Achter de schermen van de verloskunde

Tekst: Jan de Gier | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: Elvin Boer | KRO-NCRV

In de KRO-NCRV-serie De verloskundigen volgen kijkers acht bevlogen verloskundigen uit verschillende regio’s van Nederland. Van thuisbevallingen en ziekenhuiszorg tot gezinnen in kwetsbare situaties en de druk op de geboortezorg: de serie laat zien hoe intens, veelzijdig en betekenisvol het vak is. De deelnemers blikken terug op hun ervaring voor de camera en vertellen waarom zij het belangrijk vonden om hun werk, met alle vreugde, onzekerheid en menselijkheid die daarbij hoort, aan heel Nederland te laten zien.

‘Er zijn niet veel mannen in het vak, volgens mij minder dan veertig. Dat is heel gering en ook wel de reden om mee te doen aan het programma. Dat moedigt wellicht andere mannen aan om de opleiding te gaan doen, want het is een heel mooi beroep. Door het te laten zien wordt het normaler. Het werkt ook echt in mijn voordeel, merk ik al. Voorheen keken mensen soms gek op als ik binnenkwam. Ik merk door de serie dat ze me herkennen en dat het minder raar wordt. Dat is heel positief. Een ander doel is ook om het ziekenhuis wat beter in beeld te krijgen. Het is de laatste jaren al een stuk minder, maar er heerste wel een taboe op. Mensen hoorden toch vooral horrorverhalen waar ze een beetje bang van werden. Ik kan nu laten zien dat het ziekenhuis ook leuk, lief en aardig kan zijn, en dat het hier gezellig is. En vooral dat er ook gewoon mensen werken. Als er medische redenen zijn, dan ben je hier in goede handen. Tijdens een dienst van acht uur leer je mensen echt goed kennen en als je dienst erop zit vinden ze het zelfs jammer dat je weggaat.’

 

'Ik heb een groter publiek gekregen, dat is een gek idee'

‘Voor mij draait het om meer dan alleen verloskunde. Ik houd van mijn werk omdat het ook heel erg over het sociale gaat. Juist hier in Amsterdam-Zuidoost, waar je veel negatiefs over hoort, zorgen we veel voor elkaar. Dat wilde ik graag laten zien. Het past ook helemaal bij mij. Ik zie regelmatig ongedocumenteerde vrouwen en zwangeren uit het asielzoekerscentrum. Dat betekent dat ik vaak babyspullen moet regelen voor deze zwangeren, dat zie je ook terug in de serie. Ik laat ook graag zien dat je dit vak ook heel goed kunt uitoefenen als je nog jong bent. Dat was ook de reden dat ik al langere tijd bezig ben met vloggen op Instagram. Met de serie heb ik wel een wat groter publiek gekregen ineens, dat is wel een gek idee. Ik krijg nu veel terug dat mensen me professioneel vinden, ondanks mijn jonge leeftijd, en dat ik rust uitstraal. Daarin heb ik mezelf ook wel verrast, als ik zo terugkijk. De komende tijd wil ik nog meer focus leggen op de eerste 1.000 dagen en beter worden in coaching en begeleiding. Ik wil me heel graag inzetten voor gezond zwanger worden en een kansrijke start. Hoe dit er precies uit gaat zien, weet ik nog niet, maar daar ga ik graag weer de schoolbanken voor in.’

 

'Ik ben heel trots op de bevallingen die te zien zijn'

‘Bij ons thuis zijn werk en privé helemaal verweven. Mijn partner is geboortefotograaf en heeft ook met bevallingen te maken. Daar draait het thuis gewoon veel om. Ik werk een-op-een met zwangeren en leer hen goed kennen, en zij mij. Het krijgen van een kind is het puurste wat er is en heel persoonlijk. Dus ik vind het ook heel normaal dat mijn persoonlijk leven er zo op aansluit. Het is fijn om mensen zo diep te begeleiden in deze rol, maar ook als mens en als moeder. Door die relationele zorg heb ik veel passie voor het vak. Zwangeren zijn meer tevreden bij een-op-eenbegeleiding en uit onderzoek blijkt dat deze groep minder vaak pijnstilling wil, meer thuis wil bevallen en dat dit ook vaker lukt. Ze worden meer gezien en gehoord. Het is een stukje medisch, maar het is ook de transitie naar ouderschap: je hele leven staat op z’n kop. Daar horen wij in te begeleiden. Ik ben heel trots op de bevallingen die te zien zijn. Het enige wat ik jammer vind is dat het ziekenhuis waarmee ik heel fijn samenwerk, niet wilde meedoen aan de serie. Je hoort veel geklaag over geboortezorg en dit was een mooie kans om te laten zien dat ziekenhuisbevallingen ook geweldig kunnen zijn.’

 

'Het mooie en sterke vind ik dat je alle facetten uit het werk ziet'

‘Ik vind het belangrijk om te laten zien wat een verloskundige precies doet. Zelfs m’n eigen familie en vrienden hebben soms geen idee. Mijn man heeft mij nog nooit een bevalling zien doen, die zat hier met natte oogjes naast me op de bank. De insteek was ook echt een mooi programma maken, dat is volgens mij goed gelukt. De werkmomenten vond ik makkelijker om te filmen dan de privémomenten. Spontane gesprekken voeren met je man op commando, dat is toch wat lastiger. Wel merkte ik tijdens consulten dat mensen wat minder zeggen met een camera erbij. Ik ben dan geneigd stiltes op te vullen en veel te snel te praten. Dat zag ik wel een beetje terug, maar ik vond het uiteindelijk wel meevallen. Het mooie en sterke van de serie vind ik dat je alle facetten van het werk te zien krijgt. In de afleveringen bevallen veel mensen in bad, wat prachtig is, maar in de praktijk bij ons is het niet de hoofdmoot. Daarom is het ook mooi dat de serie laat zien dat zorg overgedragen wordt aan het ziekenhuis als er bijvoorbeeld pijnstilling nodig is. Het fijne is wel dat er veel thuisbevallingen te zien zijn, dat is natuurlijk uniek voor Nederland.’

 

'We willen een stem zijn voor de mensen hier'

‘Onze cliënten zeggen: dit is precies hoe jullie zijn. De serie geeft het goed weer. Maar belangrijker nog: mensen zien wat er allemaal gebeurt en wat we allemaal doen. En dat is meer dan alleen medische zorg. We zijn als ondernemers in de vrouwenzorg bezig met een missie: we willen de zorg anders vormgeven omdat dit noodzakelijk is. Daarbij hoort verder kijken dan de grenzen van ons vakgebied. We anticiperen erop als een vrouw meer nodig heeft en maken gebruik van ons netwerk dat we hebben opgebouwd. De geboortezorg piept en kraakt aan alle kanten en we weten met z’n allen wat voor impact het heeft als iemand met een slechte start wordt geboren. We hebben er met heel Nederland wat aan als ieder kind kansrijk wordt geboren en opgroeit. Daar zijn we mee bezig. Hier in Heerlen-Noord spelen de ziekenhuissluitingen enorm. Dat brengt soms boosheid bij mensen, maar er is meer begrip door de uitzending. Mensen zien dat wij ook met de rug tegen de muur staan. Dat het ziekenhuis verplaatst naar een ander gebied, daarover trekken we onze mond open. Voor de mensen hier is het heel lastig en iedereen heeft er stress van. Vroeger begon je een dienst met ‘wie gaat er bevallen, wat leuk, en wie ik ga zien?’. Nu begin je met ‘welk ziekenhuis gaat er nu weer sluiten en wie kan ik als achterwacht inzetten?’. De serie laat goed zien wat de gevolgen zijn, daar zijn we blij mee. We willen een stem zijn voor de mensen hier. We hebben een hele gevarieerde populatie: van de meest schrijnende gevallen tot onderzoekers, artsen en politici. De meest kwetsbare dames laten we niet op tv komen. Zeker als er gevaarlijke situaties spelen met toxische exen of intieme terreur. De mensen die we wel gevraagd hebben, vonden het leuk om mee te doen. We willen ook echt laten zien dat het in dit gebied niet alleen kommer en kwel is. Met elkaar zijn we hier keihard aan het werk voor betere kansen voor de komende generatie. We hebben ook veel lol. Humor hoort erbij en is een goede tool om situaties luchtiger te maken. Dat zie je gelukkig ook goed terug in de serie.’

