hoogleraar klinische farmacologie, kinderarts-intensivist, Radboudumc.
Bronnen
1. Houben E, Bezemer I, Hukkelhoven C, Steegers E, Herings R. Medication use during pregnancy in the Netherlands: a population-based study. Value Health. 2017;20(9).
2. Westin AA, Reimers A, Spigset O. Should pregnant women receive lower or higher medication doses? Tidsskr Nor Laegeforen. 2018 Oct 30;138(17).
3. Bilinski A. Why It Is Unethical Not to Conduct Randomized Trials in Pregnancy. JAMA. 2026;335(12):1029–1030.
4. Ke AB, Greupink R, Abduljalil K. Drug Dosing in Pregnant Women: Challenges and Opportunities in Using Physiologically Based Pharmacokinetic Modeling and Simulations. CPT Pharmacometrics Syst Pharmacol. 2018;7(2):103-10.
5. Abduljalil K, Ning J, Pansari A, Pan X, Jamei M. Prediction of Maternal and Fetoplacental Concentrations of Cefazolin, Cefuroxime, and Amoxicillin during Pregnancy Using Bottom-Up Physiologically Based Pharmacokinetic Models. Drug Metab Dispos. 2022;50(4):386-400.
6. Fischer JH, Sarto GE, Hardman J, Endres L, Jenkins TM, Kilpatrick SJ, et al. Influence of gestational age and body weight on the pharmacokinetics of labetalol in pregnancy. Clin Pharmacokinet. 2014;53(4):373-83.
7. Rubin PC, Butters L, Kelman AW, Fitzsimons C, Reid JL. Labetalol disposition and concentration-effect relationships during pregnancy. Br J Clin Pharmacol. 1983;15(4):465-70.
8. Koldeweij C, Dibbets C, Franklin BD, Scheepers HCJ, de Wildt SN. A User-Driven Framework for Dose Selection in Pregnancy: Proof of Concept for Sertraline. Clin Pharmacol Ther. 2025 Jan;117(1):214-224.
9. Van Der Heijden JEM, Van Hove H, Van Elst NM, Van Den Broek P, Van Drongelen J, Scheepers HCJ, De Wildt SN, Greupink R. Optimization of the betamethasone and dexamethasone dosing regimen during pregnancy: a combined placenta perfusion and pregnancy physiologically based pharmacokinetic modeling approach. Am J Obstet Gynecol 2025 Feb;232(2):228.
Afscheid van Marianne Nieuwenhuijze: onderzoekspionier in fysiologische verloskunde
Tekst: Sara de Waal | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat
Marianne Nieuwenhuijze neemt afscheid als hoogleraar en lector Midwifery/Fysiologische Verloskunde. Als een van de eerste onderzoekers op het gebied van verloskunde in Nederland heeft ze in bijna vijftig jaar veel zien veranderen. Met dit interview blikt ze terug op haar loopbaan.
Als je terugkijkt op een loopbaan van jaren, zijn er ongetwijfeld momenten die eruit springen. Momenten om trots op te zijn. Voor Marianne is het opzetten van het onderzoeksdomein voor fysiologische verloskunde in Maastricht er daar één van. In 2007 legde zij daarvoor de basis, in een tijd waarin dit onderzoeksveld nog in de kinderschoenen stond. Tegelijk zocht ze actief de verbinding met andere midwifery-onderzoeksgroepen, in Nederland en daarbuiten. ‘Om dat te kunnen doen, ben ik veel naar het buitenland gegaan. Er werd al onderzoek gedaan in Groot-Brittannië. Daar heb ik met allerlei onderzoekers gesproken, zoals Jane Sandall. Hen vroeg ik: hoe hebben jullie dit opgezet? Hoe hebben jullie dit uitgebouwd? Met welke thema’s zijn jullie bezig? Later is daar de verbinding met Canada en de Verenigde Staten bijgekomen. Zo kon ik een goed beeld vormen van wat onderzoek naar fysiologische verloskunde precies inhoudt: hoe kun je in onderzoek minder medisch naar verloskunde kijken?’
In Nederland ontstond op dit vlak al vrij vroeg een samenwerking met de verschillende instituten die hierbij betrokken waren, zoals de andere opleidingen Verloskunde. We hadden ook het geluk dat er in die tijd brede erkenning voor de fysiologische kijk op geboortezorg ontstond. Daardoor kwam er geld beschikbaar om het onderzoek te laten groeien.’ Die basis is nog altijd zichtbaar. ‘Het onderzoeksdomein is nu nog altijd springlevend. Met grote én kleine projecten bereiken we samen veel, vooral als het gaat om het ontwikkelen van inzichten. Niet alleen medisch, maar ook sociaal: wat betekent zwangerschap? Op die manier geven we verloskunde op een holistische manier vorm.’
'Wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel mensen om je heen'

Wat bijblijft
Aan alle jaren die Marianne als verloskundige actief is geweest, heeft ze veel herinneringen. ‘Enerzijds aan bijzondere bevallingen. Soms moeilijke en soms hele mooie’, vertelt ze. ‘Ik denk nu aan een bevalling die ik heb begeleid, waarbij een moeder in bad wilde bevallen van haar vierde kind. Ze wilde dit met de vader en de twee oudste kinderen erbij. Dat ging goed. Er was een warme sfeer. Toen de moeder uit bad wilde, deed vader zijn shirt uit om de baby warm tegen zich aan te houden. Het oudste zoontje deed direct ook zijn shirt uit, ‘voor de baby’. Dat is een voorbeeld van hoe mooi en bijzonder thuis bevallen kan zijn, waar het kind in het gezin ontvangen wordt.’ Als Marianne terugkijkt op haar loopbaan denkt ze daarnaast ook aan de veranderingen door de jaren heen. ‘Vooral hoe anders we tegen het zorgproces zijn gaan aankijken. Steeds meer administratie, wat tijd wegneemt van de cliëntenzorg. Maar ook steeds meer technologie. Er is altijd een spanningsveld als je gezondheid wilt stimuleren, want preventie is steeds meer gekoppeld aan technologie en testen. Daardoor beweegt de mindset echter weg van de fysiologie. Het blijft zoeken naar balans. Het is denk ik goed om enerzijds alert te zijn: wat speelt er? Maar om ook een stuk vertrouwen te houden in jezelf en in de fysiologie, het natuurlijke proces van zwangerschap en geboorte. Dus niet alleen op technologie leunen, want dat doet iets met de relatie met je kind.’
Stem van de cliënt
Marianne ziet ook positieve ontwikkelingen: ‘De afgelopen twintig jaar heeft de samenspraak met de cliënt zich veel meer ontwikkeld. Toen ik in 2014 op dit onderwerp promoveerde, was het nog onzeker of dit wel een plaats in de geboortezorg zou krijgen. Ik denk dat dit onderzoek heeft bijgedragen aan het draagvlak hiervoor, daar ben ik blij om. Want samenspraak kan af en toe ingewikkeld zijn, maar die complexiteit is het waard om te onderzoeken. De basis van de fysiologische verloskunde is eigenlijk: hoe kunnen we het gezonde behouden en wat kunnen verloskundigen doen om dingen zo gezond en normaal mogelijk te houden? Daar hoort het meenemen van de stem van de cliënt bij. Ouders zijn immers primair verantwoordelijk. Wij kunnen die verantwoordelijkheid als zorgverleners niet overnemen. De ouders zijn met het kind een eenheid, die wil je de kans geven om samen te groeien en verder te komen. Er zijn altijd wel situaties waarin spanning is, maar laten we die als uitzondering beschouwen.’ Marianne denkt dat er op het gebied van samenspraak en eigen regie nog wel stappen zijn te maken. ‘Ik denk dat we ons als verloskundigen comfortabeler kunnen leren voelen in uitdagende situaties. Dat je als zorgverlener ermee leert leven dat niet alles gaat zoals je wil, en dat jij ook niet voor alles verantwoordelijk bent. Wél valt er te leren om beter met elkaar in gesprek te gaan, ook met mensen die bijvoorbeeld minder gezondheidsvaardig zijn of schulden hebben, maar net zo goed regie in hun zorgtraject willen hebben. Ook als het gaat om het geven van informatie over gezond leven kunnen we leren om beter aan te sluiten bij verschillende groepen zwangeren. Als je weet wat er voor hen speelt, kun je betere handreikingen geven.’
Samen sterk
Een van de grootste uitdagingen voor verloskundigen de komende jaren is het gezamenlijk vormgeven van de beroepsgroep, denkt Marianne. Ze legt uit: ‘Als we ons als verloskundigen meer verenigen, hebben we een duidelijkere stem en meer invloed. Dan worden we door de buitenwereld als één stem herkend. Maar het blijft uitdagend, met zo veel verschillende praktijken. Soms denk ik dat we met een aantal praktijken afspraken hebben gemaakt, maar dan blijkt er toch nog een extra praktijk te zijn die het weer anders doet. Maar ik zie de hoeveelheid samenwerkingen wel steeds meer toenemen, er worden coöperaties gevormd. Niet alleen als VSV’s, maar ook met verloskundigen. Dit kan bovendien helpen om verloskundigen duurzamer in het vak te houden, doordat je het gevoel krijgt er niet
alleen voor te staan. Dat is een belangrijke factor als het gaat om capaciteitsproblematiek. Bovendien kun je op die manier sterker neerzetten: wat is er nodig voor goede zorg? Dan hoeft niet elke praktijk individueel oplossingen te zoeken. Samen kunnen we veel meer!’
'Blijf altijd kijken naar het individu'
Sociaal perspectief
Marianne denkt dat het voor onderzoekers met name een uitdaging is om een groter, breder beeld te krijgen in verloskundig onderzoek. ‘Vroeggeboorte is bijvoorbeeld een lastig probleem waar we maar moeizaam grip op krijgen. Ik denk dat we soms te technisch en te veel op detail de diepte ingaan, terwijl we dit soort dingen ook meer vanuit een sociaal perspectief kunnen bekijken. Dat we vaker kunnen nadenken over welke effectieve interventies er te vinden zijn vanuit sociaal oogpunt. Dan kijk je bijvoorbeeld ook naar hoe mensen leven en hoe ze worden ondersteund. Ook als het gaat om mentale gezondheid zie ik te vaak dat dit als een individueel psychisch probleem wordt gezien, terwijl daar ook een sociale component zit. We spreken het individu aan, maar hebben ook als maatschappij iets te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het combineren van zorg en werk: daarin staan vrouwen te vaak alleen. Het zou erg helpen als vrouwen meer ruimte en steun krijgen om zwanger te zijn en voor hun kind te zorgen.’
