Word lid van de KNOV

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-3

Als lid versterk je niet alleen je eigen positie, maar ook die van alle verloskundigen in Nederland. Door als collectief op te treden, staan we sterk en kunnen we breed gedragen stappen zetten richting een nog betere geboortezorg.

Ledenvoordeel

• Je kunt meedenken over en bijdragen aan de inhoud van het vak.
• Je hebt toegang tot handige documenten over waarneming, praktijkvoering, overname, tariefbepaling, toelatingscontracten, etc.
• Als je lid bent van de KNOV ben je automatisch ook aangesloten bij de geschilleninstantie.
• Als klinisch verloskundige heb je via de KNOV toegang tot juridische ondersteuning door vakbond FBZ.
• Je krijgt toegang tot de KNOV-helpdesk.
• Je hebt toegang tot het online inspiratienetwerk, waar meer dan 2.400 verloskundigen met elkaar in gesprek gaan en elkaar helpen.
• Je ontvangt vier keer per jaar het tijdschrift De Verloskundige.
• Je krijgt toegang tot de platforms voor verschillende werksettings.
• Je krijgt korting op de tarieven van tolkendienst Global Talk.
• Je kunt gebruikmaken van een vertrouwenspersoon die jou bijstaat als je een klacht krijgt of dreigt te krijgen.

Het KNOV-lidmaatschap

De KNOV behartigt jouw belangen aan landelijke tafels. We staan voor je klaar met informatie en advies over de inhoud en organisatie van verloskundige zorg. Al meer dan 125 jaar.

'Als verloskundigen zijn wij samen de KNOV. Die verbondenheid vind ik belangrijk. De kracht van onze vereniging zit in de veelkleurigheid van leden. Door elkaar te ontmoeten, kennis en ervaringen te delen en met elkaar in gesprek te blijven, leren we van elkaar. Ik neem na een ontmoeting altijd weer nieuwe inzichten mee terug naar mijn eigen praktijk.'

Paule Korlaar-Dijkhuizen, eerstelijnsverloskundige

Sinds april heb je ook toegang tot de nieuwe KNOV-academie!

Lid worden of meer weten?

Kijk op knov.nl/ledenvoordeel


2026 – Nummer 2

https://issuu.com/elmamultimedia/docs/knov_de_verloskundige_2026_2


Medicatie tijdens de zwangerschap: waarom de standaarddosering niet altijd de juiste is

Tekst: Dagmar Hiensch, Caroline Dibbets, Dr. Vera Bukkems, Prof. Liesbeth Scheepers, Prof. Saskia de Wildt
Beeld: Shutterstock, 2026-2

Drie op de vier vrouwen in Nederland gebruikt weleens een medicijn tijdens de zwangerschap.¹ Toch is voor veel geneesmiddelen nog onvoldoende bekend welke dosering in deze periode veilig en effectief is. Project Madam, een samenwerking tussen het Radboudumc, MUMC+ en Moeders van Morgen Lareb, wil dit veranderen door onderzoek te doen naar de juiste geneesmiddeldosering voor zwangeren. Dit blijkt vaak een andere dosering te zijn dan die in de praktijk aan zwangeren wordt voorgeschreven.

Wat verandert er tijdens de zwangerschap en waarom is er zo weinig bekend?

Tijdens de zwangerschap verandert het lichaam van de zwangere ingrijpend om de groei en ontwikkeling van de foetus te ondersteunen. Deze veranderingen beïnvloeden ook hoe geneesmiddelen in het lichaam worden opgenomen, verdeeld en uitgescheiden.

Zo werken de nieren harder, waardoor het lichaam geneesmiddelen sneller kan uitscheiden. Ook verandert de activiteit van enzymen in de lever die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van medicatie. Hierdoor worden sommige geneesmiddelen sneller afgebroken, terwijl andere juist langer in het lichaam blijven. Daarnaast neemt het bloedvolume toe, waardoor geneesmiddelen meer verdund raken en zich anders over het lichaam verdelen.²

Door deze veranderingen kan de concentratie van geneesmiddelen in het bloed tijdens de zwangerschap afwijken van die vóór de zwangerschap. Dit kan leiden tot een verminderde werking of tot een verhoogd risico op bijwerkingen en toxiciteit bij de moeder of de foetus. Daarnaast is voor veel medicijnen nog niet bekend hoeveel van het geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Toch worden zwangeren vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek. Hierdoor ontbreekt belangrijke kennis over veilige en effectieve doseringen in deze groep.³

Hoe wordt de juiste dosering bepaald?

Project Madam richt zich daarom op het vinden van de juiste dosering van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Onderzoekers analyseren beschikbare literatuur over de concentratie van medicatie in het bloed van zwangeren en over de werking en veiligheid van deze geneesmiddelen tijdens de zwangerschap. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar hoeveel van een geneesmiddel via de placenta bij de foetus terechtkomt. Dit wordt onderzocht met placenta’s die na de bevalling beschikbaar komen.

Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar zwangeren, wordt er ook gebruik gemaakt van computermodellen, zogenaamde physiology-based pharmacokinetic (PBPK)-modellen. Deze modellen bootsen het lichaam van de zwangere na en voorspellen hoeveel van het geneesmiddel aanwezig is in het lichaam van de moeder en soms ook in de foetus.4 Deze informatie wordt gebruikt om het doseeradvies te ondersteunen.