 

'Doe maar gewoon, laat de natuur haar gang gaan'

‘Ik had al mijn cliënten gevraagd of ze mee wilden doen en daar kwamen verrassend veel positieve reacties op. Het levert natuurlijk unieke beelden van je bevalling op. Een cliënte uit aflevering drie deelde het zelfs op haar socials en vond het prachtig om terug te zien. Zelf moest ik even wennen, maar het was erg leuk om mezelf aan het werk te zien. Van veel cliënten hoor ik: ‘Jij bent op tv precies zoals in het echt.’ De serie laat die typische Betuwse mentaliteit mooi zien: doe maar gewoon, laat de natuur haar gang gaan en thuis bevallen is heel normaal. Ik hoop dat kijkers zien hoe hard we werken en dat daar een passende vergoeding tegenover mag staan. Wij begeleiden mensen bij de grootste verandering in hun leven. Helaas zie ik veel collega’s al na gemiddeld zeven jaar stoppen. Ze beginnen vol enthousiasme, maar de combinatie met een gezin en de impact op je eigen gezondheid is zwaar. Om mensen voor het vak te behouden moet er veel veranderen: je zou met minder cliënten een norminkomen moeten kunnen verdienen. Dat geeft ook meer waardevolle tijd voor elke zwangere, wat enorm zou helpen.’

 

'Ik voel me heel betrokken'

‘Ik werk een-op-een en ben altijd oproepbaar voor m’n cliënten. Ik voel me heel betrokken. Ook bij bevallingen in het ziekenhuis zorg ik dat ik in de buurt ben, dat vind ik belangrijk. In mijn werk heb ik een wat meer holistische benadering. Een zwangere is niet alleen maar haar zwangerschap, maar onderdeel van een groter systeem. Ik ga ervan uit dat energetische voorlijnen, voorouders, ook invloed hebben op nu. Ik doe ook aan energetische coaching. Hoe komt iemand aan een blokkade op overgave of aan (irreële) angsten? Ik wilde dat niet laten filmen, want zoiets is meer privé dan een bevalling. Hoe gek dat ook klinkt. Ik zou het nu overigens wel aandurven, omdat ik gezien heb hoe zorgvuldig het programma gemaakt is. Met elkaar geven we een goed beeld van onze veelzijdigheid, hoe mooi het vak is én dat een ouwe rot zoals ik het al heel lang met plezier doet. M’n 1.500ste baby is gefilmd, de diploma-uitreiking van m’n dochter: allemaal mooie momenten. Voor mij persoonlijk vind ik deelname ook leuk omdat ik altijd al beroemd wilde worden. Dat komt denk ik omdat ik vroeger veel gepest ben met mijn schisis. Ik zal jullie allemaal een poepie laten ruiken, denk ik nu. Kijk eens hoe ver ik het geschopt heb.’

De serie De verloskundigen bracht het werk van verloskundigen onder de aandacht van een breed publiek. De KNOV greep dit maatschappelijke momentum aan om de betekenis van het vak verder te duiden. Na elke aflevering verscheen een LinkedIn-post waarin een actueel thema uit de geboortezorg centraal stond, zoals thuisbevalling, passende zorg, landelijk kwaliteitsbeleid, de klinisch verloskundige en capaciteitsvraagstukken. Daarbij vormden de kernwaarden Verbinding, Gezondheid en Moed steeds de rode draad. De serie liet zien wat verloskundigen doen. De KNOV voegde daar context en duiding aan toe: waarom deze thema’s ertoe doen, welke maatschappelijke waarde verloskundigen toevoegen en hoe zij bijdragen aan toegankelijke, passende en toekomstbestendige geboortezorg.

De serie De verloskundigen kijk je via NPO Start.


Q&A: Goed geregeld na je afstuderen

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-3

De medewerkers van het KNOV-bureau krijgen allerlei vragen van verloskundigen. In deze rubriek lichten we veelgestelde of opvallende vragen uit. Dit keer:

Ik ben afgestudeerd als verloskundige. Moet ik iets regelen voor de Geschilleninstantie en een klachtenfunctionaris?

Ja. Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moet iedere zorgaanbieder een klachtenregeling hebben voor cliënten. Ben je lid van de KNOV? Dan ben je via het KNOV-lidmaatschap automatisch aangesloten bij de Geschilleninstantie Verloskunde (SGV). Een klachtenfunctionaris moet je wel zelf regelen.

In overleg met de KNOV heeft het Centraal Bureau Klachtenmanagement in de Zorg (CBKZ) speciaal voor KNOV-leden het abonnement Klachtenfunctionaris ontwikkeld. Hiermee voldoe je eenvoudig aan deze wettelijke verplichting. Je kunt het abonnement online afsluiten. Meer weten hierover? Klik hier.

Op de website van de KNOV lees je meer over de klachtenregeling van de KNOV. Klik hier om naar de website te gaan.

 


Wat vinden verloskundig zorgverleners van het beleid bij 41 weken?

Tekst: Anna Seijmonsbergen-Schermers, 2026-3
Beeld: Aangeleverd

In 2021 werd de landelijke multidisciplinaire richtlijn Beleid zwangerschap vanaf 41 weken gepubliceerd1. Sindsdien wordt geadviseerd om vanaf 41 weken een inleiding van de baring aan te bieden, naast de mogelijkheid om af te wachten. Aanbevolen wordt om deze keuze middels uitgebreide counseling aan te bieden aan zwangere vrouwen met een eenling in hoofdligging. Maar wat vinden verloskundig zorgverleners in Nederland van dit beleid en in hoeverre wordt dit beleid nageleefd?

Van november 2023 tot en met juni 2024 werd in Nederland een grote vragenlijst uitgezet, waarmee de mening van zorgverleners over de richtlijn en de naleving van de aanbevelingen werden onderzocht. Daarnaast werd de ervaren impact van de richtlijn geïnventariseerd.

De vragenlijst bestond uit 7 delen:
1. Algemene informatie over het onderzoek, de richtlijn en toestemming.
2. Bekendheid met het bestaan van de aanbevelingen in de richtlijn.
3. Mening over en naleving van de aanbevelingen in de richtlijn.
4. Gezamenlijke besluitvorming: naleving van de aanbevelingen over gezamenlijke besluitvorming in de richtlijn en de inhoud van de gesprekken.
5. Verwachte uitkomsten en impact van de aanbevelingen op de praktijk.
6. Kenmerken van de deelnemers.
7. Algemene houding ten opzichte van bevallen als natuurlijk of medisch proces, gemeten met de gevalideerde Birth Beliefs Scale (BBS)².

Overeenstemming en naleving

De vragenlijst werd door 643 zorgverleners voor minstens 25% ingevuld, waarvan 497 de lijst volledig invulden. Van de 643 zorgverleners was 53% eerstelijnsverloskundige, 29% gynaecoloog/arts-assistent en 19% klinisch verloskundige. Zij vertegenwoordigden 11,6% van alle werkende gynaecologen en 11,2% van alle werkende verloskundigen in Nederland.