Tips
Als ze jonge verloskundigen één advies zou mogen geven, zou het zijn: ‘Zorg dat je een netwerk om je heen krijgt van mensen die je kunnen ondersteunen. Zoek ook een klankbord om dingen te bespreken die je moeilijk vindt.’ Dat is dus ook haar oproep aan zittende verloskundigen: ondersteun startende verloskundigen, want dat is nodig. ‘De wereld is zo veel ingewikkelder dan toen ik begon. Ook op gebied van wat er van je verwacht wordt qua relatie met cliënten, afspraken, richtlijnen, enzovoorts. Ze kunnen steun gebruiken om de eerste jaren ervaring op te bouwen. Tegen jonge onderzoekers zou ik zeggen: wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel dan mensen om je heen met wie je die vragen samen kunt verkennen. Zoek aansluiting bij de onderzoeksgroepen die er zijn. Een master doe je ook om een bredere blik te krijgen, dat is heel waardevol als het gaat om je persoonlijke ontwikkeling.’
Beroepsidentiteit en richtlijnen
Marianne was niet alleen hoogleraar en verloskundige, maar heeft ook veel gedaan voor de KNOV en de profilering van de verloskunde. Zo was ze lid van onder andere de landelijke richtlijncommissie Verloskundige Indicatielijst, de Expertgroep Beroepsidentiteit en de Commissie Standaarden (die het bestuur adviseert over richtlijnen). Dat deed ze enerzijds uit nieuwsgierigheid en anderzijds om de beroepsgroep te versterken. ‘Het is altijd verrijkend om met elkaar een onderwerp te onderzoeken, het brengt nieuwe inzichten. Beroepsidentiteit is bovendien de basis om verloskundigen te binden en het maakt ons sterker als we goed weten wie we zijn, ook naar buiten. De commissie voor richtlijnen is een oude liefde, daar ben ik rond 2000 mee gestart. Het is heel waardevol om te weten wat er vanuit onderzoek wel en niet bekend is en om dat te gebruiken om de zorg af te stemmen op de vrouw en haar behoefte en keuzes. Tegelijkertijd is het ook goed om te weten wat nog niet of weinig bewezen is. Bijvoorbeeld zoals bij het inleiden met 41 weken. We weten dat het voor een eerste kind een optie kan zijn, maar voor een tweede kind eigenlijk geen meerwaarde heeft. Bij het eerste kind kan het iets betere uitkomsten geven, maar de vraag is dan: hoeveel beter? Blijf altijd kijken naar het individu: wie is de vrouw en wat brengt zij mee? Het gaat dus om een balans. Je wilt nadenken over wat de evidence zegt en wat richting geeft, maar weeg ook andere factoren mee. Elk geval is uniek.’
Emeritaat
Hoewel Marianne afscheid neemt als hoogleraar en met emeritaat gaat, blijft ze een dag in de week promovendi begeleiden en onderzoeksprojecten helpen ontwikkelen. ‘Verder ben ik van plan om te publiceren over de geschiedenis van de verloskunde, daarin ben ik erg geïnteresseerd. Ook wil ik mijn vroedvrouwvaardigheden inzetten bij mijn kleinkinderen en ze ondersteunen door middel van watchful attendance. Daarnaast wil ik weer gaan reizen. Wat ik ga missen is het sparren met studenten; promovendi zijn vaak wat ouder. Het blijft altijd leuk om te horen wat jonge mensen bezighoudt en hoe zij in de maatschappij staan.’
Liever van Marianne zelf haar inzichten horen uit haar rijke carrière? Kom 26 juni naar de ALV-middag in Utrecht of beluister aflevering 3 van KNOV - de podcast!
Gegevensuitwisseling via Blinkz: 'juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert'
Tekst: Hedy Jak | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat
Geboortezorgprofessionals die elkaars dossiers kunnen inzien: het klinkt logisch en levert direct winst op. Minder dubbel werk, meer tijd voor de cliënt. Eerstelijnsverloskundige Martine Kokkelmans uit Geleen (Limburg) werkt met Blinkz (voorheen Babyconnect) en is voortrekker binnen haar VSV. Zij vertelt wat digitaal samenwerken haar in de praktijk oplevert, hoe het de kwaliteit van zorg versterkt en waarom het juist nu helpt bij het omgaan met de groeiende capaciteitsdruk in de verloskunde.
Martine Kokkelmans werkt al ruim twintig jaar als verloskundige en is mede-eigenaar van verloskundigenpraktijk Verloskundigen Geleen. Sinds begin dit jaar vervult zij de rol van coördinator binnen een fusiepraktijk, waarin acht praktijken zijn samengegaan tot één organisatie met drie teams. Daarnaast is zij bestuurder van de Verloskundige Coöperatie Zuid-Limburg en was zij de afgelopen jaren als projectleider zorg nauw betrokken bij de implementatie van Babyconnect in Limburg.
Je bent binnen je VSV voortrekker op het gebied van gegevensuitwisseling. Hoe ben je betrokken geraakt bij Blinkz?
‘Al meer dan tien jaar ben ik betrokken bij onze VSV-werkgroep vanuit de wens om gegevens tussen zorgverleners rondom moeder en kind op één plek te kunnen inzien en delen. Het subsidieproject van VIPP Babyconnect kwam op ons pad. Dat was de kans om gegevensuitwisseling niet alleen lokaal, maar landelijk te organiseren. Want als je echt vooruitgang wilt boeken, moet je verder kijken dan je eigen regio. We wilden immers ook eenvoudig gegevens kunnen uitwisselen met bijvoorbeeld Amsterdam, en niet alleen met de zorgverleners in onze directe omgeving. De voorwaarden van de subsidie speelden daarin een belangrijke rol. Daarvoor hebben we de samenwerking opgezocht met andere VSV’s en het initiatief direct provinciebreed opgepakt. Dit leidde tot de oprichting van een projectgroep en een gezamenlijke subsidieaanvraag namens heel Limburg. Hierdoor kunnen we, in heel Nederland, laten zien wat er mogelijk is door betere informatievoorziening en gegevensuitwisseling.’
Wat motiveerde jou om daarin een actieve rol te pakken?
‘Als bèta-georiënteerde verloskundige – ik studeerde eerst Bouwkunde – ben ik misschien een beetje atypisch. Ik ben niet vies van cijfers en techniek. Mijn motivatie haalde ik uit een stukje frustratie dat ik in mijn dagelijks werk ervoer op het gebied van gegevensuitwisseling. Alle gegevens zijn al ergens, we moeten alleen gigantisch veel moeite doen om die op tafel te krijgen. Dat kon efficiënter, vond ik. De tijd die we kwijt zijn met het zoeken naar gegevens, zou in de zorg voor onze patiënten moeten zitten. Mijn drive om dit te doen is om collega’s meer tijd in de zorg te gunnen.’
Kun je schetsen hoe het delen van dossiers via de viewer er in de praktijk uitziet?
‘Voordat zorgverleners de viewer (zie kader Wat is Blinkz?) goed kunnen gebruiken, is het nodig om de toestemming aan te hebben staan en moet de toegang geregeld zijn. Als dat goed staat, kun je de documenten zien die alle geboortezorgpartners in onze regio publiceren. Dat kan een ontslagbrief uit het ziekenhuis zijn, een partusverslag of bijvoorbeeld de uitkomst van een consult. Dergelijke documenten staat in een overzicht bij elkaar.’

Kun je een voorbeeld noemen van dubbel werk dat voorkomen wordt omdat je elkaars dossiers kunt inzien?
‘Als ik voorheen een visite op de kraamafdeling van een ziekenhuis ging doen, dan moest ik langs de post aan de verpleegkundige vragen hoe het met een cliënt ging. Door gebruik te maken van Blinkz kan ik voordat ik naar het ziekenhuis vertrek, in de viewer al even lezen wat de verpleegkundige die dag heeft opgeschreven over die opname. Daardoor kan ik meteen naar mijn cliënt toe gaan. Wat we ook al doen, is de terugkoppeling van consulten teruglezen in de viewer. Bij het voorbereiden van mijn spreekuur kan ik dan zien wat er vorige week is uitgekomen toen een cliënt bij de gynaecoloog was.’
Merk je ook verschil in de samenwerking met andere zorgverleners binnen het VSV?
‘Zeker! Vroeger was het altijd een hele klus om dossiers van een eerdere zwangerschap op te vragen. We moesten de vorige zorgverlener bellen, en het gebeurde vaak dat de informatie via een beveiligde mail werd gestuurd, of soms zelfs onbeveiligd, omdat sommige collega’s niet precies wisten hoe ze het veilig moesten versturen. Nu is het een stuk eenvoudiger. Zodra onze cliënt toestemming geeft, zetten we de toegang in de viewer aan en kunnen we meteen de gegevens van eerdere zwangerschappen inzien. Het is binnen een minuut geregeld. Je belt, vraagt of ze de toegang even aanzetten, en zodra de cliënt toestemming heeft gegeven, is het al zichtbaar. Het zit gekoppeld aan haar digitale dossier, dus we hoeven die informatie niet zelf nog te verzamelen.’
In tijden van capaciteitsproblemen: levert deze manier van werken daadwerkelijk tijdwinst op?
‘Dat vind ik nog een lastige vraag om te beantwoorden omdat het een groeimodel is en iedereen aan het wennen is om ermee te werken. Op dit moment zijn we druk bezig om ervoor te zorgen dat iedereen de toestemming en toegang op de juiste manier aan heeft staan. Daar zit een stuk winst in. Dat zijn we aan het versnellen, zodat we dat allemaal op een vast moment vragen en doen. Volgend jaar zijn we verder en schat ik in dat ik dan volmondig ja kan zeggen.’
Helpt dit systeem ook om sneller te schakelen bij drukte of onverwachte situaties?
‘Het gemak is groot. Met een paar klikken heb je toegang tot de informatie en dat helpt zeker bij drukte of onverwachte situaties. De viewer biedt een handig en snel overzicht, zeker in situaties waarin je moet doorverwijzen. Voorheen moest ik eerst een volledige verwijzing via ZorgDomein aanmaken om alle gegevens in het ziekenhuis te krijgen. Als je het nu tijdens de zwangerschap goed inricht – en dat geldt ook voor het ziekenhuis – is de zwangerschapskaart bij een verwijzing automatisch beschikbaar. Dat scheelt echt tijd. Tegelijkertijd zijn we er nog niet. Het systeem is een goed startpunt, maar er liggen nog volop ontwikkelwensen, bijvoorbeeld op het gebied van functionaliteiten die technisch al mogelijk zijn, maar nog niet door de bronsystemen ondersteund kunnen worden. Dat maakt het soms lastig, want de praktijk vraagt om snelheid en volledigheid. Onderdelen zijn echt nog in ontwikkeling.’