De verzamelde informatie wordt kritisch beoordeeld en besproken in een multidisciplinaire expertgroep. Deze groep bestaat uit onder andere gynaecologen, internisten, kinderartsen, apothekers, toxicologen, huisartsen, verloskundigen en patiëntvertegenwoordigers. De KNOV was betrokken bij de expertgroep. Zij wegen de voor- en nadelen van de aangepaste dosering af voor zowel moeder als kind. Na goedkeuring worden de doseeradviezen gepubliceerd op de websites van Moeders van Morgen Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas, zodat zorgverleners deze in de praktijk kunnen toepassen.

'Zwangeren worden vaak uitgesloten van geneesmiddelonderzoek, waardoor belangrijke kennis ontbreekt over veilige en effectieve doseringen'

Voorbeeld: amoxicilline

Amoxicilline is een veelgebruikt antibioticumtijdens de zwangerschap. In de praktijk krijgen zwangeren vaak een dosering van 500 mg drie keer per dag, terwijl bij niet-zwangeren regelmatig hogere doseringen worden gebruikt.

Omdat de nieren tijdens de zwangerschap sneller werken, wordt amoxicilline sneller uitgescheiden. Onderzoek laat zien dat de blootstelling aan amoxicilline met ongeveer 15 tot 25% afneemt tijdens de zwangerschap.5

Daarom wordt bij milde tot matige infecties geadviseerd om de hoogste dosering binnen de gebruikelijke doseerrange te gebruiken. Het onderzoek van Project Madam laat bovendien zien dat bij bepaalde indicaties, zoals preventief antibioticagebruik bij vroegtijdig gebroken vliezen, een hogere dosering nodig is om effectieve spiegels te bereiken. Voor de preventie van early-onset neonatale sepsis (EONS) lijkt de standaarddosering daarentegen wel voldoende om effectieve spiegels te behalen. In alle gevallen blijft het belangrijk om infecties tijdens de zwangerschap adequaat te behandelen. De voordelen hiervan wegen doorgaans op tegen de mogelijke nadelen van een hogere dosering.

Voorbeeld: labetalol

Labetalol is het eerste keus geneesmiddel bij de behandeling van zwangerschapshypertensie. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van het enzym in de lever dat labetalol afbreekt. Hierdoor breekt het lichaam dit geneesmiddel sneller af, wat de effectiviteit kan verminderen.6,7

Onderbehandeling van zwangerschapshypertensie heeft negatieve gevolgen voor zowel moeder als (ongeboren) kind. Dit kan bijvoorbeeld het risico op zwangerschapsvergiftiging en een laag geboortegewicht verhogen. Tegelijkertijd kunnen hogere doseringen van labetalol, vooral later in de zwangerschap, bij de pasgeborene leiden tot een lage hartslag, bloeddruk en bloedsuiker, maar dit lijkt niet op te wegen tegen de risico’s van onderbehandelde hypertensie bij de moeder.

Voor een voldoende bloeddrukverlagend effect over de gehele dag, wordt geadviseerd om labetalol vaker per dag te doseren. Daarnaast is het van belang om de bloeddruk van de moeder goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.

Voorbeeld: sertraline

Het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap neemt toe. Sertraline is één van de meest voorgeschreven medicijnen binnen deze groep. Tijdens de zwangerschap neemt de activiteit toe van enzymen in de lever die sertraline afbreken. Hierdoor kan de blootstelling aan sertraline, vooral in het tweede en derde trimester, met wel 40% afnemen. Dit kan leiden tot een verminderde effectiviteit en terugkeer van depressieve of angstklachten.8

Een hogere dosering kan gepaard gaan met voorbijgaande ontwenningsverschijnselen bij de pasgeborene. Tegelijkertijd kan een onbehandelde depressie negatieve gevolgen hebben voor zowel moeder als (ongeboren) kind, zoals terugkeer van de depressieve gevoelens, vroeggeboorte of een te laag geboortegewicht.

Daarom wordt geadviseerd om zwangeren die sertraline gebruiken op de hoogte te stellen van een mogelijke afname van de effectiviteit. Daarbij is het van belang om de klachten goed te monitoren en zo nodig de dosering te verhogen.

Voorbeeld: corticosteroïden

De corticosteroïden betamethason en dexamethason worden ingezet bij dreigende vroeggeboorte om ernstige complicaties bij de pasgeborene te voorkomen, zoals het respiratoir distresssyndroom, intraventriculaire bloedingen en necrotiserende enterocolitis.

PBPK-modellen die geneesmiddelspiegels bij zwangeren en de foetus voorspellen, laten zien dat de huidige doseringsschema’s van deze geneesmiddelen leiden tot hoge piekconcentraties in het bloed van zowel de moeder als de foetus.9 Dit kan leiden tot onnodige bijwerkingen, zoals infecties en een te lage bloedglucosespiegel bij de moeder. Bij de foetus kan een hoge blootstelling mogelijk nadelige effecten hebben op de neurologische ontwikkeling.

Gegevens over de veiligheid en effectiviteit van lagere doseringen tijdens de zwangerschap zijn alleen nog onvoldoende onderzocht. Binnen de expertgroep is daarom besloten dat er op dit moment onvoldoende bewijs is om een lagere dosering in de praktijk toe te passen. Dit voorbeeld laat zien dat PBPK-modellen suggereren dat een lagere dosering mogelijk is, maar dat er eerst verder onderzoek nodig is naar de effectiviteit en veiligheid van deze aangepaste dosering. Dit betekent dat de huidige dosering hetzelfde blijft totdat aanvullend onderzoek aantoont of de lagere dosering veilig en effectief is.

'Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol in het signaleren van veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen'

Wat kan de verloskundige betekenen?

Wanneer een zwangere medicatie gebruikt, is het belangrijk om alert te zijn op veranderingen in effectiviteit en bijwerkingen. Een verminderde werking, het terugkeren van klachten of juist het optreden van nieuwe bijwerkingen kan erop wijzen dat een andere dosering van het geneesmiddel nodig is. Voor zorgverleners is het daarom van belang om hier tijdens controles actief naar te vragen en signalen serieus te nemen.

Voor verloskundigen ligt hier een belangrijke rol. Zij hebben veel contact met zwangeren en kunnen hen informeren over mogelijke veranderingen in de werking en bijwerkingen van medicatie. Daarnaast kunnen zij veranderingen in klachten of bijwerkingen vroegtijdig signaleren. Door deze signalen te herkennen en te overleggen met de zwangere en de arts, kan de behandeling tijdig worden aangepast. Zo kunnen verloskundigen bijdragen aan het optimaliseren van de behandeling en de gezondheid van zowel moeder als kind verbeteren.

Tot nu toe zijn er voor elf geneesmiddelen zwangerschapsspecifieke doseeradviezen opgesteld. Later in 2026 volgen er meer. De volledige doseeradviezen voor onder andere amoxicilline, labetalol en sertraline zijn te vinden via de websites van Moeders van Morgen, Lareb en het Farmacotherapeutisch Kompas.

Meer achtergrondinformatie over de adviezen en het onderzoek van Project Madam is beschikbaar op projectmadam.org.

Over de auteurs
- Dagmar Hiensch: Apotheker-onderzoeker, Radboudumc
- Caroline Dibbets: PhD-kandidaat, Radboudumc
- Dr. Vera Bukkems: Ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, Ziekenhuis Rivierenland
- Prof. dr. Liesbeth Scheepers: Hoogleraar Implementatie van verloskundige zorg op maat, gynaecoloog-perinatoloog, MUMC+
- Prof. dr. Saskia de Wildt: Hoogleraar klinische farmacologie, kinderarts-intensivist, Radboudumc.
Bronnen
1. Houben E, Bezemer I, Hukkelhoven C, Steegers E, Herings R. Medication use during pregnancy in the Netherlands: a population-based study. Value Health. 2017;20(9).
2. Westin AA, Reimers A, Spigset O. Should pregnant women receive lower or higher medication doses? Tidsskr Nor Laegeforen. 2018 Oct 30;138(17).
3. Bilinski A. Why It Is Unethical Not to Conduct Randomized Trials in Pregnancy. JAMA. 2026;335(12):1029–1030.
4. Ke AB, Greupink R, Abduljalil K. Drug Dosing in Pregnant Women: Challenges and Opportunities in Using Physiologically Based Pharmacokinetic Modeling and Simulations. CPT Pharmacometrics Syst Pharmacol. 2018;7(2):103-10.
5. Abduljalil K, Ning J, Pansari A, Pan X, Jamei M. Prediction of Maternal and Fetoplacental Concentrations of Cefazolin, Cefuroxime, and Amoxicillin during Pregnancy Using Bottom-Up Physiologically Based Pharmacokinetic Models. Drug Metab Dispos. 2022;50(4):386-400.
6. Fischer JH, Sarto GE, Hardman J, Endres L, Jenkins TM, Kilpatrick SJ, et al. Influence of gestational age and body weight on the pharmacokinetics of labetalol in pregnancy. Clin Pharmacokinet. 2014;53(4):373-83.
7. Rubin PC, Butters L, Kelman AW, Fitzsimons C, Reid JL. Labetalol disposition and concentration-effect relationships during pregnancy. Br J Clin Pharmacol. 1983;15(4):465-70.
8. Koldeweij C, Dibbets C, Franklin BD, Scheepers HCJ, de Wildt SN. A User-Driven Framework for Dose Selection in Pregnancy: Proof of Concept for Sertraline. Clin Pharmacol Ther. 2025 Jan;117(1):214-224.
9. Van Der Heijden JEM, Van Hove H, Van Elst NM, Van Den Broek P, Van Drongelen J, Scheepers HCJ, De Wildt SN, Greupink R. Optimization of the betamethasone and dexamethasone dosing regimen during pregnancy: a combined placenta perfusion and pregnancy physiologically based pharmacokinetic modeling approach. Am J Obstet Gynecol 2025 Feb;232(2):228.

Kraamzorg: samen werken aan goede zorg thuis

Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Shutterstock

De druk op de kraamzorg neemt toe: dat heb jij als verloskundige vast ook al gemerkt. Maar er is ook veel in beweging. De KNOV werkt samen met Bo Geboortezorg en het Kenniscentrum Kraamzorg aan toekomstbestendige kraamzorg. Zo loopt er een pilot voor een indicatiemethodiek en werkt de KNOV mee aan verschillende andere projecten. In dit artikel lees je wat er speelt en wat dat voor jou betekent.