'Gynaecologen hadden over het algemeen een hogere overeenstemming met en naleving van de aanbevelingen'

Over het algemeen was het merendeel van de zorgverleners het eens met de aanbevelingen uit de richtlijn (zie figuur 1). Gynaecologen waren het meest positief over de aanbevelingen, gevolgd door klinisch verloskundigen en daarna eerstelijnsverloskundigen (zie figuur 2).

Er was 72% overeenstemming met en 87% naleving van de eerste aanbeveling uit de richtlijn: ‘Bied de mogelijkheid van inleiding aan vanaf 41 weken naast de mogelijkheid om af te wachten’. Ook was 92% het eens met de aanbeveling ‘bespreek de voor- en nadelen’ en paste 89% deze aanbeveling toe in de praktijk. Met de aanbeveling ‘benoem de effecten op perinatale uitkomsten zoals perinatale sterfte en NICU-opnames’ was slechts 67 procent het eens en 63% was het eens met de aanbeveling ‘benoem het mogelijk verhoogde risico voor nullipara ten opzichte van multipara’. De naleving van deze aanbevelingen was ook lager, respectievelijk 59% en 43%. Terwijl 56% het eens was met de aanbeveling om keuzekaarten te gebruiken, leefde 40% deze aanbeveling ook daadwerkelijk na.

Terwijl 92% bekend was met module 1 van de richtlijn (R1.1 en R1.2), was slechts 68% bekend met module 2 (R2.1 en R2.2). De naleving van deze aanbevelingen over monitoring was dan ook lager, respectievelijk 49% en 44%.

Aan de 172 zorgverleners die het niet eens waren met de eerste aanbeveling werd gevraagd wat hun voorkeur zou zijn (tabel 1). Dit waren voornamelijk eerstelijnsverloskundigen, waarbij vaak voorkeur uitging naar afwachtend beleid tot 42+0 weken.

Tabel 1. Preferred policy option of care providers who disagreed with offering induction at 41 weeks, stratified by profession (n=172).
Geassocieerde factoren

Vervolgens werd onderzocht welke factoren samenhangen met de overeenstemming en naleving van de aanbevelingen. Professie, de Birth Beliefs Scale en de algemene houding van zorgverleners tegenover richtlijnen hingen het sterkst samen met de overeenstemming met de aanbevelingen. Voor de naleving van de aanbevelingen waren dat professie, de algemene houding van zorgverleners tegenover richtlijnen en bekendheid met de richtlijn.

Gynaecologen hadden over het algemeen een hogere overeenstemming met en naleving van de aanbevelingen. Zorgverleners die in het algemeen positief staan tegenover richtlijnen, bleken het vaker eens te zijn met de aanbevelingen en deze ook vaker na te leven. Ongeacht de professie bleek ook een medische opvatting over zwangerschap en geboorte (gemeten met de Birth Beliefs Scale) samen te hangen met meer overeenstemming met de aanbevelingen. Bekendheid met de richtlijn en het zorgvuldig lezen ervan worden geassocieerd met een betere naleving van de aanbevelingen.

Figuur 1. Agreement, adherence, opinions, and experiences of care providers on late-term management, rated with a 5-point Likert Scale (n=643).
Ervaren impact

Er was aanzienlijke onzekerheid onder de zorgverleners (45%) over de voordelen van de richtlijn voor moeders en neonaten. Slechts 17% geloofde in maternale voordelen en 20% in neonatale oordelen (figuur 1). Over het algemeen waren eerstelijnsverloskundigen het meest negatief over de impact, gevolgd door klinisch verloskundigen. Gynaecologen waren het meest positief (figuur 2). De meeste zorgverleners (64%) zagen voordelen van de richtlijn voor cliëntgerichte zorg en 42% zag organisatorische voordelen. Aan de andere kant rapporteerde 47% een toegenomen mate van angst en/of minder vertrouwen bij vrouwen. Ook gaf 63% aan dat de richtlijn leidt tot meer medicalisering en 57% tot meer capaciteitsproblemen. Deze meningen waren prominenter aanwezig bij eerstelijnsverloskundigen en veel minder bij gynaecologen. Ondanks deze ervaren impact gaf de meerderheid (61%) aan dat de regionale capaciteit voldoende was om deze zorg te kunnen bieden. Eerstelijnsverloskundigen gaven het vaakst aan capaciteitsproblemen te ervaren. Ook gaf 48% van de zorgverleners aan dat ze veranderingen in de zorg ervoeren voor vrouwen die nog niet 41 weken zwanger waren: verloskundigen ervoeren hier vaker een verslechtering en gynaecologen vaker een verbetering. Ook ervoer 31% persoonlijke impact door de richtlijn, waarbij deze impact bij de meesten negatief was. Het vertrouwen in de richtlijnwerkgroep was hoog onder alle drie de groepen (72%).

Interpretatie en conclusie

Ondanks aanzienlijke onzekerheid onder zorgverleners over de positieve uitkomsten van de aanbevelingen voor vrouwen en baby’s, stemde het merendeel van de zorgverleners in met het aanbieden van inleiding van de baring bij 41 weken naast de optie van expectatief beleid. De grote meerderheid hield zich aan deze aanbeveling. De implementatie van specifieke aspecten van de richtlijn in de dagelijkse praktijk was echter opvallend lager bij alle zorgverleners. Denk hierbij aan het gebruik van keuzehulpen, het gedetailleerd bespreken van perinatale uitkomsten, differentiatie naar pariteit en de beperkingen van monitoring. Het beroep van de zorgverlener was de meest bepalende factor voor de mate van overeenstemming met en naleving van de aanbevelingen. Over het algemeen uitten eerstelijnsverloskundigen minder gunstige opvattingen over de richtlijn en de verwachte impact ervan, wat resulteerde in een lagere nalevingsgraad. Klinisch verloskundigen volgden een vergelijkbare trend, zij het in mindere mate. Gynaecologen daarentegen hadden de meest positieve houding tegenover en de hoogste nalevingsgraad van de richtlijn. Daarnaast beïnvloedden opvattingen over bevallen als natuurlijk dan wel medisch proces de mate van overeenstemming met de aanbevelingen, ongeacht de professionele achtergrond. Tot slot werd het zorgvuldig lezen van de richtlijn positief geassocieerd met de naleving ervan.

'Slechts 67% ondersteunde het specificeren van perinatale uitkomsten'

De resultaten suggereren dat het type aanbeveling invloed had op de naleving. De aanbeveling om keuzeopties aan te bieden is relatief eenvoudig te implementeren en de naleving is zichtbaarder voor de omgeving. Naleving van de meer gedetailleerde aanbevelingen over gezamenlijke besluitvorming is tijdrovender en minder zichtbaar voor de omgeving. Hoewel vrijwel alle deelnemers het erover eens waren dat de voor- en nadelen van de keuzemogelijkheden besproken dienen te worden, steunde slechts 67% het specificeren van perinatale uitkomsten. Uit de literatuur over risicocommunicatie blijkt dat het presenteren van numerieke gegevens het begrip van kansen vergroot en overschatting van risico’s vermindert, vergeleken met het gebruik van kwalitatieve beschrijvingen3. Het gebruik van keuzehulpen en het specificeren van perinatale uitkomsten per keuzeoptie worden aanbevolen in de richtlijn om de duidelijkheid te vergroten en geïnformeerde besluitvorming te ondersteunen. Daarnaast uitte 45% van alle deelnemers onzekerheid over de vraag of de richtlijn leidt tot verbeterde maternale of perinatale uitkomsten, wat mogelijk verklaard wordt door de tegenstrijdige resultaten in de literatuur. De onderzoekers adviseren om de verschuiving in het beleid rondom 41 weken verder te evalueren, met als doel om meer inzicht te krijgen in de daadwerkelijke impact van deze nationale beleidswijziging en zorgverleners meer zekerheid te bieden over het meest optimale beleid.