'Het systeem levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk'

Is het de moeite waard om al met de viewer te gaan werken?
‘Ja, ik denk dat we er zeker al mee moeten gaan werken. Wat er nu staat, werkt goed en biedt al een mooi en bruikbaar overzicht van de beschikbare gegevens. Natuurlijk willen we er in de toekomst nog veel meer uithalen, maar dat is geen reden om te wachten tot alles volledig is doorontwikkeld. Mijn advies is: begin gewoon. Juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert én wat er nog beter kan. Bovendien sluiten steeds meer partijen aan. Zo kunnen kraamcentra via hun bronsysteem Atermes al gegevens uitwisselen, waardoor we ook de bevindingen van kraamverzorgenden kunnen inzien. Het systeem is nog niet af, maar het is absoluut een waardevol begin, en het levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk.’
Wat zou je andere VSV’s adviseren die nog aan het begin staan van digitale gegevensuitwisseling via Blinkz?
‘Werk met elkaar samen en leer een routine aan. Als je er niet mee werkt, ervaar je ook niet wat je eraan kunt hebben. Als de drempel te hoog voelt omdat je blijft vasthouden aan bestaande processen die je al kent, dan kan het helpen om binnen de praktijk of binnen je regio een buddysysteem af te spreken. Dan doe je het samen, dat werkt vaak goed.’
Vanaf 1 januari 2026 is digitale gegevensuitwisseling ondergebracht binnen het Duurzaam Informatiestelsel Geboortezorg (DIG). Hierin werken de KNOV, NVOG, BO Geboortezorg, BEN, NVK, de Federatie van VSV’s en Nictiz samen, met een prominente rol voor de eindgebruikers. Blinkz werkt in opdracht van de geboortezorgpartijen en beheert de inhoudelijke en technische doorontwikkeling van toekomstbestendige gegevensuitwisseling.
Achter de schermen bij de inspectie
Tekst: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), 2026-2
Beeld: Aangeleverd
Wanneer moet je als verloskundige een situatie melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Wat gebeurt er nadat er een melding bij de IGJ is binnengekomen? En wat doet de inspectie met signalen uit het veld? Voor veel verloskundigen blijft het werk van de inspectie abstract en op afstand. IGJ-inspecteur Lauri van den Berg geeft je een inkijkje in haar werk.
Verloskundigen zijn deskundigen in de geboortezorg, maar toch kan er in de praktijk iets misgaan. Daarom regelt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) dat verloskundigenpraktijken incidenten en calamiteiten moeten onderzoeken om ervan te leren en zo de zorg verder te verbeteren. Het toezicht van de IGJ is daarop een extra waarborg, zodat zwangeren en gezinnen kunnen rekenen op veilige en kwalitatief goede zorg. Tegelijk signaleert de inspectie knelpunten in de praktijk, zoals de lange reistijd naar het ziekenhuis door verkeersdrukte in stedelijke gebieden. Hoewel de IGJ zulke problemen niet zelf oplost, brengt zij deze wel onder de aandacht van ministeries en beleidsmakers.
Meldingen belangrijk voor de inspectie
‘Een deel van mijn werk bestaat uit het onderzoeken van meldingen’, vertelt Lauri. Jaarlijks ontvangt de inspectie zo’n 40 tot 50 meldingen over de eerstelijnsverloskundige zorg, waarvan een groot deel verplichte meldingen zijn (zie kader). Daarbij is het onderscheid in ernst belangrijk: een incident, waarbij (mogelijke) beperkte schade is ontstaan, moet wel intern onderzocht worden, maar hoeft niet gemeld te worden. Pas bij een ernstig schadelijk gevolg of overlijden is sprake van een calamiteit en geldt een meldplicht. Hierover bestaat in de praktijk nog vaak een misverstand, bijvoorbeeld dat elke perinatale sterfte gemeld moet worden. ‘Dat is niet zo,’ licht Lauri toe. ‘Alleen als er een relatie is met tekortkomingen in de zorg, is melden verplicht.’ Naast deze verplichte meldingen ontvangt de IGJ ook signalen van zorgverleners en zorggebruikers. ‘Die meldingen geven inzicht in wat er speelt in de dagelijkse praktijk en waar de grootste risico’s liggen voor de kwaliteit en veiligheid van de geboortezorg.’
Verantwoordelijkheid van praktijkhouder
Praktijkhouders zijn als zorgaanbieders volgens de Wkkgz verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg van de verloskundigenpraktijk. De IGJ verwacht dat zij de calamiteitenmeldingen doen. ‘We zien regelmatig dat zzp’ers dit zelfstandig oppakken, terwijl juist een gezamenlijke aanpak nodig is om verbetermaatregelen breed door te voeren binnen een praktijk.’ Lauri ziet dat dit ook waardevol is voor waarnemers, die soms net zijn afgestudeerd. ‘Zij hebben een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt en horen nazorg te krijgen van hun collega’s. Samen melden en onderzoeken helpt hierbij.’ Tegelijkertijd blijft de drempel om te melden hoog: verplichte meldingen worden soms te laat of niet gedaan. Volgens Lauri speelt naast onwetendheid ook angst een rol. ‘Helaas heerst het beeld nog te veel dat wij straffen, terwijl onze focus ligt op leren en verbeteren na een calamiteit.’
'Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en wat verbetermaatregelen zijn'

Vertrouwen als vertrekpunt
Na een calamiteitenmelding vraagt de inspectie de zorgaanbieder om zelf onderzoek te doen, vanuit het uitgangspunt van vertrouwen in de professional. ‘Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en welke verbetermaatregelen voor hun praktijk en regio passend zijn’, vertelt Lauri. Omdat calamiteitenonderzoek geen dagelijks werk voor verloskundigen is, biedt de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten (scan hiervoor de code). Daarnaast wordt binnen de KNOV-academie gewerkt aan een microlearning over calamiteitenonderzoek.
De meeste calamiteiten spelen zich af in de hele geboortezorgketen, niet alleen binnen één praktijk. Daarom stimuleert de IGJ gezamenlijk onderzoek door ketenpartners. ‘We zien goede voorbeelden, zoals VSV’s die vooraf afspraken maken over hoe zij calamiteiten samen onderzoeken.’
De IGJ als externe toets
Na een calamiteitenonderzoek beoordeelt de inspectie of dit zorgvuldig uitgevoerd is en of de verbetermaatregelen passend zijn. Is dat het geval, dan wordt de melding afgesloten. ‘Wij kijken ook naar de nazorg en of het perspectief van de zwangere of het gezin is meegenomen.’ De inspectie heeft ook familie-inspecteurs die in specifieke situaties de familie begeleiden bij wat er is gebeurd nadat een verloskundigenpraktijk een melding bij de inspectie heeft gedaan. Anders dan vaak gedacht, ligt de nadruk van de inspectie niet op het nemen van maatregelen tegen een praktijk: uitgangspunt is dat verloskundigen leren en verbeteren. Alleen als dat onvoldoende gebeurt, of bij ernstige signalen zoals een alcoholverslaving van een verloskundige, grijpt de inspectie in.
Ook leren van wat goed gaat
Toezicht gaat niet alleen over verbeterpunten, maar juist ook over wat goed gaat. ‘Tijdens onze VSV-bezoeken zien we bijvoorbeeld dat gezamenlijke consulten tussen de zwangere en de eerste en tweede lijn goed werken bij zorgvragen buiten de richtlijn,’ vertelt Lauri. Dit past bij Safety-II: leren van wat goed gaat en die inzichten delen. Lauri sluit af: ‘We werken allemaal aan hetzelfde doel: veilige en goede geboortezorg. Door signalen te delen en samen te leren, kunnen we die zorg blijven verbeteren.
Klik hier voor de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten.
Hoe houd je grip als er geen plek is in het ziekenhuis? Samen sterker bij opnamestops
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat
Het is een herkenbaar scenario voor eerstelijnsverloskundigen: het kost veel tijd om voor een cliënt een plek te vinden in het ziekenhuis. De tijd dringt en ondertussen lopen je andere zorgvragen door. Door opnamestops bij ziekenhuizen en centralisatie van zorg komen dit soort situaties steeds vaker voor – en als verloskundige trek je regelmatig aan het kortste eind. Het onderzoeksproject OPTIMISTIC biedt hier geen pasklare oplossing voor, maar wel handvatten om er beter mee te kunnen omgaan.
Tamar van Haaren-Ten Haken is sinds juni lector bij het lectoraat Midwifery Science bij de Academie Verloskunde Maastricht. In deze rol volgt zij Marianne Nieuwenhuijze op (lees meer op pagina 18). Ze is daarnaast betrokken bij het onderzoeksproject OPTIMISTIC (OPTIMIzing SusTaInable midwifery Care in line with professional identity). Ze legt uit dat dit onderzoek voortkomt uit een ontwikkeling die al langer speelt: structurele capaciteitsproblemen in de geboortezorg. ‘Door tijdelijke opnamestops, sluiting van verlosafdelingen en centralisatie van zorg kunnen zwangeren niet altijd in hun eigen regio bevallen. Het komt regelmatig voor dat baby’s onderweg naar het ziekenhuis worden geboren. Of dat zwangeren vanwege de vertraging of langere reistijd toch thuis bevallen – ondanks een medische indicatie. Dit heeft impact op de cliëntervaringen, de werktevredenheid van verloskundigen en op de veiligheid van zorg.’
Weinig invloed
Voor eerstelijnsverloskundigen betekent dit concreet: meer afstemming, meer reistijd en meer onzekerheid. Maar ook: stress en minder werkplezier doordat de zorg die ze leveren onder druk komt te staan. Tamar: ‘Als een ziekenhuis besluit om verloskamers te sluiten, voelt het voor eerstelijnsverloskundigen soms alsof zij het probleem moeten oplossen, terwijl ze daar weinig invloed op hebben. Die spanning is voelbaar in het werkveld. Verloskundigen geven aan dat het huidige systeem hun werkplezier aantast en dat ze zich afvragen hoe ze met deze situatie moeten omgaan. Mogelijke noodoplossingen waarover wordt gesproken, zijn triageposten of het oprichten van een geboortecentrum.’
Gezamenlijke aanpak
Het onderzoek richt zich bewust niet op het oplossen van het capaciteitsprobleem. ‘Dit ligt grotendeels buiten onze invloedssfeer’, geeft Tamar aan. ‘In plaats daarvan zoomen we met OPTIMISTIC in op een concreet en dagelijks terugkerend probleem: er is geen plek in het ziekenhuis. Wat kun je als eerstelijnsverloskundige doen op het moment dat je hiermee te maken krijgt? En kun je dan praktisch samenwerken met collega’s in de regio? Met dit onderzoek willen we van een reactieve manier van werken – steeds opnieuw oplossingen zoeken in acute situaties – toe naar een meer voorbereide en gezamenlijke aanpak.’