Het is half zes ’s ochtends. De baby ligt op de borst van haar moeder. De controles zijn klaar. Normaal zou je nu je tas pakken, omdat de kraamverzorgende er is. Vandaag staat er niemand. Je begeleidde de bevalling alleen. Je kijkt naar de moeder. Zij kijkt naar jou. En nu? Je blijft langer dan normaal gesproken. Niet omdat het medisch nodig is, maar omdat je de ouders niet alleen wil laten met een baby van twee uur oud. Als je toch moet vertrekken, spreek je af dat de ouders je kunnen bellen als het nodig is. Je rijdt naar huis. Onderweg denk je: dit is niet hoe het hoort.

Voor veel verloskundigen is dit een herkenbare realiteit. De capaciteitsproblemen in de kraamzorg zijn groot. Er is te weinig nieuwe instroom in de sector en het ziekteverzuim en de uitstroom zijn hoog. Dat heeft natuurlijk in de eerste plaats effect op het gezin, dat het met minder kraamzorg moet doen of soms helemaal geen kraamzorg kan vinden. Ook is bekend dat gezinnen in een kwetsbare situatie het hardst worden geraakt door deze capaciteitsproblemen. Zij melden zich vaker laat bij een kraamzorgorganisatie en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de zorg het hardst nodig hebben. Zorginstituut Nederland zag eerder al dat er grote regionale en sociaal-economische verschillen zijn in het kraamzorggebruik en dat de zorg niet altijd terechtkomt bij de gezinnen waar de behoefte het grootst is.

Fysieke zorg aan huis

Tegelijkertijd raken de capaciteitsproblemen ook aan het werk van de verloskundige. Als er niet voldoende kraamzorguren zijn of zelfs helemaal geen kraamzorg is, blijf je soms langer, word je meer gebeld of bel je zelf wat vaker. Misschien rijd je ook nog een keer extra langs het gezin. Ook daarom is bijdrage aan de ontwikkeling van de kraamzorg belangrijk. Sinds enige tijd werkt de KNOV weer goed samen met Bo Geboortezorg, de branchevertegenwoordiger van kraamzorgorganisaties en het Kenniscentrum Kraamzorg (KCKZ). Zoals je misschien weet liep die samenwerking in de afgelopen jaren niet altijd soepel. De KNOV vond dat verloskundigen niet voldoende betrokken werden bij bepaalde beslissingen die moeten helpen om de capaciteitsproblemen in de kraamzorg aan te pakken: over de indicatiestelling, over de inrichting van kraamhotels, over de richting van de kraamzorg. Zo was de KNOV bijvoorbeeld niet aanwezig bij de gesprekken over het normenkader continuïteit kraamzorg dat Zorgverzekeraars Nederland, KCKZ en Bo Geboortezorg samen opstelden. Dat kader waarborgt dat cliënten minstens 24 uur kraamzorg ontvangen, ook in tijden van krapte.

'Zorg thuis is het uitgangspunt'

De KNOV vindt betrokkenheid bij dit soort afspraken belangrijk. Niet alleen omdat de afspraken het werk van verloskundigen ook beïnvloeden, maar ook omdat verloskundigen medisch eindverantwoordelijk zijn voor de postnatale zorg en het aantal uren voor kraamzorg indiceren. Gelukkig voert de KNOV inmiddels weer goede gesprekken met de kraamzorgvertegenwoordigers. Begin dit jaar hebben de KNOV en Bo Geboortezorg afgesproken dat ze gezamenlijk optrekken en dat er meer ruimte komt voor verschillende oplossingen.
Ook werkt de KNOV samen met Bo Geboortezorg en KCKZ aan een gezamenlijke visie op de eerstelijnsgeboortezorg. Die moet zowel kraamverzorgenden als verloskundigen handvatten geven om in de dagelijkse praktijk te blijven samenwerken en helder te houden wat het doel is: dat de hoeveelheid en kwaliteit van de kraamzorg niet wordt bepaald door wat er beschikbaar is, maar door wat het gezin nodig heeft. De KNOV wil dat vrouwen en gezinnen in hun eigen omgeving wennen aan het ouderschap, ondersteund door een vaste kraamverzorgende. Zorg thuis is dus het uitgangspunt. Daarbij hoort ook een passende indicatie met ruimte voor maatwerk, laagdrempelige samenwerking tussen verloskundige en kraamverzorgende en lage administratieve lasten, zodat er meer tijd overblijft voor het gezin.

Tijdelijke oplossingen

Natuurlijk zijn er soms tijdelijke oplossingen nodig. Deze oplossingen moeten passen binnen het grotere verhaal. Een kraamhotel kan soms tijdelijk verlichting bieden, maar het is niet de gewenste richting: de KNOV wil immers dat ouders in hun thuisomgeving wennen aan het ouderschap. Daarnaast merkt de KNOV dat een kraamhotel soms voor extra planningsuitdagingen bij verloskundigen zorgt. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat het probleem alleen maar verschoven wordt. Ook digitale ondersteuning is wat de KNOV betreft geen doel op zich. Digitale ondersteuning kan een prettige aanvulling zijn, maar het is niet geschikt als vervanging van reguliere kraamzorg. De beroepsorganisatie ziet dat fysieke aanwezigheid van een vertrouwd gezicht echt kan ondersteunen bij de start van het ouderschap en gezondheidsbevorderend werkt. Dat is anders dan wanneer je iemand online even spreekt of een filmpje bekijkt.