Figuur 2. Agreement, adherence, opinions, and experiences of care providers on late-term management (mean score on a 5-point Likert Scale), stratified by profession (n=643).
Wat betekent dit voor jou?

Als verloskundige heb je te maken met de richtlijn Beleid zwangerschap vanaf 41 weken. Het is belangrijk om deze multidisciplinaire landelijke richtlijn na te leven. Dat betekent echter niet alleen dat je zwangeren de mogelijkheid biedt om ingeleid te worden bij 41 weken. Het betekent ook dat er een gedegen counselingsgesprek plaatsvindt, waarbij alle relevante informatie expliciet en volledig aan de orde komt. Daarbij gaat het om het gebruik van de keuzekaarten, het concretiseren van de cijfers over perinatale uitkomsten per keuzeoptie, het bespreken van de voor- en nadelen van de keuzeopties, en het differentiëren tussen nulliparae en multiparae. Ook is het belangrijk om de kanttekeningen bij foetale monitoring te bespreken.

Omdat vooral module 2 bij velen onbekend is, is het aan te bevelen om de richtlijn nog eens goed te lezen, met extra aandacht voor de wat meer onderbelichte aanbevelingen. Wees je daarnaast bewust van de invloed van je eigen opvattingen op naleving van de aanbevelingen en daarmee ook op de zorg die je aan de cliënt biedt. Het is verstandig om hier transparant over te zijn.

Als je toegenomen capaciteitsproblemen ervaart als gevolg van de richtlijn, is het goed om dit bespreekbaar te maken binnen de beroepsvereniging en het VSV en om naar gezamenlijke oplossingen te kijken. Wees tot slot alert op veranderingen in de zorg vóór 41 weken, omdat zorgverleners een verslechtering signaleerden in de zorg voor vrouwen die nog geen 41 weken zwanger zijn.

In de tussentijd onderzoeken onderzoekers verder wat de invloed van dit beleid is op maternale en neonatale uitkomsten en op de zorgcapaciteit, zodat dit in een herziening van de richtlijn meegenomen kan worden.

Bronnen:
1. Federatie Medisch Specialisten. Beleid zwangerschap vanaf 41 weken 2021. Available from: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/beleid_zwangerschap_ 41_weken/beleid_zwangerschap_vanaf_41_weken.html.
2. Zondag DC, van Haaren-Ten Haken TM, Offerhaus PM, Mestdagh E, Scheepers HCJ, Nieuwenhuijze MJ. Validation of the Birth Beliefs Scale for maternity care professionals in The Netherlands. J Psychosom Obstet Gynaecol. 2024;45(1):2392160.
3. Zipkin DA, Umscheid CA, Keating NL, Allen E, Aung K, Beyth R, et al. Evidence-based risk communication: a systematic review. Ann Intern Med. 2014;161(4):270–80.

Update KNOV: Meer duidelijkheid over richtlijnen en kwaliteitsdocumenten

Tekst: Eline Wortman | VRHL Content en Creatie, 2026-3

Wat hoort bij de professionele standaard van de verloskundige en wat niet? De KNOV maakt daarin voortaan scherpere keuzes met een nieuwe autorisatiestatus en meer transparantie over de afwegingen. Hierdoor krijgen verloskundigen beter inzicht in welke kwaliteitsdocumenten richtinggevend zijn voor de dagelijkse praktijk.

Die duidelijkheid is belangrijk, want het aantal richtlijnen, handreikingen, standpunten en factsheets blijft groeien. Al deze kwaliteitsdocumenten ondersteunen verloskundigen bij het bieden van goede, veilige en passende zorg. Maar niet elk document heeft dezelfde betekenis voor de dagelijkse praktijk of maakt onderdeel uit van de professionele standaard.

Daarom scherpt de KNOV haar manier van beoordelen en communiceren verder aan. Kwaliteitsdocumenten worden nu bijvoorbeeld nadrukkelijker beoordeeld vanuit de vraag: draagt dit document daadwerkelijk bij aan het verloskundig handelen? Daarbij vormen de onlangs vastgestelde beroepsidentiteit, de fysiologie en passende zorg belangrijke uitgangspunten.

Dat betekent niet dat de KNOV minder kwaliteitsdocumenten ontwikkelt of beoordeelt. Wel wordt bewuster gekeken welke documenten daadwerkelijk richting geven aan het verloskundig handelen. Niet elk kwaliteitsdocument heeft immers directe gevolgen voor de dagelijkse praktijk.

Nieuwe autorisatiestatus

Om dat onderscheid duidelijker te maken, introduceert de KNOV een nieuwe autorisatiestatus: de verklaring van geen bezwaar. Daarmee ontstaat naast ‘geautoriseerd’ en ‘niet geautoriseerd’ een derde mogelijkheid. Een verklaring van geen bezwaar betekent dat de KNOV een document niet formeel autoriseert voor de verloskundige beroepsgroep, maar geen bezwaar heeft tegen
het gebruik ervan door andere disciplines. Het document krijgt daarmee geen juridische status als professionele standaard voor verloskundigen, omdat de inhoud buiten de verantwoordelijkheid of het werkterrein van de beroepsgroep valt.

Een voorbeeld is de multidisciplinaire richtlijn Dreigende vroeggeboorte, waarvan sommige modules een ‘verklaring van geen bezwaar’ hebben vanwege het specialistische karakter en dus geen directe implicaties hebben voor het verloskundig handelen. Een ander voorbeeld van een besluit om een kwaliteitsdocument niet te autoriseren is de module Intensieve gedragsmatige stoppen-met-rokenbegeleiding uit de richtlijn Tabaks- en nicotineverslaving. De KNOV besloot deze niet te autoriseren, omdat binnen de verloskunde al twee bewezen stoppen-met-rokenmethoden leidend zijn, namelijk de VMIS en de VBA+. Een extra richtlijn zou voor verloskundigen weinig toevoegen aan de praktijk en vooral zorgen voor onnodige stapeling van documenten.

Meer transparantie

Het kwaliteitslandschap blijft volop in beweging. Nieuwe richtlijnen, herzieningen en standpunten volgen elkaar snel op. Via de vernieuwde overzichtspagina (klik hier) blijven verloskundigen op de hoogte van de actuele stand van zaken en van de keuzes die de KNOV daarbij maakt. Zo weten verloskundigen niet alleen welke kwaliteitsdocumenten nieuw zijn, maar ook welke betekenis ze hebben voor de dagelijkse praktijk.

 

Stand van zaken kwaliteitsdocumenten

De KNOV werkt continu aan de ontwikkeling, beoordeling en implementatie van kwaliteitsdocumenten, zoals richtlijnen, standpunten, handreikingen en factsheets.

Nieuw: drie autorisatiestatussen

Bij elk kwaliteitsdocument kent de KNOV een autorisatiestatus toe:
- Geautoriseerd: onderdeel van de professionele standaard voor verloskundigen.
- Niet geautoriseerd: geen onderdeel van de professionele standaard.
- Verklaring van geen bezwaar (nieuw): geen professionele standaard voor verloskundigen, maar de KNOV heeft geen bezwaar tegen gebruik door andere beroepsgroepen.

Recent beoordeeld

Geautoriseerd
- Protocol Datering van de zwangerschap
- Leidraad Erytrocytenimmunisatie
- Leidraad Gynaecologische echografie
- Leidraad Plotselinge en onverwachte postnatale collaps
- Richtlijn Infectiepreventie in de huisartsen- en verloskundigenpraktijk
- Richtlijn Niet-vorderende baring (EAPM)
- Standpunt Intermitterende auscultatie

Alle kwaliteitsdocumenten zijn te vinden op knov.nl.