Impact zichtbaar maken
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het in kaart brengen van de impact van opnamestops. Want hoewel deze regelmatig in het nieuws komen, blijft de invloed op de eerstelijnsverloskunde vaak onderbelicht. Tamar: ‘We kijken niet alleen naar cijfers, maar ook naar ervaringen. Wat betekent het voor jou als professional? Wat doet het met je cliënt? We verzamelen casuïstiek en verhalen van verloskundigen om dat beeld compleet te maken. Hierbij maken we ook gebruik van grote databestanden zoals VeCaS, met gegevens over tienduizenden zwangerschappen. Zo krijgen we inzicht in zorgstromen, uitkomsten en verschillen tussen regio’s.’ Opvallend is dat de gevolgen verder reiken dan alleen logistiek ongemak. Denk aan vertraagde zorg, onrust bij zwangeren en situaties waarin afgesproken zorg – zoals pijnbestrijding of een plaatsindicatie – niet beschikbaar is. ‘Er wordt vaak gezegd dat de acute zorg geborgd is’, vertelt Tamar. ‘Maar goede zorg is meer dan alleen acute veiligheid. Ook de afgesproken zorg en de ervaring van de cliënt tellen mee.’
‘Eerstelijnsverloskundigen kunnen meer invloed uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren’

Beroepsidentiteit als kompas
Een tweede pijler van het onderzoek is de beroepsidentiteit van verloskundigen in relatie tot capaciteitsproblematiek. Wat vinden wij belangrijk in ons werk? En waar schuurt het wanneer systemen onder druk staan? OPTIMISTIC is gestart voordat de KNOV de Beroepsidentiteit van de Verloskundige ontwikkelde. Binnen het onderzoek wordt beroepsidentiteit (professional identity) in bredere zin gebruikt, als overkoepelend begrip. ‘Bij opnamestops zie je dat kernwaarden in het geding komen’, vertelt Tamar. ‘Bijvoorbeeld continuïteit van zorg of voldoende tijd kunnen besteden aan het begeleiden van je cliënt. Dat raakt direct aan hoe je je werk wilt doen. Daarom verkennen we binnen OPTIMISTIC, samen met verloskundigen, wat de gedeelde kernwaarden zijn. Niet alleen op papier, maar juist zoals verloskundigen die in de praktijk ervaren. Deze waarden vormen vervolgens de basis voor het verkennen van mogelijke samenwerkingsvormen in de regio. Want samenwerken kan helpen om het probleem van de opnamestops het hoofd te bieden – maar alleen als het past bij hoe verloskundigen hun vak willen uitoefenen.’
Regionaal organiseren
Waarom ligt de focus op regionaal niveau? Tamar: ‘Omdat daar veel van de problemen samenkomen. Vaak hebben meerdere praktijken te maken met één of twee ziekenhuizen. Elke praktijk ervaart dezelfde problemen, maar probeert ze individueel op te lossen. Er is mogelijk winst te behalen door als eerstelijnsverloskundigen regionaal samen te werken. Hierbij kun je denken aan gezamenlijke achterwachtsystemen, een slimmere verdeling van zorg of het bundelen van capaciteit. Het is hierbij belangrijk dat de samenwerking niet alleen uit nood ontstaat, maar ook gebaseerd is op een gedeelde visie. Als die ontbreekt, kan samenwerking juist frictie opleveren. Daarom beginnen we bij de vraag: wat vind je belangrijk in je werk? Van daaruit kunnen we verder bouwen.’
'Door slim samen te werken in de regio, kun je zorgen voor minder werkdruk en meer werkplezier'
Van inzicht naar instrument
Een van de beoogde opbrengsten van OPTIMISTIC is een simulatiemodel, dat wordt ontwikkeld met Universiteit Twente. Dit model moet inzicht geven in de effecten van verschillende manieren van samenwerken. Hierbij houdt het model rekening met meerdere factoren tegelijk, zoals het aantal zorgverleners in de regio, de gemiddelde zorgvraag en regionale kenmerken. Maar ook met het aantal verloskundigen, het aantal ziekenhuizen en de reistijd daarnaartoe. Het idee is dat verloskundigen met dit model straks voor hun eigen regio scenario’s kunnen verkennen: wat gebeurt er als je anders samenwerkt? En wat betekent dat voor de capaciteit, werkdruk en continuïteit van zorg? Tamar legt uit: ‘Met dit model kun je als het ware verschillende situaties in jouw regio simuleren. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er bij piekbelasting? Of als een ziekenhuis tijdelijk sluit? Zo kun je op voorhand beter onderbouwde keuzes maken. We gaan het simulatiemodel in twee regio’s als pilot testen.’
Meer regie, minder stress
Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dus dat eerstelijnsverloskundigen meer invloed kunnen uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren – juist binnen de beperkingen die er zijn. Dit betekent niet dat de verantwoordelijkheid volledig bij hen komt te liggen. Integendeel. ‘Het gaat er niet om dat verloskundigen het probleem moeten oplossen’, benadrukt Tamar. ‘We willen juist laten zien waar je wél invloed op hebt en hoe je samen sterker kunt staan: een verandering van voortdurend reageren naar beter voorbereid zijn.’
Betekenis voor de praktijk
Hoewel het onderzoek nog tot en met volgend jaar loopt, levert het nu al waardevolle inzichten op. Alleen al het delen van ervaringen blijkt belangrijk. ‘We merken dat verloskundigen zich gehoord voelen’, zegt Tamar. ‘Hun verhaal krijgt aandacht – en dat is hard nodig. Uiteindelijk zullen de resultaten leiden tot praktische handvatten voor eerstelijnsverloskundigen die te maken krijgen met opnamestops. Het grotere probleem van capaciteitsdruk zal daarmee niet verdwijnen. Maar de manier waarop we hiermee omgaan, kan wel veranderen. Als we door een goede samenwerking kunnen bijdragen aan minder werkdruk, minder stress, meer werkplezier en betere zorg voor cliënten, dan is dat al een belangrijke stap.’
Known, supported, and learning: why continuity of preceptorship matters
Tekst: A. Mountforda,c, J. Fenwicka, K. Smalld, M. Andersonb, H. Konowecb, R. Gasparottob, C. Catlinga, H. Rotha, K. Bairda, D. Foxa
The quality of midwifery education depends heavily on what students experience in practice. For many students, clinical placement is where learning becomes real, but it can also be where confidence is tested. Entering unfamiliar clinical environments, working with different midwives each shift, and navigating unspoken and unwritten expectations can generate significant anxiety, particularly early in the degree. Feeling known, supported, and safe enough to ask questions matters not only for learning, but also for students’ sense of belonging within the profession.

Maternity services are under increasing pressure. Workforce shortages and high clinical demands make it challenging to provide consistent supervision for students placed in the clinical area. Traditional shift-based preceptorship models, where students work with different midwives from one shift to the next, are common, but they can fragment learning and make it harder for students to build confidence and develop a professional identity.
This article presents findings from the implementation and evaluation of a continuity-of-preceptorship model known as One Midwife – One Student (OMOS) (Mountford et al, 2026). Drawing on students’ voices, the study explores how continuity shaped their learning, what worked well, and what did not always work. The relevance of this approach for midwives, maternity services, and educators is also discussed.
What was explored
A continuity-of-preceptorship model was explored within a Bachelor of Midwifery program in Australia, where students typically undertake clinical placement in hospital-based maternity services. In this model, a student was paired with a named midwife preceptor and worked with that midwife over the course of multiple shifts. The intention was to create greater relational continuity and thereby support students’ learning, while enabling students to engage with the broader clinical team.
Rather than focusing on performance or competency outcomes, the study sought to understand how students experienced placement under this model, how they felt, how they learned, and how continuity shaped their sense of confidence and belonging. Students recorded video reflections across their time in practice, providing insight into the everyday realities of learning within busy maternity services.
What students reported
Rather than describing their placements in terms of isolated skills or tasks, students talked about how the experience felt. Many contrasted continuity placements with earlier experiences of moving from one midwife to another, describing the emotional and cognitive load of constantly re‑introducing themselves and trying to gauge expectations. One student spoke about the relief of knowing who they would be working with:
‘There was no awkward period or stress for me because I knew where I was going and who I was working with.’
Others reflected on how being known by a preceptor changed how they participated, particularly early in placement when anxiety was high. Students without continuity often described being ‘on high alert’, feeling unsure where theyfitted, or hesitant to step forward.
Across accounts, what mattered most was not perfection or protection, but feeling supported enough to learn.
What worked well
Students consistently described feeling calmer and more confident when working with a known preceptor. Knowing who they would be working with reduced anticipatory stress and allowed them to focus on learning rather than self‑management.
Continuity enabled preceptors to understand students’ strengths, learning needs, and stage of development. Students described feeling more willing to ask questions, try new skills, and reflect honestly when they felt safe within the relationship. As one student put it:
‘She already knew what I was confident with and where I needed more support, that made a huge difference.’
Continuity also helped with everyday practicalities, such as completing clinical documentation or accessing learning opportunities. Preceptors who knew students well were better placed to support progress toward learning goals and advocate for opportunities when they arose.
What didn’t always work
Continuity was not always achievable. Staffing pressures, rostering constraints, sick leave, and busy clinical areas, particularly birth suite, sometimes disrupted planned pairings. When this occurred, students could feel uncertain about their role or how best to engage in learning opportunities. As one student explained:
‘Some days I would get there and stuff wasn’t organised, so I wasn’t assigned a midwife, which was a little bit hard to get my foot in the door.’
Importantly, students consistently recognised these challenges as system‑level issues rather than individual failings. Their reflections highlighted the need for flexibility and contingency planning, rather than suggesting that continuity must be perfect to be valuable.
'Continuity of preceptorship sits at the intersection of learning, wellbeing, and workforce sustainability'
Why this matters for practice
What midwifery students experience on placement shapes far more than their immediate learning. The clinical environment influences how students see themselves as future midwives, how confident they feel stepping into practice, and whether they feel that midwifery is where they belong. Continuity of preceptorship matters because it sits at the intersection of learning, wellbeing, and workforce sustainability.
For midwife preceptors, continuity enables teaching relationships to develop over time. When preceptors know a student’s strengths, anxieties, and stage of learning, supervision becomes more responsive and purposeful. Teaching moves beyond task allocation towards mentorship, supporting students to grow, reflect, and take on responsibility under supervision. Many students described how relational continuity made it easier for preceptors to encourage them, challenge them appropriately, and advocate for learning opportunities when the clinical environment was busy.