'Fysieke aanwezigheid van een vertrouwd gezicht kan echt ondersteunen bij de start van het ouderschap'

De KLIM-pilot

Eén van de concrete stappen die de afgelopen tijd zijn gezet is betrokkenheid bij de KLIM-pilot. KLIM staat voor Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek en het is een nieuwe werkwijze die ervoor moet zorgen dat kraamzorg beter kan worden afgestemd op de individuele behoeften van gezinnen. Daarbij kunnen zorgdoelen en zorgzwaartepakketten helpen, zo luidt de gedachte. Er zijn een paar belangrijke verschillen met de huidige werkwijze, het Landelijk Indicatieprotocol Kraamzorg (LIP). Nu wordt nog gewerkt met een standaard van uren waaraan extra uren worden toegevoegd op basis van specifieke indicaties. In de KLIM-pilot wordt gewerkt met zorgzwaartepakketten. Op basis van een brede intake kijken de kraamzorgorganisaties naar de situatie van het gezin: niet alleen naar medische risico’s, maar ook naar beschermende factoren en omstandigheden. Zij doen een voorstel voor een zorgzwaartepakket en de verloskundige geeft hiervoor goedkeuring. Het tweede belangrijke verschil is het zogenoemde klaar-is-klaar-principe. De kraamzorg duurt minimaal tot en met de zevende dag postpartum. Daarna kan, als de zorgdoelen zijn bereikt, in overleg tussen verloskundige, kraamverzorgende en cliënt worden besloten de zorg eerder af te ronden. Het in het zorgzwaartepakket vastgestelde aantal maximumuren hoeft dus niet te worden opgemaakt. Het uitgangspunt is: wat heeft dit gezin nodig? Deze nieuwe methodiek zou in fases landelijk worden geïmplementeerd, maar de KNOV vindt het belangrijk dat eerst goed onderzocht wordt hoe de KLIM in de praktijk uitpakt. Daarom is er nu eerst een pilot. Deze is in april 2026 van start gegaan bij zeven kraamzorgorganisaties verspreid over het land. Als je dit artikel leest en je werkt samen met een van die organisaties, heb je er misschien al mee te maken gehad. Werk je niet met deze organisaties samen, dan verandert er voor jou nu nog niets. De pilot loopt tot eind 2026. Uiteraard worden in de evaluatie de ervaringen van zowel de kraamzorgmedewerkers als verloskundigen en cliënten meegenomen.

Drie andere projecten

De KLIM-pilot is een waardevolle eerste stap naar toekomstbestendige kraamzorg, maar er zijn meer oplossingsrichtingen. Zo lopen er nog drie projecten waarbij de KNOV ook aan tafel zit. Een daarvan is functiedifferentiatie. In dit project wordt onderzocht of er meerdere profielen voor de kraamzorg mogelijk zijn. De gedachte daarachter is dat de sector daarmee voor bepaalde groepen weer interessanter kan worden. Nu stoppen kraamverzorgenden soms met werken omdat ze door persoonlijke omstandigheden minder willen werken of geen wachtdiensten meer willen draaien. In het project digitale zorg wordt gekeken naar wat wel en niet passend is. De KNOV zet er hierbij op in dat digitale ondersteuning de fysieke zorg niet mag vervangen. Maar een instructiefilmpje of een kort beeldbelmoment kan mogelijk wel werken als aanvulling op die fysieke zorg. Om de ondergrens en kwaliteit van kraamzorg te borgen, is het wenselijk dat er landelijke kaders voor digitale ondersteuning komen. Het derde project onderzoekt hoe regionale partuspools het beste ingericht kunnen worden. Het idee is dat het aantal wachtdiensten per medewerker door zo’n pool daalt en dat er een hogere kans is om opgeroepen te worden als een kraamverzorgende wachtdienst heeft. In vier regio’s start hiervoor een pilot.

Elkaar versterken

Door actief betrokken te zijn bij bovenstaande projecten zet de KNOV zich er op landelijk niveau voor in dat de samenwerking tussen kraamzorg en verloskunde zo goed mogelijk verloopt. De vereniging hoopt dat dat in de regio ook lukt! Want verloskundigen en kraamverzorgenden hebben elkaar nodig en kunnen elkaar versterken. Samen staan ze voor de beste zorg voor kraamvrouwen en hun gezin, daarnaast wordt hiermee het werkplezier vergroot.

Signalen

Heb je vragen, loop je tegen knelpunten aan in je praktijk, of wil je ervaringen delen? Dan hoort de KNOV dat graag via de helpdesk. Want jullie signalen helpen om ook landelijk de juiste gesprekken te blijven voeren. Onderhoud ondertussen ook goed contact met het Kraamzorg Samenwerkingsverband in jouw regio, al dan niet via je coöperatie, kring of VSV. Ook is het advies om gewoon het benodigde aantal uren te blijven indiceren, zelfs als je weet dat de capaciteit beperkt is. Alleen zo kan echt inzichtelijk gemaakt worden hoe groot het probleem is.


Geen handen erbij, dus organiseren verloskundigen het anders

Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaten

Als er binnen jouw werkveld iets verandert, heb je verschillende keuzes. Bijvoorbeeld samen met anderen een plan uitwerken en je krachten bundelen. Verloskundigen Claudia Brouwers en Iris Lensveld vertellen hoe zij omgingen met de hoge werkdruk en de sluiting van de acute geboortezorg in een ziekenhuis – en wat hun nieuwe werkwijze heeft opgeleverd. 