'Niet elke (multidisciplinaire) richtlijn hoeft onderdeel te zijn van de verloskundige professionele standaard'

Niet geautoriseerd
- Richtlijn Tabaks- en nicotineverslaving > de KNOV houdt vast aan reeds beschikbare stoppen-met-rokenmethoden (VMIS/VBA+) omdat die al leidend zijn in de praktijk.

Verklaring van geen bezwaar
- Richtlijn Dreigende vroeggeboorte > Heeft een specialistisch karakter en geen directe implicaties voor het verloskundig handelen.


Bouwen aan een gebruiksvriendelijk en toekomstbestendig digitaal landschap

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-3

Achter de schermen werkt het KNOV-bureau hard aan een nieuw, overzichtelijk en gebruiksvriendelijk digitaal landschap: een samenhangende digitale omgeving waarin informatie, kennis en dienstverlening logisch met elkaar verbonden zijn. De eerste stap hierin is de ontwikkeling van een vernieuwde website en een nieuwe, besloten ledenomgeving. 

Van losse systemen naar een samenhangende digitale ervaring

Het digitale landschap van de KNOV bestaat straks uit de vernieuwde website, Mijn KNOV, de KNOV-academie, het Kwaliteitsregister, Platforms/Comtoo en sociale media. Naar verwachting wordt het vernieuwde knov.nl in de eerste helft van volgend jaar gelanceerd. Een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van het digitale landschap is eenvoud. Geen losse systemen of verschillende inlogomgevingen meer, maar een centrale plek waar je eenvoudig toegang hebt tot alle relevante informatie en diensten. Je hoeft straks maar één keer in te loggen om Mijn KNOV, de KNOV-academie en het Kwaliteitsregister te bezoeken.

'Eenvoud is een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van het digitale landschap'

Daarnaast zijn richtlijnen, kwaliteitsdocumenten, praktische tools en handige documenten straks sneller en gemakkelijker terug te vinden. Ook krijgen de missie en visie van de KNOV een prominente plek, zodat bezoekers direct zien waar wij als beroepsvereniging voor staan.

Gebruikersonderzoek en actualisering content

Om de juiste keuzes te maken, is eerst onderzocht welke communicatiebehoeften er leven binnen de KNOV. Deze inzichten, samen met de behoeften van de leden, vormen de basis voor de ontwikkeling van de digitale omgeving. In de zomer van 2026 is gestart met de bouw van de nieuwe website. Tegelijkertijd wordt de bestaande content opgeschoond, geactualiseerd en gebruiksvriendelijk ingericht. Na een uitgebreide testfase wordt toegewerkt naar een zorgvuldig voorbereide livegang in 2027.

Overzicht, gemak en ontwikkeling

De website biedt ruimte voor verdere ontwikkeling, zoals betrouwbare contact- en chatmogelijkheden binnen de diverse KNOV-platforms. Zo bouwen we stap voor stap aan een omgeving die met de organisatie mee kan groeien.

 

Tien gesprekken die je anders naar je vak laten kijken

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-3

Gun jezelf af en toe een moment om stil te staan bij je vak. In KNOV – de podcast gaan Ruth Evers en Suzanne Thompson van de KNOV in gesprek met collega’s, onderzoekers, docenten en andere experts over keuzes, overtuigingen en ervaringen die de verloskunde vormen, gezien in het licht van de beroepsidentiteit. In tien afleveringen inspireren ze je en dagen ze je uit om eerlijk en open naar ons vak te kijken. Ze nemen je mee langs vragen die je misschien niet dagelijks stelt, maar die wel bepalen hoe we ons vak uitoefenen.

Aflevering 1
Onze beroepsidentiteit; wat is het en wat kan je ermee?
Michelle ten Berge en Carien Baas
→ Wat maakt jou tot de verloskundige die je bent (geworden)? Ontdek waarom een sterke beroepsidentiteit richting geeft aan de keuzes die je elke dag maakt.

Aflevering 2
Onze kernwaarden onder de loep: verbinding, gezondheid en moed
Rachèl Reintjes en Nathalie Hagen
→ Moed, verbinding en gezondheid klinken mooi, maar hoe helpen deze waarden je juist op de moeilijke momenten?

Aflevering 3
Onze historie en de invloed daarvan op vandaag
Marianne Nieuwenhuijze en Hieke Huistra
→ Ons vak heeft een rijke geschiedenis. Welke lessen uit het verleden helpen ons vooruit?

Aflevering 4
Ons specialistisch kennisgebied en wat ons onderscheidt van andere beroepen
Marianne Prins en Miran Gerritsen
→ Wat maakt de verloskundige uniek? Over de kennis, expertise en meerwaarde van ons vak.

Aflevering 5
Onze maatschappelijke rol
Bahareh Goodarzi en Inge van Nistelrooij
→ Je bent meer dan zorgverlener. Welke rol vervult de verloskundige in de samenleving van vandaag?

Aflevering 6
Een gevoel van gemeenschap, samen dragen we dit vak
Marieke Smith en Maaike van Rijn
→ Samen vormen we een beroepsgroep. Hoe houden we de verbinding met elkaar in een tijd van transitie in de zorg?

Aflevering 7
Professionaliteit en autonomie
Alieke de Roon en Job Paulus
→ Professionele ruimte krijg je niet alleen, die neem je ook. Wat betekent autonomie in de dagelijkse praktijk van de verloskundige?

Aflevering 8
Persoonlijke ontwikkeling en zelfreflectie
Julia Bloeming en Suzanne Thompson
→ Hoe blijf je met plezier groeien? Over leren, reflecteren en ontwikkelen.

Aflevering 9
Samenwerken met andere disciplines
Raymond de Vries en Jolanda Liebregts
→ Goede geboortezorg vraagt om samenwerking. Hoe werk je samen met andere disciplines en behoud je tegelijkertijd je eigen professionele identiteit?

Aflevering 10
Ruth en Suzanne blikken terug
Suzanne Thompson en Ruth Evers
→ Wat leverden de gesprekken over de beroepsidentiteit op? Ruth en Suzanne kijken terug op de belangrijkste inzichten uit de serie en delen hun visie op de toekomst van de verloskunde.

 


Geslaagd!

Tekst: Academies, 2026-3

In het studiejaar 2025-2026 is een nieuwe lichting verloskundigen afgestudeerd. Van harte gefeliciteerd met deze prestatie en welkom in ons mooie vak!

Academie Verloskunde – Amsterdam en Groningen (AVAG)

Groningen

Irene

Élise

Linde

Hilde

Lisanne

Susan

Anna

Carolien

Femke

Annelies

Pascalle

Marit

Sterre

Lina

Femke

Denise

Sophie

Luca

Madelief

Vera

Bente

Tosca

Rozemarijn

Iris

Ruth

Nynke

Demi

Miriam

Iza

Hannah

Annefleur

Sophie

Mirthe

Lisa

Lynn

Femke

 

Amsterdam

Jamie

Britt

Brigith

Chantal

Isa

Puck

Melissa

Anne

Emma

Femke

Ilse

Charity

Wivineke

Renske

Loïs

Isabel

Madou

Noa

Marit

Annelies

Kyla

Simone

Larissa   

Renee

Kinza

Inge

Fenna

Loena

Anouk

Fleur

Marjolein

Noa

Romy

Anne   

Yentl

Laura

India

Lotte

Lidewij

Babet

Franca

Dorien   

Femke

Florien

Heidy

Judith

Lexi

Luca   

Maryse

Ramona

Stassy

Wendy

 