For maternity services, continuity of preceptorship offers a different way of supporting students without increasing supervision burden. While coordinating continuity requires planning and flexibility, students in this study described being more engaged, more confident, and less hesitant to participate in care. When students feel settled and supported, they are better able to contribute meaningfully to the team, rather than expending cognitive and emotional energy simply trying to work out where they fit. Importantly, continuity does not need to be flawless to be effective, even partial continuity appeared to reduce stress and enhance learning.
For educators, early placement experiences are pivotal. Students repeatedly described how feeling welcomed, known, and supported influenced their motivation and confidence across the remainder of their placement. Models that foster belonging and relational safety early in training may play an important role in retention, progression, and preparation for practice. At a time when the midwifery workforce is under pressure, approaches that support students to thrive, rather than simply endure placement, deserve close attention.
Ultimately, continuity of preceptorship is not only an educational strategy. Continuity is a way of affirming students as emerging professionals, supporting midwives in their teaching role, and strengthening the foundations.
'When students feel settled and supported, they are better able to contribute meaningfully to the team'
Conclusion
This model reflects and builds on the central role that relationships play in midwifery. Continuity of preceptorship created conditions in which students felt safer to learn, more confident to participate, and more able to see themselves as midwives. While continuity was not always achievable, even partial relational consistency shaped students’ experiences in meaningful ways.
At a time when maternity services and education providers are navigating significant pressure, approaches that prioritise relational safety and belonging warrant attention. Continuity of preceptorship is one such approach, not as a perfect or one-size-fits-all solution, but as a way of strengthening learning environments and supporting the next generation of midwives to grow with confidence. Paying attention to how midwifery students experience placement, not just what they do, can better support learning, professional identity, and the future sustainability of the midwifery workforce.
Reference
Mountford, A., Fenwick, J., Small, K., Anderson, M., Konowec, H., Gasparotto, R., Catling, C., Roth, H., Baird, K., Fox, D. (2026) One midwife, one student: Exploring continuity of preceptorship in midwifery education, Women and Birth, 39:102194. Click here to read the full article.
Affiliations
a School of Nursing and Midwifery, Faculty of Health, University of Technology Sydney T. +61 (02) 9514 7986, M. +61 0409 032 903, PO Box 123 Broadway NSW 2007 Australia [Collective for Midwifery, Child and Family Health]
b The Royal Hospital for women, Barker St, Randwick, NSW 2031, Australia
c Bankstown Lidcombe Hospital, Eldridge Rd, Bankstown, NSW 2200, Australia
d Maternal, Child and Adolescent Health Program, Burnet Institute, Melbourne, VIC, Australia
Cortonen luisteren naar eer en geweten. Het KNOV-standpunt Intermitterende Auscultatie durante partu
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-1
Tijdens de bevalling naar de foetale hartslag luisteren: een belangrijke graadmeter voor de conditie van het ongeboren kind. Toch was er tot voor kort geen landelijke richtlijn voor. Nu is dat standpunt er wel, maar zonder vaste frequenties of tijdseenheden. Waarom is dat? Alieke de Roon-Immerzeel, verloskundige en bestuurder bij de KNOV, en Margot Klein Essink, verloskundige en beleidsadviseur Ontwikkeling & Innovatie bij de KNOV, geven uitleg.

Het luisteren naar de hartslag van het kind tijdens de bevalling is al decennia gebruikelijk’, vertelt Alieke. ‘Gebaseerd op de klinische expertise van de verloskundige, niet volgens een richtlijn of standpunt. Want we hebben nooit vastgelegd hoe je zou moeten luisteren. Het is een momentopname: hoe staat het er op dat moment voor met het kind? En de keuze om te luisteren – en vervolgens hoe lang en hoe vaak – verschilt enorm per situatie: de context is allesbepalend.’
'Bij cortonen luisteren gaat het niet om kwantiteit, maar om kwaliteit'
Het gebrek aan expliciete kaders veroorzaakte steeds grotere druk van buiten. Bij uitspraken over klachten, geschillen en tuchtzaken kwam steeds vaker naar voren dat er een richtlijn zou moeten komen. Als houvast voor de verloskundige en als controle achteraf: heeft de verloskundige de bevalling goed begeleid? Alieke: ‘Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vroeg hier specifiek naar. Dat maakt dat we ons ertoe moesten verhouden.’
Geen kwantificering
Het KNOV-standpunt verschilt van veel internationale richtlijnen, die vaak vaste frequenties hanteren. Margot legt uit: ‘Er is geen beschikbaar bewijs dat laat zien dat een bepaalde frequentie of duur beter is. Sterker nog: we weten ook niet wat de gevolgen zijn als je wél heel frequent met je doptone luistert. Dus we laten het aan de professionele beoordeling van de verloskundige zelf over hoe vaak en hoe lang ze luistert. Ons standpunt: luister op basis van jouw kennis en ervaring, in samenspraak met je cliënt. Zorg voor een juiste interpretatie van de hartslag en een logisch vervolgbeleid. Wij kwantificeren dit verder bewust niet, omdat dit per situatie kan verschillen.’
Onnodige interventies voorkomen
‘Uit onderzoek blijkt dat continue CTG-monitoring leidt tot meer onnodige interventies’, vervolgt Margot. ‘Die willen we juist voorkomen. Er is geen onderzoek gedaan naar luisteren met de doptone of monoauraal stethoscoop. Met de kennis die we hebben over het CTG weten we wél dat we niet te vaak moeten luisteren. Tegelijkertijd willen we ons wel een beeld kunnen vormen van de foetale conditie. Dat betekent dat we geen vaste frequentie voorschrijven. We gaan uit van de expertise, morele afweging en professionele autonomie van de verloskundige. Bovendien heeft cortonen luisteren volgens een vaste richtlijn een schaduwkant. Het is een vorm van screening, met een groter risico op schijnveiligheid en onterechte geruststelling. Verloskundigen zullen die screening dus wijs – en niet te veel – moeten inzetten. Het is een momentopname, één facet van het geheel. Dat zul je daarom ook goed moeten uitleggen aan je barende cliënt. Met dit standpunt hebben we gezocht naar een wijs midden.’
Een controversiële insteek
Dat het standpunt geen ‘harde’ aanbevelingen bevat, maakt het voor sommigen juist lastig. ‘Het is best controversieel’, erkent Alieke. ‘We voldoen aan het verzoek van de IGJ en het bredere veld om een standpunt, maar inhoudelijk zeggen we: doe dit naar je eigen professionele inzicht. Dit maakt Alieke trots: ‘Het breekt met het bekende en overheersende medicaliserende denken, dat vaak bewijs- en protocolgedreven is. Wij zeggen juist: de evidence ontbreekt, dus is er ruimte om onze professionaliteit vanuit gezondheidsbevordering als leidend te zien. Dit sluit naadloos aan bij de verloskundige beroepsidentiteit, die we vorig jaar hebben vastgesteld.’


Beroepsidentiteit als kompas
Het standpunt rondom cortonen luisteren is het eerste kwaliteitsdocument dat expliciet is vormgegeven vanuit onze beroepsidentiteit. Deze beroepsidentiteit beschrijft het geheel van waarden, kennis en verantwoordelijkheden van de beroepsgroep en fungeert als kompas in een veranderend zorglandschap. ‘De beroepsidentiteit is concreet en geeft houvast’, zegt Margot. ‘In je werk én als het gaat om dit soort standpunten en richtlijnen. Je hoeft je niet af te vragen vanuit welke achtergrond je kijkt of welke visie je hebt, omdat dat kader helder is. Dat maakt het transparant, ook naar de buitenwereld.’
Professionele verantwoording
Margot: ‘In tuchtzaken draait het vaak om jouw handelen: heb je gedaan wat je moest doen? Hoe bewijs je dat? Het partusverslag is dus heel belangrijk. Dan gaat het er niet om dat je elk kwartier naar de hartslag van het kind hebt geluisterd. Het gaat erom dat je zelf goed hebt afgewogen en met je cliënt hebt afgestemd hoe vaak je luistert, wat je bevindingen waren en wat passend vervolgbeleid is én dat je dit goed hebt vastgelegd. Het beluisteren tijdens de bevalling kan bovendien belastend zijn voor de zwangere. Overleg samen wat het beste is in jullie situatie.’ Alieke vult aan: ‘Als je twaalf uur bij een bevalling bent geweest en je hebt geen enkele keer geluisterd, dan moet je met een goed verhaal komen. Dat is ook logisch. Maar stel: je ziet het hoofdje al staan, dan trek je handschoenen aan en ga je niet eerst de doptone pakken omdat dat volgens de regels zo hoort. Het is zó situatieafhankelijk. We weten wat we moeten doen, daar zijn we voor opgeleid.’
In de praktijk zal er op het eerste gezicht dan ook weinig veranderen. ‘Je blijft doen wat je goeddunkt’, zegt Margot. ‘Maar dit standpunt maakt je wel bewuster: waarom doe ik het zo, bespreek ik het ook goed met de cliënt? En doe ik het wel goed? Je volgt niet klakkeloos een regel, maar maakt elke keer opnieuw een bewuste afweging: hoe vaak en lang luister ik? Je kunt je met dit standpunt niet verschuilen achter getallen, maar moet zelf nadenken. Dat is winst.’
'Vertrouw op je klinische expertise, morele afweging en professionele autonomie'
Intervisie
Alieke: ‘De afgelopen jaren zijn regionaal veel protocollen ontwikkeld die wél voorschrijven hoe vaak je moet luisteren. Die zijn vaak behoorlijk medicaliserend. Mijn dringende oproep is dan ook: ontwikkel als regio’s geen eigen richtlijnen meer, maar trek ze terug of herijk ze op basis van ons standpunt. Het landelijk beleid hoort leidend te zijn. Verder hoop ik dat ons standpunt uitnodigt tot intervisie. Het is een prachtig onderwerp om met elkaar te bespreken, bijvoorbeeld op basis van partusverslagen. Het zou mooi zijn als dit breed wordt opgepakt. Ik zie hierin mogelijk ook een rol voor de KNOV-academie die in april opengaat. Dit standpunt is een goede basis voor het morele gesprek en het gesprek over bekwaamheid: hoe weet je dat wat je doet, goed is?’ Margot hoopt vooral dat verloskundigen zich door het standpunt gesteund voelen. ‘Het geeft expliciet aan wat verloskundigen al zo goed doen: handelen naar eer en geweten.’ Alieke knikt instemmend. ‘Je krijgt de vrijheid om zelf het goede te doen. Kwantificeer niet naar frequentie en dergelijke, maar kwalificeer. Hoe blijf ik een goede verloskundige? En hoe ondersteunen we elkaar daarin? Als dit standpunt daaraan bijdraagt, dan is het geslaagd.’