Fusiepraktijk Leeve Verloskunde

In Zuid-Limburg werd de druk op verloskundigen steeds duidelijker merkbaar. De administratieve lasten zijn flink toegenomen, de balans tussen werk en privé verre van optimaal en het vinden van nieuwe verloskundigen werd moeilijker. ‘We fungeerden als losse eilandjes, waardoor het lastig was om een sterke regionale ketenpartner te zijn’, vertelt Claudia Brouwers. ‘Gestimuleerd door medecursisten van het leiderschapstraject, dat ik volgde via de KNOV, kwam ik in het najaar van 2024 in gesprek met de praktijkhouders van vierentwintig verloskundigenpraktijken uit de regio. We bespraken hoe we ons vak ervoeren en hoe we de toekomst zagen. Hieruit bleek dat een deel openstond voor samenwerking en een kleinere groep echt vond dat het roer om moest, anders zouden ze het niet redden. Sommigen stonden – vanwege de combinatie van de hoge werkdruk en de stress van hun eigen, jonge gezinnen – op het punt de handdoek in de ring te gooien. Er moest echt iets veranderen.’

Schone lei

Negen praktijken wilden hun krachten bundelen en werkten – met hulp van ervaringsdeskundigen – in ongeveer een jaar toe naar een gezamenlijke structuur, waarbij één praktijk onderweg uitstapte. ‘Dat was een pittige tijd’, zegt Claudia. ‘We hadden verschillende achtergronden en er was in het verleden ook wel sprake van concurrentie en wat negativiteit ten opzichte van elkaar. Om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen, zijn we begonnen met de ‘zachte kant’ van de nieuwe samenwerking: het sociale fundament. Tijdens gezamenlijke sessies hebben we gewerkt aan onderling vertrouwen en een gezamenlijke visie en missie. Pas daarna zijn we aan de slag gegaan met de meer inhoudelijke en financiële vraagstukken, zoals de organisatievorm en het maatschapscontract. Dat was een goede zet. Achteraf gezien zijn we soms misschien wel erg snel gegaan. Maar de trein was in volle vaart en stoppen was eigenlijk al geen optie meer. Bovendien denk ik: als we meer tijd hadden genomen, waren we misschien blijven hangen in twijfels. Alles is nu gewoon goed geregeld.’

'Bundel je krachten als eerste lijn – samen kun je echt impact maken'

Claudia Brouwers.

Regioteams

In het voorjaar van 2025 werd een maatschapscontract opgesteld en werden de puntjes op de i gezet. Inmiddels is de verloskundigenpraktijk actief onder de naam Leeve. ‘Dat betekent ‘liefje’ in het Limburgs, maar verwijst ook naar ‘leven’’, legt Claudia uit. ‘Het draait om alles wat ons lief is: onszelf én onze zwangere cliënten.’ Leeve werkt als één organisatie, verdeeld over drie regioteams. Het werkgebied strekt zich uit van Vaals tot Gulpen, Simpelveld, Heerlen, Nuth en Geleen. Hier delen de teams cliënten in op basis van hun postcode, zodat de zorg dicht bij huis blijft. Binnen elk team werken vaste verloskundigen die samen spreekuren en diensten organiseren. Daarnaast is er een centrale hoofdlocatie in Heerlen, waar ook assistentes werken en waar we vergaderen en elkaar ontmoeten. De organisatie is ingericht volgens sociocratische principes, met een ledenraad waarin vertegenwoordigers van de teams besluiten nemen. Werkgroepen houden zich bezig met thema’s als financiën en communicatie. ‘Dat is voor ons allemaal even wennen’, zegt Claudia. ‘Je moet leren vertrouwen op mandaat en elkaar daarin ruimte geven.’

Meer rust

Eén van de belangrijkste veranderingen is de introductie van een triagedienst overdag. Claudia: ‘De assistentes nemen de telefoontjes aan en maken afspraken. Een verloskundige beantwoordt alle medische vragen. Dit betekent dat de andere verloskundigen tijdens een bevalling echt hun aandacht bij de cliënt kunnen houden. Dat geeft rust.’ Ook het onderlinge contact is intensiever geworden. ‘We zien elkaar vaker, bijvoorbeeld op de hoofdlocatie. We lunchen soms samen en bespreken cases. Dat verlaagt bovendien de drempel om elkaar om hulp te vragen. Dat was vroeger echt anders. We staan er niet alleen voor en zijn er voor elkaar. Als het bij de ene verloskundige rustig is, kan die makkelijker bijspringen bij een collega. Dat helpt enorm bij het opvangen van drukte en uitval. De meeste cliënten vinden de nieuwe werkwijze prima. Soms vraagt een cliënt om een specifieke verloskundige, die haar heeft bijgestaan tijdens een vorige zwangerschap. Dan kijken we wat mogelijk is. Maar voor de meesten is bereikbaarheid en nabijheid het belangrijkst.’

Moeilijke gesprekken

Claudia is er trots op dat het allemaal gelukt is. ‘We hebben het toch maar mooi samen gedaan in zo’n korte tijd. We dachten vooraf dat we ver uit elkaar stonden, maar dat viel eigenlijk reuze mee.’ Heeft ze nog tips voor andere praktijken die vergelijkbare stappen overwegen? ‘Begin met het sociale stuk. Neem de tijd om elkaar te leren kennen en durf ook moeilijke gesprekken te voeren. Oude koeien uit de sloot halen helpt om met een schone lei te beginnen. Ook is het goed om bewust momenten in te bouwen om stil te staan bij het proces. Plan go/no-go-momenten in en blijf elkaar informeren. En vergeet niet om successen te vieren: alles wat je aandacht geeft, groeit. Deze manier van werken helpt ons om het vak leuk en houdbaar te houden.’