Verloskunde Academie Rotterdam

Indira

Sophie

Saskia

Emma

Eva

Rianke

Elise

Nursena

Rhodé

Laura

Francis

Beti

Maria

Pam

Lotte

Floor

Jade

Rhodé

Sabrina

Fee

Rebecca

Felicia

Jessica

Morsal

Fee

Sylvie

Tinka

Paula

Marieke

Margot

Germainy

Eva

Marlinde

Anouk

Wendy

Deyanira

Anika

Yvana

Jinaan

Linsey

Aimée

Lisa

Marja

Fleur

Lauren

Melanie

Liv

Rhona

Aya

Femke

Lianne

Tara M

Fatma

Chiara

Esmee

Claudia

Miranda

Sabine

Vivian

Julia

 

Academie Verloskunde Maastricht (AVM)

Britte

Sterre

Emma

Wydiënne

Sandra

Dieuwke

Kayleigh

Aniek

Latifa

Anouk

Juliëtte

Maud

Finette

Marly

Neeltje

Eva

Anna

Sophie

Dyonne

Rian

Evi

Vera

Merel

Mirre

Jade

Britt

Floor

Esmée

Helen

Fjenne

Bente

Anouk

Belle

Sterre

Suzanne

Madelief

Julia

Janneke

Tessel

Inge

Laukje

Fleur

Joyce

Erna

Marjolein

Bente

Saskia

Lianne

Talitha

Lola

Nina

Soleil

Desiree

Saffrijn

Merel

Zoe

Lieke

Iris

Laura

Tess

Anne-Sophie

Juul

Paula

Silke

Anne Roos

Roos

Melanie

Sophie


Goed geregeld na je afstuderen

KNOV-bestuurder Marieke Smith in gesprek met transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach

Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-3
Beeld: De Beeldredacteur

De geboortezorg is in transitie. Dat voelt ongemakkelijk, onzeker en soms ronduit chaotisch. Maar volgens transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach is die onrust ook een teken dat het bestaande systeem begint te kantelen en dat er ruimte is om de geboortezorg fundamenteel te verbeteren. KNOV-bestuurslid Marieke Smith gaat met de onderzoekers in gesprek: over de disbalans in de geboortezorg, de transitiepijn die daarbij hoort en wat er nodig is om verder te komen.

In opdracht van het Zorginstituut onderzocht het Rotterdamse onderzoeksinstituut DRIFT afgelopen jaar de staat van de Nederlandse geboortezorg. DRIFT-onderzoeker Sien Beckers analyseerde beleidsstukken, rapporten, evaluaties, position papers, opiniestukken en nieuwsartikelen en sprak met tal van mensen die betrokken zijn bij de geboortezorg. Zowel vernieuwers als meer behoudende stemmen. Ook faciliteerde DRIFT verschillende sessies waarin professionals uit de geboortezorg met elkaar in gesprek gingen over de analyse van de onderzoekers. ‘Wat mij in het onderzoek het meest verraste was de bereidheid van iedereen om met ons in gesprek te gaan’, vertelt Sien. ‘Over de hele linie voelen mensen dat de druk oploopt en dat het anders moet.’

'Over de hele linie voelen mensen dat de druk oploopt en dat het anders moet'

Sien zit samen met DRIFT-directeur Derk Loorbach aan een picknicktafel op de campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar onderzoeksinstituut DRIFT is gevestigd. De twee gaan in gesprek met Marieke Smith, die de uitkomsten van het onderzoek volledig herkent: de geboortezorg is uit balans, doorgeschoten in medicalisering en risicobenadering. ‘Wij zijn blij dat we niet de enige roepende in de woestijn meer zijn’, zegt Marieke. ‘Toen we als bestuur net begonnen, klopten we overal aan met de vraag: zien jullie dan niet dat we steeds meer interventies doen, zonder dat de cijfers, over bijvoorbeeld mortaliteit en morbiditeit, verbeteren? Toch bleef het gaan over systeemoptimalisatie, en efficiëntere organisatie zoals inleidingen strakker plannen en kraamhotels. Terwijl wij denken: dat is precies de verkeerde kant op.’

Marieke is dan ook blij dat een externe, neutrale partij nu met de boodschap komt dat de geboortezorg te ver doorschiet in medicalisering, marktwerking en toenemende organisatiedruk. En bovendien ook taal geeft die de KNOV en verloskundigen kan helpen het gesprek over deze ontwikkeling beter te voeren. ‘Dit onderzoek haalt het gesprek los van de tegenstelling tussen beroepsgroepen. In die groef zijn we al te vaak beland. Het onderzoek laat zien dat de geboortezorg niet verder geoptimaliseerd moet worden, maar een nieuw vertrekpunt nodig heeft.’

KNOV-bestuurder Marieke Smith (midden) in gesprek met transitieonderzoekers Sien Beckers en Derk Loorbach.
Transitiedenken

DRIFT, het Dutch Research Institute for Transitions, onderzoekt hoe maatschappelijke systemen veranderen wanneer de historisch gegroeide manieren van denken, doen en organiseren niet meer goed aansluiten bij de werkelijkheid. De KNOV had een paar jaar geleden ook al contact met het instituut. Derk werd toen uitgenodigd op het bureau om met medewerkers in gesprek te gaan over verandering. De nieuwe koers die het bestuur wilde varen zorgde destijds voor onrust. Het transitieperspectief gaf daar een goede verklaring voor, vertelt Marieke. ‘Veel mensen ervoeren die ontwikkeling als chaos. En toen zei Derk: dat klopt. Dat hoort bij een transitie. Je kunt niet met drie mensen in transitie zijn; het hele bureau moet mee en dat kan even chaotisch voelen en pijn doen. Die wetenschap gaf rust: je begrijpt beter waar je doorheen gaat en dat je daar niet omheen kunt.’

Terug naar de geboortezorg. Het DRIFT-onderzoek noemt de risico-regelparadox. Elke keer dat er iets misgaat, volgen er nieuwe protocollen en regels om herhaling te voorkomen. Het systeem wordt complexer, duurder en logger, tot het punt waarop dat enorm complexe systeem zelf een risico wordt. Derk: ‘In de afgelopen twintig tot vijfentwintig jaar is er een verschuiving geweest naar het benoemen van steeds kleinere risico’s. En als je die risico’s gaat benoemen, leg je de verantwoordelijkheid eigenlijk bij de moeder neer.’ Marieke: ‘En bij de verloskundige’. Derk: ‘Terwijl er vaak geen handelingsperspectief is.’

Geen onderbouwing

Het viel Derk in het onderzoek op dat de beweging richting een steeds biomedischer systeem vaak als vanzelfsprekend evidence-based wordt beschouwd. ‘Maar er is eigenlijk nergens een goede onderbouwing en kosten-batenanalyse van die ontwikkeling op systeemniveau te vinden.’ Derk verwijst naar het invloedrijke adviesrapport Een goed begin, van de door het ministerie ingestelde Stuurgroep Zwangerschap en geboorte, uit 2009. ‘Dat zorgde voor een enorme toename van interventies, kosten en overhead, maar na een aanvankelijke daling in de sterftecijfers liggen die inmiddels weer hoger dan toen. Los van waar je staat in de discussie moet je je dan afvragen: is de richting die we zijn ingeslagen nog wel de juiste?’

Marieke sluit zich aan bij die vraag. ‘Als wij ons verhaal doen krijgen wij vaak te horen, ja, maar jullie willen gewoon je praktijken houden. Kom maar met een goede onderbouwing. Maar andersom wordt diezelfde vraag veel minder gesteld: waarop baseren we eigenlijk dat meer ingrijpen tot betere zorg leidt?’ Er is zelfs toenemend bewijs dat overbodige interventies ook nevenschade kunnen hebben, voegt Sien toe. Als voorbeeld noemt ze een UMCG-onderzoek dat aantoont dat medische interventies tijdens een ongecompliceerde bevalling op de langere termijn gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van moeder en kind.