Omgaan met baringspijn: 'oplossen' versus begrijpen
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-1
Was in de jaren 70 thuis bevallen nog de norm en ‘hoorde de pijn er gewoon bij’, inmiddels is er, naast pijnstillende medicatie, een groeiend aantal mogelijkheden voorhanden om met baringspijn om te gaan. Een werkgroep vanuit de KNOV stelde een helder overzicht op: de handreiking Omgaan met baringspijn.
Verloskundige en voormalig wetenschappelijk adviseur Noortje Jonker en verloskundige en mindfulnesstrainer Jennisa Peeters maakten deel uit van de werkgroep en waren betrokken bij de totstandkoming van de handreiking. Deze biedt een overzicht van niet-medicamenteuze manieren om met baringspijn om te gaan, ingebed in kennis over hoe pijn fysiologisch werkt. ‘Een bewust gekozen uitgangspunt’, geeft Noortje aan. ‘De handreiking is dan ook geen stappenplan of kant-en-klare oplossing, maar een inhoudelijk kader dat verloskundigen uitnodigt om opnieuw na te denken over pijn, fysiologie en professionele begeleiding. We hadden kunnen kiezen voor een praktisch presenteerblaadje: bij muziek doe je dit, bij aromatherapie dat. Maar dat past niet bij ons vak. We zijn hoogopgeleide professionals. Als je de fundamenten van baringspijn begrijpt, kun je ook variaties wegen en samen met je cliënt kijken wat het beste bij haar past.’
Begrijpen hoe pijn werkt
Als verloskundigen weten we dat baringspijn een belangrijk fysiologisch verschijnsel is met een functie binnen het baringsproces. Voor Jennisa was die fysiologische insteek de belangrijkste motivatie om aan te haken bij de werkgroep. ‘Ik miste met name een wetenschappelijk onderbouwde inspiratiebron die baringspijn meer benadert vanuit de fysiologie. Er is tijdens de counselingsgesprekken in de prenatale zorg vaak meer aandacht voor medicamenteuze oplossingen. Er is vaak minder aandacht voor niet-medicamenteuze pijnstilling en nog minder voor het omgaan met baringspijn. Terwijl je, als je begrijpt hoe pijn werkt, daar alles aan kunt ophangen – met of zonder medicatie.’ Noortje vult aan: ‘Hieraan zie je hoe ons vak verschoven is. Vroeger gaf je je cliënt alleen voorlichting. Nu coach en counsel je veel meer: dit zijn de mogelijkheden, wat past qua omgaan met baringspijn het beste bij jou? Zwangeren bereiden hun baring intensiever voor, dat vraagt ook iets van ons als professionals. In opleidingen is de benadering van pijn eveneens veranderd. Vroeger leerden we vooral dat de pijn er is. Nu gaat het ook over hoe mensen ermee omgaan, en hoe context, verwachtingen en begeleiding hier invloed op hebben. Er zijn misschien wel tweehonderd manieren om met baringspijn om te gaan – maar hoe maak je daar, in die bewuste situatie, bij deze specifieke barende, zinnig gebruik van? Die vraag ligt ten grondslag aan deze handreiking.’
Geen bouwpakket
In oktober 2025 vond een webinar plaats over de handreiking. Verloskundigen gaven aan hier goed mee uit de voeten te kunnen, maar sommigen hadden op een meer praktische toepassing gehoopt. Begrijpelijk, vinden beide werkgroepleden, maar ze plaatsen daar wel een nuance bij. ‘Sommige collega’s hadden misschien graag een soort bouwpakket gezien waar ze meteen mee aan de slag zouden kunnen’, zegt Noortje. ‘Maar dat vinden we een gemiste kans. De handreiking helpt om te beredeneren wat in een bepaalde situatie het meest passend is en geeft aan wat je nog meer kunt aanbieden.’
'Pijn is er in eerste instantie om te begrijpen'

Jennisa herkent die spanning in het werkveld. ‘Als de werkdruk hoog is, is kant-en-klaar materiaal aantrekkelijk. Maar deze handreiking is juist bedoeld om je eigen visie nog verder te ontwikkelen – of om het voorlichtingsmateriaal dat je al hebt voor cliënten verder uit te breiden. En ook om je te inspireren als het gaat om het gesprek over baringspijn, bijvoorbeeld door met cliënten en hun partners zaken te bespreken als: weet je hoe baringspijn werkt? Welke manieren ken je om met de pijn om te gaan? En wat denk je dat bij jou zou passen? Zodat je cliënt een weloverwogen beslissing kan nemen. Hier liggen ook volop kansen en mogelijkheden om dit onderwerp weer kritisch te bespreken met collega’s: gebruik het alledaagse thema ‘omgaan met baringspijn’ bijvoorbeeld eens voor intervisie en bespreek casuïstiek met elkaar.’
Pijn is niet de vijand
Jennisa ziet een verschuiving in de benadering van baringspijn: ‘Ik werk nu zes jaar als verloskundige en zie de laatste jaren veel meer angst voor de pijn. Veel vrouwen willen de pijn bestrijden, of oplossen – vaak zonder eerst te begrijpen waar het over gaat. Dat is een ander vertrekpunt. Ik vind het juist belangrijk om mijn cliënten meer te vertellen over de pijn en het nut ervan. En om weer ruimte te maken voor verwondering. Hoe werkt een bevalling nou eigenlijk? En hoe zit het met de pijn die erbij komt kijken? Hoe zou het zijn als de pijn er gewoon mag zijn? Ik spoor mijn cliënten aan zich in de pijn te verdiepen en die niet meteen te bestrijden met medicatie. Pijn is niet per definitie de vijand.’
De handreiking positioneert zich nadrukkelijk naast de bestaande richtlijnen over medicamenteuze pijnstilling. ‘We zijn niet tegen pijnstilling’, benadrukt Jennisa. ‘Maar wel vóór meer begrip van de fysiologie van baringspijn. Als je beter begrijpt hoe je met pijn om kunt gaan, kan pijnstilling ook een plek hebben in het verhaal.’ Noortje vult aan: ‘Het gaat over het draaglijk maken van de pijn. Wat heb je daarvoor nodig? Dat kan medicatie zijn, maar ook iets anders.’
'De handreiking is een mooi onderwerp voor intervisie'
Grenzen van evidence
Interventies waarbij geen medicatie wordt toegepast, zijn vaak lastig te onderzoeken. ‘Sommige opties hebben geen wetenschappelijke basis en dat is oké’, geeft Jennisa aan. ‘Want gebrek aan evidence is niet hetzelfde als gebrek aan effect. Sommige zaken kun je moeilijk vangen in gerandomiseerd onderzoek, terwijl ze in de praktijk wel degelijk invloed kunnen hebben. Denk aan het gebruik van muziek, ontspanningsoefeningen en aromatherapie.’

Kennis delen en overleggen
Wat hopen Jennisa en Noortje dat de handreiking teweegbrengt? Noortje: ‘Ik hoop dat verloskundigen met de redenatie over pijn in de handreiking
nog meer handvatten hebben gekregen om per situatie een nog betere afweging te kunnen maken. Zodat ze de handreiking op termijn misschien niet eens meer nodig hebben.’ Jennisa hoopt vooral op zelfreflectie:
‘Dat verloskundigen nog meer gaan nadenken over de mogelijkheden van informeren en counseling. Wij weten hoe baringspijn werkt – en ik vind het vooral belangrijk dat we ervoor zorgen dat we die kennis delen met onze cliënten. Als een zwangere weet hoe die pijn werkt, dan kun je beter met haar overleggen wat haar wensen zijn rondom het omgaan met die pijn. Met andere woorden: wat is mijn vertrekpunt als ik het gesprek aanga over baringspijn? Vertel ik cliënten hoe de pijn te bestrijden is? Of vertel ik hoe baringspijn werkt, wat de functie ervan is en hoe ze hier het beste mee kunnen omgaan om de pijn draaglijk te maken?’
'Gebrek aan evidence is niet hetzelfde als gebrek aan effect'
Empowerment van professional en zwangere
Beiden zien de handreiking als krachtige ondersteuning voor zowel verloskundigen als zwangeren. ‘De handreiking zorgt wellicht voor een beetje meer empowerment, voor zowel verloskundigen als barenden en hun partners’, vindt Noortje. ‘We laten hiermee zien dat er misschien wel meer mogelijk is dan je op het eerste gezicht zou denken. De handreiking
laat zien dat er meer is dan het meest gebruikelijke assortiment bij omgaan met baringspijn. We claimen niet volledig te zijn: er zijn meer mogelijkheden en er komen steeds nieuwe opties bij.’
De handreiking is volgens Jennisa een mooie aanleiding voor meer: ‘Ga op onderzoek uit en kijk wat bij jou en je cliënten past. Dat kan echt een eyeopener zijn – bij mij in ieder geval wel.’
Exploring childbirth experiences through a salutogenic lens
Tekst: Giliane McKelvin, Soo Downe, Gillian Thomson, 2026-1
Salutogenic theory, developed by Antonovsky1, shifts attention away from the causes of disease towards the factors that support health and wellbeing. Rather than asking why people become unwell, salutogenesis asks how individuals remain well despite stressors and challenges. Central to this theory is the idea that health exists on a continuum, with ‘health-ease’ at one end and ‘dis-ease’ at the other. Antonovsky2 argued that individuals move back and forth along this continuum throughout their lives, and that promoting health requires understanding where a person is situated at a particular moment and what resources may help them move towards wellbeing.
Applied to childbirth, salutogenesis offers a valuable framework. Childbearing is often treated as a potentially pathological event, with an emphasis on risk, surveillance, and intervention. While managing risk is essential, the routine medicalisation of childbirth can overshadow women’s physiological capacities and their potential to experience birth as meaningful or even transformative. A salutogenic perspective allows for the promotion, protection, and respect of physiological birth, while remaining attentive to complications when they arise. Despite this potential, Perez-Botella et al.3 note that salutogenesis has rarely been applied in maternity research. Where it has been used, however, outcomes have been promising. For example, antenatal education reframed through a salutogenic lens has been shown to support health-promoting, rather than medicalised, childbirth experiences4.
Much of the childbirth literature has focused on negative or traumatic experiences. Multiple reviews and meta-analyses document the prevalence and impact of birth-related trauma5,6,7,8. In contrast, women’s positive experiences of childbirth remain underexplored. Until recently, only one qualitative synthesis of positive birth experiences had been published9, although interest in this area has begun to grow10.