De eerste verloskundigenpost van Nederland

Toen in 2022 de acute geboortezorg van het Franciscus Vlietland ziekenhuis in Schiedam sloot, had dat grote gevolgen voor zowel zwangeren als verloskundigen in de regio. Iris Lensveld van Verve (het Verbond Rijnmondse Verloskundigen) legt uit: ‘Voor onze regio betekende het dat een vertrouwd ziekenhuis verdween en dat zwangeren ineens verder moesten reizen. We werken in een dichtbevolkt gebied met relatief veel zwangeren in kwetsbare omstandigheden. Niet iedereen heeft eigen vervoer of kan makkelijk met het openbaar vervoer reizen. Een extra afstand naar het ziekenhuis is dan echt een drempel.’ Ook voor verloskundigen veranderde er veel. ‘Door capaciteitsproblemen is een plek in het dichtstbijzijnde ziekenhuis geen garantie. Dat geeft onrust en beïnvloedt het werkplezier. We leggen meer druk op elkaar en hebben vaker een achterwacht nodig.’ Samen met de raad van bestuur van het Franciscus Gasthuis en Vlietland, gynaecologen, kinderartsen, regionale verloskundigenorganisaties en zorgverzekeraars keken Iris en haar collega’s naar het grotere geheel. ‘We zagen dat de geboortezorg in de loop der jaren steeds verder gemedicaliseerd is. Daardoor kwam er meer druk op de tweede lijn, terwijl niet alle zorg daar per se thuishoort. We zijn gaan kijken welke zorg anders te organiseren is. Op basis hiervan kreeg ik het idee voor de verloskundigenpost.’

Van idee naar praktijk

‘We hebben gekeken naar urgente zorgvragen in de eerstelijnsverloskunde . Deze komen vaak ad hoc bij de dienstdoende verloskundige terecht’, gaat Iris verder. ‘Als je die zorgvragen bundelt en centraliseert, kun je veel efficiënter werken.’ In april 2023 opende de eerste verloskundigenpost in Schiedam, opgezet door verloskundigenpraktijken van Coöperatie Verve en Stichting Geboorteketen. Inmiddels is er ook een tweede locatie in Rotterdam. De post is bedoeld voor urgente zorgvragen in de verloskunde, vergelijkbaar met een huisartsenpost. ‘We doen hier geen bevallingen, maar diagnostische onderzoeken en zien bijvoorbeeld zwangeren met minder kindsbewegingen, hoge bloeddruk, buikpijn, bloedverlies en ongerustheid.’

'De urgentie zorgde ervoor dat er echt iets moest veranderen'

Iris Lensveld.

Minder verwijzingen

De werkwijze is praktisch en laagdrempelig: een zwangere belt haar eigen verloskundige. De verloskundige triageert de zorgvraag volgens de Nederlandse Triagewijzer Verloskunde. Hieruit volgt een advies met een urgentiecode en tijdsindicatie. Als beoordeling nodig is, kan de zwangere dezelfde dag bij de verloskundigenpost terecht voor bijvoorbeeld een CTG of echo. Iris: ‘In ongeveer 80 procent van de gevallen is geen sprake van pathologie en kan iemand gerustgesteld naar huis. Dat is winst: minder onnodige verwijzingen en meer vertrouwen bij de zwangere.’ De samenwerking met de tweede lijn blijft hierbij belangrijk. ‘We werken in een eerstelijnsmodule van het bronsysteem van het ziekenhuis, zodat alle informatie direct beschikbaar is voor bijvoorbeeld de gynaecoloog. Die hoeft de diagnostiek dus niet opnieuw te doen. Als een cliënt toch verwezen moet worden naar de tweede lijn, dan is dit snel geregeld en goed onderbouwd.’

Uitdagingen

Elke praktijk heeft haar kwaliteiten ingezet om samen de post te kunnen opstarten. Dat intensieve samenwerken bracht volgens Iris ook uitdagingen met zich mee. ‘Elke praktijk heeft een eigen werkwijze en visie. De één verwijst sneller door dan de ander. In het begin moet je elkaar daarin leren kennen en accepteren. Maar juist die verschillen maken ons samen sterker. Ook het onderlinge contact is intensiever geworden. We weten elkaar sneller te vinden voor overleg en ondersteuning. Zeker voor jongere collega’s is dat waardevol.’

Impact

Hoewel de werkdruk niet is afgenomen, is het werk wel anders geworden. ‘Onze diensten zijn nog steeds druk, maar minder onrustig’, geeft Iris aan. ‘Je hebt een collega waar je op terug kunt vallen. Ook voor cliënten heeft het duidelijke voordelen: ze kunnen dicht bij huis terecht en krijgen snel duidelijkheid. Dat waarderen ze enorm.’