Derk: ‘Wat wij met dit onderzoek proberen te doen, is de toon en de richting van het gesprek veranderen. Uiteindelijk wil je dat de regels van het spel worden aangepast, maar daarvoor heb je eerst een ander gesprek nodig.’ Dat gesprek moet volgens Sien en Derk niet beginnen bij de vraag welke bestaande afspraak, interventie of organisatievorm net iets slimmer kan worden ingericht, maar bij een fundamentelere vraag: wat is goede geboortezorg? Vertrekt die vanuit zwangerschap en geboorte als natuurlijk proces, waarbij medische expertise beschikbaar is als dat nodig is? Of vanuit het biomedische model gebaseerd op diagnose en behandeling van risico’s?

De KNOV en haar leden zetten zich in voor dat eerste. Zij zien dagelijks wat dat biomedische vertrekpunt doet met de praktijk. Met de manier waarop zwangere vrouwen worden geïnformeerd. Met de rust of onrust tijdens een baring. Met de ruimte die er is om af te wachten. En met de positie die verloskundigen innemen aan overlegtafels waar protocollen en regionale afspraken worden gemaakt. Sien: ‘Er zijn mensen die graag weer meer sociale elementen in de geboortezorg terugbrengen. Niet alleen verloskundigen, maar ook gynaecologen, cliënten en kraamverzorgers. Tegelijkertijd is er ook een groep die het huidige systeem verder wil optimaliseren en de oplopende druk binnen het huidige systeem met organisatorische aanpassingen probeert te bevechten.’

'Een transitie begint juist in de praktijk. Zoek bondgenoten, ook buiten de eigen beroepsgroep'

Sien Beckers.

 

Derk Loorbach.

 

Marieke Smith.
'Vooruit naar vroeger'

In het gesprek gebruikt Derk de uitdrukking ‘vooruit naar vroeger’. Die wordt vaker gebruikt in het gesprek over transities. In de landbouw bijvoorbeeld, waar na decennia van schaalvergroting en intensivering opnieuw aandacht ontstaat voor lokale ketens, kringlopen en balans met de natuur. Niet omdat vroeger alles beter was, maar omdat waarden die in de loop van de tijd naar de achtergrond verdwenen, opnieuw richtinggevend kunnen worden. Het onderzoek adviseert dat de geboortezorg een vergelijkbare beweging inzet. ‘We moeten af van zo’n dominante focus op risico’s: verschuif het doel van de geboortezorg van “ten koste van alles levend geboren worden” naar “gezond geboren worden”’, zo luidt een van de conclusies. ‘Niemand aan tafel wil terug naar een tijd waarin vrouwen en baby’s minder veilig waren. Maar duidelijk is dat de balans is doorgeslagen’, zegt Derk. ‘Je kunt niet terug. Je moet door. Maar je wilt dat doen met behoud van de vooruitgang die is geboekt.’ Voor Marieke is dit een belangrijk onderscheid. De beweging die verloskundigen willen, is geen nostalgisch verlangen naar vroeger. Het is een nieuwe transitie, zegt ze. ‘In de transitie naar het biomedische model, die afgelopen twintig jaar plaatsvond, hebben verloskundigen vaak remmend achter de kar gehangen: dit gaat niet goed, er komen steeds meer interventies. Dat heeft ons veel energie gekost, veel verloskundigen zijn hierdoor gestopt met hun werk. Wij zijn inmiddels een nieuwe richting ingeslagen en zijn blij met bredere gesprek in de sector.’

Transitiepijn

Transities kunnen pijn doen. Er ontstaat bij verschillende groepen ongemak wanneer een systeem kantelt en professionele identiteit, overtuigingen en routines onder druk komen te staan. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn misschien wel de boerenprotesten waarvan we er in de afgelopen jaren veel hebben gezien. Voor veel boeren voelt de benodigde omslag naar een duurzamere landbouw niet alleen als een verandering van regels, maar als een aantasting van hun vakmanschap en identiteit. Veel verloskundigen ervaren die pijn ook al enige tijd: ze hebben gevoel dat hun vak en deskundigheid jarenlang zijn gemarginaliseerd. Maar ook bij andere geboortezorgprofessionals is er transitiepijn, benadrukt Derk. Ook gynaecologen en andere zorgprofessionals ervaren dat het systeem waarin zij werken is vastgelopen. Marieke vindt dat belangrijk om te benoemen. ‘Ik spreek genoeg gynaecologen die ook vinden dat het anders moet. Ik hoop heel erg dat dit onderzoek helpt om het gesprek te verdiepen. Dat het niet meer gaat over wat de verschillende beroepsgroepen, maar wat de geboortezorg nodig heeft.’

Het rapport van DRIFT wordt onderdeel van de gesprekken aan de landelijke tafels, waarin wordt gewerkt aan een generiek kompas voor de geboortezorg. Maar wat kun jij als verloskundige ondertussen zelf doen met deze visie op de veranderingen in de geboortezorg? Marieke ziet het rapport als een prettige rugdekking. ‘In VSV’s wordt na een enkel incident soms meteen nieuw beleid gemaakt. Maar niet elke verdrietige uitkomst vraagt om een nieuw protocol. Met het rapport kun je laten zien dat er meer perspectieven zijn dan verdere systeemoptimalisatie. Dat het niet alleen je gevoel is.’ Derk adviseert om vooral niet te wachten tot alle landelijke kaders zijn aangepast; dat kan immers nog wel even duren. ‘Een transitie begint juist in de praktijk. Zoek bondgenoten, ook buiten de eigen beroepsgroep. Er zijn veel meer mensen die verlangen naar een geboortezorg waarin gezondheid, vertrouwen en het natuurlijke proces weer meer centraal staan. Die beweging is er al. Jij kunt die helpen groter maken.’

Sien moedigt verloskundigen en de geboortezorg aan om ook buiten de sector relaties aan te gaan; iets wat sommige praktijken al veelvuldig doen. ‘Armoede, stress, luchtkwaliteit en sociale ongelijkheid bepalen in belangrijke mate hoe gezond een zwangerschap verloopt. Daarom is het belangrijk om je ook buiten dat biomedische model te organiseren en de verbinding met gemeenten en het sociaal domein te zoeken.’ Ook Marieke ziet daarin een logische volgende stap. ‘Als gezondheid echt het vertrekpunt wordt, moeten ook de coalities veranderen. Nu zijn VSV’s nog sterk rondom ziekenhuizen georganiseerd. Dat past bij de transitie die we achter ons hebben. Maar de volgende stap vraagt om een veel bredere samenwerking.’


Samen werken aan meer uniformiteit

Platform Protocollen moet verloskundigen verbinden en ondersteunen

Tekst: Eline Wortman | VRHL Content en Creatie, 2026-3

Hoe zorg je ervoor dat regionale protocollen beter aansluiten op landelijke richtlijnen? En hoe zorg je ervoor dat niet elke regio opnieuw hetzelfde protocol ontwikkelt? Met het nieuwe Platform Protocollen wil de KNOV verloskundigen verbinden, kennis bundelen en signalen uit de praktijk vertalen naar landelijk beleid.

Het idee voor het Platform Protocollen ontstond tijdens de Algemene Ledenvergadering van de KNOV in november 2024. Een lid stelde daar een vraag die bij veel collega’s herkenning opriep: is het niet mogelijk om regionale protocollenwerkgroepen met elkaar te verbinden? Zo zouden verloskundigen minder dubbel werk hoeven doen en sneller van elkaar kunnen leren.

Die vraag bleek breed te leven. De KNOV organiseerde in 2025 een webinar voor verloskundigen die betrokken zijn bij protocolontwikkeling. Daar deelden verloskundigen hun ervaringen en uitdagingen. Volgens KNOV-beleidsadviseur richtlijnontwikkeling Sophie Dekker ontstond het platform vanuit een duidelijke behoefte van leden. ‘Zij gaven aan dat ze elkaar willen kunnen vinden en ondersteunen bij protocolontwikkeling.’