'Salutogenesis asks how individuals remain well despite stressors and challenges'
Importantly, childbirth experiences are often categorised as either positive or traumatic, despite the likelihood that many women experience something in between. A neutral birth experience, neither overtly positive nor traumatic, may be more common than is currently acknowledged. Exploring this middle ground could deepen understanding of how women experience labour and birth, how they make sense of those experiences, and what forms of support are most helpful at different points along the continuum. This study therefore aimed to explore childbirth experiences among women who subjectively described their birth as positive, neutral, or traumatic, using a salutogenic framework.
Methods
This paper reports the qualitative component of a larger mixed-methods study exploring women’s childbirth experiences across a continuum. Ethical approval was obtained from the relevant university ethics committee and the Health Research Authority.
Participants were recruited between February and May 2017 from a maternity trust in North-west England. Inclusion criteria were intentionally narrow in order to reduce confounding influences. Women were eligible if they were expecting their first baby, anticipating the birth of a healthy infant, had given birth to a live baby, were aged 18 years or older, and were able to speak and understand English. Previous birth experiences, fetal anomalies, or perinatal loss were excluded due to their known impact on childbirth experiences.
Of the 125 women recruited to the larger study, all were invited to take part in an interview. Ten women consented and participated. Each woman was asked to classify her birth experience as positive, neutral, or traumatic, without being given predefined definitions. This self-classification guided the qualitative inquiry.
All interviews were conducted face-to-face at a time and place chosen by the participants. A semi-structured interview guide encouraged women to narrate their birth stories in their own words, reflecting on what happened, how they felt, and why they classified their experience as they did. Questions explored both supportive (salutary) and challenging (pathogenic) aspects of care. Interviews lasted between 30 and 60 minutes and were audio-recorded, transcribed verbatim, and anonymised. Reflective notes and a reflexive journal were maintained to enhance transparency and minimise researcher bias.
Data were analysed using Braun and Clarke’s11 thematic analysis. This involved familiarisation with the data, generating initial codes, developing and refining themes, and producing a coherent narrative. A salutogenic lens guided analysis, ensuring attention to both positive and negative influences regardless of how women classified their birth. Analysis was conducted by the lead researcher and refined collaboratively with the research team, supported by an audit trail and reflexive discussion.
Results
Ten women participated in the study. Four described their birth as positive, five as neutral, and one as traumatic. All participants were in relationships, employed full-time, and educated beyond diploma level. Most identified as White British, with one Bangladeshi participant.
Women’s stories unfolded chronologically, spanning the antenatal period, labour and birth, and the early postnatal weeks. Thus, three overarching timeframes emerged: Before it all started, Arriving at the destination, and The days that followed.
Before it all started
Women’s expectations of childbirth were strongly shaped by stories encountered through family, friends, and the media. These accounts were overwhelmingly negative, portraying birth as painful, frightening, and dramatic. Lily reports:
‘I’d only kind of ever heard of births as being traumatic and whenever you see them on the telly they always look so … dramatic and dramatized’
(Lily, positive birth).
For many women, this prompted a conscious effort to ‘keep an open mind’. Those who ultimately described their birth as positive, and some with neutral experiences, spoke of deliberately adopting a flexible and informed approach. They sought knowledge through reading, classes, and hypnobirthing, while avoiding rigid birth plans. Flexibility was seen as protective, helping women to accept interventions if needed without perceiving the experience as a failure.
In contrast, some women felt unable to move beyond the expectation that birth would be difficult or disappointing. Influenced by others’ experiences or family history, they prepared themselves for complications and loss of control, anticipating that birth would not go to plan’. These expectations often carried through into labour.
'A salutogenic perspective allows for the promotion, protection, and respect of physiological birth, while remaining attentive to complications when they arise'
Arriving at the destination
Labour and birth were dominated by women’s interactions with midwives. Continuous, compassionate presence emerged as the most powerful influence on positive experiences. Women who felt supported described midwives who stayed with them, offered reassurance, and helped them regain a sense of control through guidance and calm reassurance. Some became rather emotional as they remembered their midwife;
‘She’d help you to find that little bit that you’d been missing [pause]. She touched me actually [crying, deep breath]. When I think about her I get quite emotional’ (Jennifer, traumatic birth).
Trust in the midwife allowed women to relax and feel held, even when labour was intense or unpredictable.
In contrast, women who felt unsupported described being left alone, particularly during induction. Fragmented care, dismissive responses to pain, and long periods without reassurance contributed to feelings of abandonment. None of the women who underwent induction described their experience as positive. While some recognised that staffing pressures contributed to these experiences, the emotional impact remained significant.
The days that followed
In the postnatal period, women reflected on their birth with varying degrees of satisfaction and disappointment. Those who described neutral or traumatic births often spoke of wishing things had gone differently, citing lack of support, unwanted interventions, or an environment that felt impersonal and distressing. As a result some women were desperate to go home.
‘I just said to the midwife I’m much better off … at home rather than stay here where you’re so busy and I feel like I’m just getting forgotten about in the room on my own.’ (Katherine, neutral birth).
Many attempted to rationalise their experiences, prioritising their baby’s safety and excusing staff shortages, yet still expressed lingering disappointment and self-blame.
Despite this, most women ultimately focused on the outcome: the arrival of a healthy baby. For women with positive experiences, meeting their baby was described in emotional, often transcendental terms. Those with neutral or traumatic births were less likely to describe this immediate connection, yet many found that over time, motherhood reframed their experience. Reflection appeared to soften the emotional burden, with some women becoming more positive as they integrated their birth into their broader life story.
Discussion
This study set out to explore women’s childbirth experiences across a continuum of positive, neutral, and traumatic encounters, drawing on a salutogenic framework. By resisting a binary understanding of birth as either ‘good’ or ‘bad’, the findings illuminate the complexity and fluidity of women’s experiences and the ways in which meaning is constructed before, during, and after birth. Importantly, the study highlights how expectations, care relationships, and postnatal reflection interact to shape women’s positioning along the health–dis-ease continuum described by Antonovsky2.
'Women’s positive experiences of childbirth remain underexplored'
Consistent with previous research, women’s antenatal expectations were strongly influenced by dominant cultural narratives that portray childbirth as frightening, painful, and risky12,13. These narratives were encountered through both personal networks and media representations, reinforcing a discourse of danger that may undermine confidence in the physiological process of birth. While sharing traumatic birth stories can be therapeutic for women who have experienced them14,15, the findings of this study suggest that repeated exposure to such stories may also heighten fear and shape expectations in ways that are difficult to override. Women who were able to consciously ‘keep an open mind’ appeared better equipped to navigate unpredictability, suggesting that flexibility and realistic preparation may act as salutary resources that support movement towards wellbeing along the continuum.
The central role of midwifery care, particularly continuous compassionate presence, emerged as the most significant determinant of positive childbirth experiences. Women consistently described how feeling seen, heard, and supported enabled them to regain a sense of control, even when labour was intense or intervention-heavy. This aligns with existing evidence that relational care and continuity foster trust, reduce fear, and enhance women’s sense of agency16,17.
Conversely, fragmented care, particularly during induction of labour was associated with neutral or traumatic experiences. None of the women who underwent induction described their birth as positive, echoing findings from Coates et al.18 that highlight feelings of loneliness, lack of ownership, and diminished control during this phase. Although women often rationalised these experiences by attributing them to staffing pressures, emotional distress and disappointment persisted. This underscores the importance of recognising induction as a critical period requiring the same level of emotional and relational support as active labour, rather than treating it as a preparatory or lower-priority phase of care.
A particularly novel contribution of this study lies in its exploration of neutral birth experiences. Women who identified their birth as neutral often described disappointment rather than distress, and ambivalence rather than trauma. Over time, many reframed their experiences by focusing on motherhood and the health of their baby, suggesting a process of meaning-making and adaptation. However, the presence of lingering dissatisfaction and self-blame raises concerns, particularly given evidence linking negative perceptions of childbirth with poorer postnatal mental health outcomes19.
Taken together, these findings reinforce the value of a salutogenic approach to understanding childbirth. Rather than focusing solely on the prevention of adverse outcomes, maternity care must also attend to the conditions that enable women to experience birth as coherent, supported, and meaningful.
Conclusion
This study demonstrates that childbirth experiences are complex, situated along a continuum shaped by expectations, care, and reflection. While positive experiences were closely linked to supportive midwifery presence, neutral and traumatic experiences were often associated with fragmented care, particularly during induction. Recognising the full spectrum of birth experiences, including neutral ones offers an opportunity to better support women’s wellbeing. Further research is needed to deepen understanding of the childbirth continuum and its psychosocial implications, ensuring maternity care that is both safe and salutogenic.

References:
1. Antonovsky, A. (1996). The salutogenic model as a theory to guide health promotion. Health Promotion International, 11(1), 11–18.
2. Antonovsky, A. (1993). The structure and properties of the sense of coherence scale. Social Science & Medicine, 36(6), 725–733.
3. Perez-Botella, M., et al. (2015). Salutogenesis in maternity care: A review. Journal of Health Psychology, 20(6), 685–695.
4. Muggleton, J., et al. (2021). Reframing antenatal education through a salutogenic lens. Midwifery, 98, 102981.
5. Ayers, S., Bond, R., Bertullies, S. and Wijma, K., 2016. The aetiology of post-traumatic stress following childbirth: a meta-analysis and theoretical framework. Psychological medicine, 46(6), pp.1121-1134.
6. Elmir, R., Schmied, V., Wilkes, L. and Jackson, D., 2010. Women’s perceptions and experiences of a traumatic birth: a meta-ethnography. Journal of advanced nursing, 66(10), pp.2142-2153.
7. Grekin, R. and O'Hara, M.W., 2014. Prevalence and risk factors of postpartum posttraumatic stress disorder: a meta-analysis. Clinical psychology review, 34(5), pp.389-401.
8. Simpson, M. and Catling, C., 2016. Understanding psychological traumatic birth experiences: A literature review. Women and Birth, 29(3), pp.203-207.
9. Hill, I., & Firth, J. (2018). Women’s experiences of a positive birth: A qualitative study. British Journal of Midwifery, 26(9), 560–567.
10. World Health Organization. (2018). WHO recommendations: Intrapartum care for a positive childbirth experience. WHO.
11. Braun, V., & Clarke, V. (2006). Using thematic analysis in psychology. Qualitative Research in Psychology, 3(2), 77–101.
12. Fenwick, J., Toohill, J., Gamble, J., Creedy, D. K., & Buist, A. (2015). Effects of a midwife psycho-education intervention to reduce childbirth fear. BMC Pregnancy and Childbirth, 15, 284.
13. Sheen, K., & Slade, P. (2018). Examining the content and moderators of women’s fears for giving birth: A meta-synthesis. Journal of Clinical Psychology in Medical Settings, 25(4), 420–438.