Bevorderen van de regionale samenwerking

De KNOV wil voorkomen dat regio’s onnodig van elkaar gaan verschillen. Door kennis en protocollen te delen én de verbinding met landelijke richtlijnen te leggen, kunnen regionale afspraken beter op elkaar aansluiten en ontstaat meer uniformiteit. ‘Verloskundigen die protocollen ontwikkelen, ervaren vaak een toenemende werkdruk. We hopen te voorkomen dat iedereen steeds opnieuw het wiel moet uitvinden. Misschien heeft een andere regio hetzelfde vraagstuk allang opgelost. Dan is het zonde als je daar opnieuw veel tijd in steekt’, vertelt Sophie. Het doel van het platform is om leden met elkaar te verbinden, zodat zij elkaar kunnen vinden en ondersteunen bij protocollenontwikkeling. Het platform is meer dan een plek om protocollen te delen. Door ervaringen uit de praktijk samen te brengen, wordt ook zichtbaar waar kennishiaten zijn en waarover landelijke richtlijnen ontbreken of waar richtlijnen niet-toereikend zijn. ‘Als er hiaten zijn in het andelijke beleid, horen we dat graag. Dan kunnen wij bekijken of daar op termijn landelijke richtlijnontwikkeling nodig is, in plaats van dat elke regio zelf oplossingen gaat bedenken.’ Zo helpt het platform verloskundigen elkaar te ondersteunen en levert het waardevolle input voor de verdere ontwikkeling van landelijk beleid.

Verbinding facilliteren

Het nieuwe Platform Protocollen bouwt voort op de bestaande digitale KNOV-platforms. Waar die vooral zijn ingericht rond werksettings, zoals praktijkhouders, klinisch verloskundigen en studenten, is dit platform juist inhoudelijk van aard. Iedere verloskundige kan aansluiten, ongeacht de werksetting. Leden kunnen er vragen stellen rondom protocollen en ervaringen delen. De KNOV deelt er bovendien updates over landelijke kwaliteitsdocumenten. Ook worden bijeenkomsten rond actuele thema’s georganiseerd.

De vereniging beoordeelt of accordeert gedeelde protocollen niet. Sophie: ‘Het platform is van de verloskundigen zelf. Wij faciliteren de verbinding en leggen de link met het landelijke beleid.’ Juist die ruimte stimuleert verloskundigen om kennis met elkaar te delen.

Sterker in de regio

Verloskundigen lopen regelmatig tegen dezelfde vragen aan. Hoe houd je protocollen actueel? Hoe zorg je dat regionale afspraken aansluiten bij landelijke richtlijnen? En hoe voorkom je dat er een wirwar aan werkafspraken ontstaat? Daarnaast verschillen interpretaties van wetenschappelijk onderzoek soms tussen disciplines, bijvoorbeeld tussen verloskundigen en medisch specialisten. Dat maakt gezamenlijke protocolontwikkeling niet altijd eenvoudig.

Door kennis te delen, hoeven regio’s minder zelf uit te zoeken en ontstaat meer uniformiteit. Volgens Sophie versterkt dat uiteindelijk ook de positie van verloskundigen in de geboortezorg.’ ‘Als je steviger staat in de protocollen die je gebruikt of ontwikkelt, ben je ook een sterkere gesprekspartner voor andere partijen in de geboortezorg. Dat komt de professionele autonomie uiteindelijk ten goede.’

'Het platform is ontstaan vanuit een behoefte van leden'

Het platform is inmiddels beschikbaar en in de komende maanden wordt de eerste platformbijeenkomst gepland. De ambitie is om zoveel mogelijk verloskundigen aan te laten sluiten en actief kennis te laten delen. Sophie hoopt dat verloskundigen elkaar over een jaar goed kunnen vinden rondom protocolontwikkeling. ‘Er is al ontzettend veel kennis aanwezig. Het zou mooi zijn als iemand in Friesland straks eenvoudig gebruik kan maken van een oplossing die collega’s in Noord-Brabant al hebben bedacht.’


Update

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-3
NZa wijst bijna alle bezwaren tegen verloskundetarieven 2026 af: de KNOV gaat in beroep

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 1 juli 2026, na een wachtperiode van ruim tien maanden, haar oordeel geveld over de bezwaren van de KNOV op de tariefbeschikking 2026. De NZa is het niet eens met de bezwaren van de KNOV en heeft ze bijna allemaal afgewezen. Tegen deze uitspraak gaat de KNOV in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). De KNOV heeft namens verloskundigen bezwaar gemaakt op de maximumtarieven verloskunde 2026. Het bezwaar richt zich op de weging van uren van de praktijkhouder, het normatief inkomensdeel (normatieve arbeidskostencomponent, NAC) en het feit dat verloskundigen structureel meer uren dan voltijd werken. De NZa geeft aan op één onderdeel wel mee te gaan in het bezwaar van de KNOV. De hoogte van het inkomensdeel wordt iets aangepast, omdat de NZa erkent dat bij het werken als verloskundige ook zwaar getild moet worden. Naar aanleiding van deze uitspraak worden de tarieven voor 2026 met terugwerkende kracht gewijzigd. De aangepaste tarieven kunnen nog niet worden gedeclareerd: de systemen van zorgverzekeraars zijn hier nog niet op ingesteld. Declareer je wel, dan wordt de declaratie waarschijnlijk automatisch afgewezen.

Aantekening Basisechoscopie live!

De aantekening met herregistratie-eis Basisechoscopie is beschikbaar in het Kwaliteitsregister Verloskundigen. Hiermee maken we de borging van de kwaliteit van basisechoscopie weer onderdeel van de eigen beroepsvereniging. Je kunt de aantekening verkrijgen door in te loggen in PE-online en je aan te melden. Hiernaast is het mogelijk om – voor verzekeraars die de aantekening in 2026 erkennen (a.s.r. en ONVZ) – declaraties in te dienen op basis van de aantekening, met terugwerkende kracht tot de datum van verkrijging (vanaf 1 januari 2026).

Deze ontwikkeling draagt bij aan een toekomstbestendig systeem van passende kwaliteit en passende verantwoording voor iedereen die werkzaam is in de geboortezorg. Door heldere registratie- en herregistratie-eisen wordt de deskundigheid van verloskundigen zichtbaar en geborgd, terwijl de administratieve lasten beperkt blijven.

Klik hier en log in bij PE-online.

Internationale verloskunde

De Nederlandse verloskunde is internationaal gezien uniek. Het is interessant om te weten hoe de geboortezorg in andere landen georganiseerd is en hoe we van elkaar kunnen leren en internationaal kunnen samenwerken. Daarvoor heeft de KNOV-academie twee microlearnings ontwikkeld over internationale verloskunde. In de microlearning Global Midwifery ontdek je hoe verloskundige zorg wereldwijd is ingericht, hoe verloskundigen internationaal samenwerken en welke invloed Nederland heeft op ontwikkelingen binnen het vak. In de tweede microlearning staan wereldwijde geboortezorg en de aanpak van moedersterfte centraal. In korte, inspirerende interviews delen Barbara Kwast en Thomas van den Akker vanuit hun internationale ervaring indrukwekkende verhalen en inzichten.

Voor de KNOV is internationale samenwerking belangrijk om de positie van verloskundigen wereldwijd te versterken met als doel dat alle zwangeren toegang hebben tot deskundige, relationele zorg waarbij er oog is voor de fysiologie. De microlearnings sluiten daarmee mooi aan bij het ICM-verslag in dit tijdschrift.