14. Baker, C., & Moore, S. (2008). Distress, coping, and blogging: Comparing new MySpace users by their intention to blog. CyberPsychology & Behavior, 11(1), 81–85.
15. Das, R. (2017). Mediated lives: Affect, emotions and digital media. Palgrave Macmillan.
16. Thomson, G., Downe, S., & MacArthur, J. (2017). Positive birth experiences: A qualitative study of midwives’ and obstetricians’ perspectives. BMC Pregnancy and Childbirth, 17, 151.
17. Aune, I., Dahlberg, U., & Ingebrigtsen, O. (2014). Parents’ experiences of midwifery students providing continuity of care. Midwifery, 30(1), 40–48.
18. Coates, R., Cupples, G., Scamell, A., & McCourt, C. (2019). Women’s experiences of induction of labour: Qualitative systematic review and thematic synthesis.Midwifery, 69, 17–28.
19. Urbanová, E., Gurková, E., Dubovická, Z., & Čáp, J. (2021). Women’s satisfaction with childbirth and its association with postpartum depression. Journal of Clinical Nursing, 30(5–6), 689–701.
Thuis bevallen met twee verloskundigen zonder kraamzorg
Lees hier de volledige masterscriptie
Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2025-4
Beeld: Koen van der Kroef (portretfoto), Joris Hoebe (bevallingsfoto’s)
‘Waarom doen we dit eigenlijk niet vaker?’, vraagt verloskundige Samie Zijlstra zich af. Ze doelt op het begeleiden van thuisbevallingen met twee verloskundigen, zonder kraamzorg. Dit lijkt een ongewone gedachte. Toch groeit de interesse voor deze vorm van samenwerking. Uit praktische overwegingen, maar ook vanuit een bredere reflectie op autonomie, kwaliteit van zorg en duurzame inzetbaarheid.
Samie werkt sinds 2009 als verloskundige. Eind 2023 besloot ze het over een andere boeg te gooien. ‘Ik wilde wat doen met de frustratie die ik soms voelde. Waarom moeten we steeds de barricades op voor keuzevrijheid, bekostiging en toegankelijke fysiologische eerstelijns verloskundige zorg?’ Dit bracht haar bij de master verloskunde. ‘Ik wilde me verdiepen in beleid en onderzoek, om beleid rondom verloskunde op een andere manier te kunnen beïnvloeden. Door – naast actie te voeren – mijn standpunten met meer kennis te onderbouwen en te proberen mensen aan het denken te zetten.’
Verwachtingen en perspectieven
Samie onderzocht de verwachtingen en perspectieven van eerstelijns verloskundigen rondom het begeleiden van thuisbevallingen met twee verloskundigen. Wat betekent dit voor de kwaliteit van zorg, de werkdruk en de beleving van de barende vrouw? Het idee voor dit onderzoek ontstond in de praktijk. ‘We hadden een cliënt met een manuele placentaverwijdering in de voorgeschiedenis, dus een plaatsindicatie in het ziekenhuis voor een volgende baring. Maar ze wilde heel graag thuis bevallen. We wilden haar wens graag respecteren en voldoende bekwame handen bieden. Daarom besloten we haar thuisbevalling met twee verloskundigen te begeleiden. Dat gaf rust en een veilig gevoel. Voor haar, maar ook voor ons. Ik merkte hoe waardevol het was om samen te werken – zowel praktisch als emotioneel.’
'Je hebt het gevoel de verantwoordelijkheid te kunnen delen, je kunt reflecteren op beslissingen en leert van elkaar'

Kwaliteit van zorg
Het onderwerp bleek actueler dan ooit. Samie: ‘Capaciteitsproblemen zorgen regelmatig voor onzekere situaties en stress tijdens bevallingen. Er zijn momenten dat er geen kraamzorg beschikbaar is, of dat de aanwezige kraamverzorger weinig ervaring heeft met thuisbevallingen. Óf dat het dichtstbijzijnde ziekenhuis geen plek heeft, waardoor je genoodzaakt bent om thuis te blijven – soms ook met een medische indicatie. De mogelijkheid om thuis te bevallen staat onder druk. Dat kan invloed hebben op de kwaliteit van zorg en de rust tijdens de bevalling.’ Daarnaast signaleert Samie dat verloskundige zorg steeds complexer wordt. ‘We hebben te maken met een relatief hoog verwijscijfer van de eerste naar de tweede lijn, onder andere door toenemende protocollen in een cultuur van maakbaarheid en angst. Tegelijkertijd willen we vasthouden aan de autonomie van vrouwen en van onszelf als professionals, en handelen vanuit onze expertise in de fysiologie. Daarom wilde ik onderzoeken hoe we de eerste lijn kunnen versterken, zodat we duurzame, veilige, mensgerichte en passende zorg kunnen blijven bieden en de keuzevrijheid van zwangeren kunnen waarborgen.’
Het onderzoek
Voor haar scriptie stelde Samie een focusgroep met eerstelijnsverloskundigen samen. Ze onderzocht hoe zij aankijken tegen het begeleiden van thuisbevallingen met twee verloskundigen. ‘De reacties waren opvallend eensgezind en enthousiast’, vertelt ze. ‘De deelnemende vroedvrouwen hebben het idee dat het goed zou zijn om standaard samen te werken, wat vooral fijn is bij grensgevallen of emotioneel beladen bevallingen. Tegelijkertijd kwamen direct de praktische zorgen boven tafel: knellende roosters, financiering en de cultuur onder verloskundigen om alles alleen te moeten kunnen.’ Toch ziet Samie daar kansen. ‘Juist in tijden van schaarste moeten we openstaan voor innovatie. Als er minder kraamzorg beschikbaar is, laten we dan onderzoeken of samenwerking tussen twee verloskundigen een alternatief kan zijn. Bijvoorbeeld met een poule van verloskundige bevalassistenten (nadrukkelijk naast de eerste, eigen verloskundige), of met een achterwachtsysteem. Het gaat er niet om dat we de kraamzorg vervangen, maar dat we de zorg toekomstbestendig maken.’
'Het gaat erom dat vrouwen keuzevrijheid hebben én houden'
Wat levert het op?
De mogelijke voordelen zijn divers, denkt Samie. ‘Er ontstaat wellicht meer ruimte en rust voor uitleg, emotionele steun en responsiviteit richting de barende bij een normale én een gecompliceerde bevalling. Maar ook voor de verloskundige zelf kan het verschil maken. Uit het promotieonderzoek van Liesbeth Kool blijkt dat een op de vijf startende verloskundigen emotioneel uitgeput is. Esther Feijen-de Jong signaleerde dat de vertrekintentie van verloskundigen van 33 procent in 2018 naar 52 procent in 2023 is gestegen. De werkdruk is hoog en de verantwoordelijkheid zwaar. Samen een thuisbevalling begeleiden, kan dat gevoel verlichten. Je staat er niet alleen voor, je kunt reflecteren en je leert van elkaar. Het is dan uiteraard wel belangrijk dat de rolverdeling helder is: de eerste verloskundige is verantwoordelijk voor het beleid, de tweede ondersteunt.’
Vervolgonderzoek
Uit literatuuronderzoek bleek dat er in Nederland geen wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar dit thema. ‘In landen zonder kraamzorg, waar standaard twee verloskundigen aanwezig zijn bij een thuisbevalling, zien we soms gunstige uitkomsten, zoals minder perineumschade en een hoge mate van tevredenheid bij alle betrokkenen. Maar we weten niet of dat hier ook zo is.’ Daarom pleitte Samie voor vervolgonderzoek: ‘Een pilotstudie waarin we de inzet van twee verloskundigen systematisch onderzoeken: hoe ervaren verloskundigen dit en wat betekent het voor de barende vrouwen en voor de organisatie van kraamzorg en verloskundigen?’
Inzicht
Die pilot komt er. Van de Stichting Frederik Ruysch heeft Samie subsidie ontvangen om vervolgonderzoek te doen. Deze stichting stimuleert onderwijs en onderzoek in de eerstelijns verloskunde, gericht op doelmatige, cliëntgerichte zorg dicht bij huis. Met het toegekende bedrag van € 25.000 kan Samie bij Amsterdam UMC, Verloskundige Wetenschap – in samenwerking met prof. dr. Corine Verhoeven, Eerstelijns Verloskundigen Amsterdam-Amstelland (EVAA) en de GeboorteBeweging – twintig bevallingen in de regio Amsterdam onderzoeken, thuis of in het bevalcentrum. Deelnemende praktijken zetten hun achterwacht in als tweede verloskundige. Samie: ‘We interviewen beide verloskundigen apart en vragen de kraamvrouw een gevalideerde vragenlijst in te vullen, met drie extra open vragen over de aanwezigheid van de twee verloskundigen. Zo hopen we zicht te krijgen op beleving en bevorderende en belemmerende factoren.’ De pilot bevindt zich nog in de voorbereidingsfase; de medisch-ethische toetsingscommissie buigt zich momenteel over de aanvraag. Samie hoopt nog dit jaar te kunnen starten.
Meer vertrouwen
Naast de organisatorische aspecten raakt dit thema een dieper niveau: het vertrouwen in de fysiologie van de baring. Samie: ‘Thuisbevallingen worden schaarser. Hoe minder je ze als verloskundige meemaakt, hoe spannender ze worden. En hoe spannender ze zijn, hoe vaker je doorverwijst. Dat is een vicieuze cirkel. Samenwerken met een collega kan dat vertrouwen versterken. Je kunt sparren op hetzelfde niveau en van elkaar leren. Als je samen een baring begeleidt, zie je meer, voel je meer rust en durf je beter te wachten. En na een heftige ervaring is het fijn om er met je collega over te praten.’
Duurzame inzetbaarheid
Wat Samie vooral wil, is het gesprek op gang brengen. ‘We moeten kritisch blijven kijken naar ons eigen handelen. Niet omdat we het niet goed doen, maar omdat de context verandert. De zorg wordt complexer, de verwachtingen van vrouwen veranderen en de werkdruk neemt toe. Dit vraagt om meer samenwerken en meer reflectie.’ Ze benadrukt dat ze in haar onderzoek niet pleit voor het afschaffen van kraamzorg tijdens de bevalling, maar voor het exploreren van alternatieve mogelijkheden. ‘Als we het goed organiseren en zorgvuldig evalueren, kan het bijdragen aan meer vertrouwen en een duurzame inzetbaarheid binnen onze beroepsgroep. Het is zeker niet zo dat ik wil dat iedereen thuis bevalt, maar wel dat de zwangere een echte keuze heeft en blijft houden.’