Iris kijkt met trots terug op wat er dankzij deze samenwerking is bereikt. ‘We hebben laten zien dat je met meer diagnostiek in de eerste lijn de zorg anders kunt organiseren, met minder doorverwijzingen en minder medicalisering. Dat biedt kansen voor de toekomst van ons vak. En we zijn er nog niet: de Verloskundigenpost blijft zich ontwikkelen.’ Iris’ tip voor andere regio’s: ‘Versterk elkaar in plaats van meer te versnipperen. En vraag ons vooral om advies. Bundel je krachten als eerste lijn: samen kun je echt impact maken en zorgen dat we als verloskundigen duurzamer inzetbaar zijn.’


Geboren tijdens een volle agenda

Tekst: Wendy Verkerk, 2026-2

 

Wendy Verkerk is in april 2026 afgestudeerd als verloskundige en werkt nu in de eerste lijn.

Het was een van de laatste weken van mijn stage toen ik een tikkeltje ongeduldig in de spreekkamer zat te wachten op de volgende cliënt. Nog drie afspraken en dan zat mijn dag erop. Mijn concentratie zakte al wat weg en in gedachten was ik al bij de avond. Maar toen ze na bijna een half uur pas binnenkwam, voelde ik irritatie opkomen. ‘I’m so sorry, I am late’, zei ze gehaast. ‘Doesn’t matter’, antwoordde ik automatisch, al dacht ik daar stiekem anders over.

Ze was een jonge vrouw van midden twintig en 31 weken zwanger. Door een verhuizing was ze net bij onze praktijk terechtgekomen. Achter haar glimlach zat duidelijk een verhaal. Ze was gevlucht uit Oekraïne en woonde nu in een gedeeld huis. Nieuwe stad, nieuw land, nieuwe taal en in verwachting van haar eerste kind. Ondanks de taalbarrière verliep de controle soepel. Met eenvoudig Engels, gebaren en af en toe een glimlach kwamen we een heel eind.

Aan het einde stelde ik mijn standaardvraag: ‘Is everything already arranged? Kraamzorg, baby things, the maternity package?’ Ze keek me vragend aan. ‘What do you mean with kraamzorg?’ Even viel ik stil. Terwijl ik uitlegde wat kraamzorg inhoudt, voelde ik lichte paniek opkomen. Met 31 weken zwangerschap zou dat allang geregeld moeten zijn. Maar al snel werd duidelijk dat ze niets had geregeld. Geen kraamzorg, geen babyspullen, geen kraampakket. Ons zorgsysteem was haar volledig onbekend. Met een knagend gevoel bleef ik achter.

De volgende dag besloot ik te gaan bellen. Het voelde niet goed om het zo te laten. Het eerste kraamzorgbureau zat vol. Het tweede had geen plek. Bij het derde kon ik morgen terugbellen. Na tien telefoontjes was de uitkomst duidelijk: er was nergens ruimte op zo’n korte termijn. Uiteindelijk heb ik haar moeten aanmelden voor de wachtlijst via de verzekering.

Ze bleef in mijn hoofd hangen. Niet vanwege medische zorgen, maar vanwege alles wat er achter dat korte consult schuilging. Voor mij was het een routine-afspraak aan het einde van de dag. Voor haar waarschijnlijk weer een moment van onzekerheid in een onbekend systeem. Op zulke momenten besef ik hoe relatief onze dagelijkse routine is. Goede zorg zit niet alleen in controles en protocollen, maar juist in het zien van de persoon tegenover je en het verhaal dat diegene met zich meebrengt.

 


Afscheid van Marianne Nieuwenhuijze: onderzoekspionier in fysiologische verloskunde

Tekst: Sara de Waal | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat

Marianne Nieuwenhuijze neemt afscheid als hoogleraar en lector Midwifery/Fysiologische Verloskunde. Als een van de eerste onderzoekers op het gebied van verloskunde in Nederland heeft ze in bijna vijftig jaar veel zien veranderen. Met dit interview blikt ze terug op haar loopbaan.

Als je terugkijkt op een loopbaan van jaren, zijn er ongetwijfeld momenten die eruit springen. Momenten om trots op te zijn. Voor Marianne is het opzetten van het onderzoeksdomein voor fysiologische verloskunde in Maastricht er daar één van. In 2007 legde zij daarvoor de basis, in een tijd waarin dit onderzoeksveld nog in de kinderschoenen stond. Tegelijk zocht ze actief de verbinding met andere midwifery-onderzoeksgroepen, in Nederland en daarbuiten. ‘Om dat te kunnen doen, ben ik veel naar het buitenland gegaan. Er werd al onderzoek gedaan in Groot-Brittannië. Daar heb ik met allerlei onderzoekers gesproken, zoals Jane Sandall. Hen vroeg ik: hoe hebben jullie dit opgezet? Hoe hebben jullie dit uitgebouwd? Met welke thema’s zijn jullie bezig? Later is daar de verbinding met Canada en de Verenigde Staten bijgekomen. Zo kon ik een goed beeld vormen van wat onderzoek naar fysiologische verloskunde precies inhoudt: hoe kun je in onderzoek minder medisch naar verloskunde kijken?’

In Nederland ontstond op dit vlak al vrij vroeg een samenwerking met de verschillende instituten die hierbij betrokken waren, zoals de andere opleidingen Verloskunde. We hadden ook het geluk dat er in die tijd brede erkenning voor de fysiologische kijk op geboortezorg ontstond. Daardoor kwam er geld beschikbaar om het onderzoek te laten groeien.’ Die basis is nog altijd zichtbaar. ‘Het onderzoeksdomein is nu nog altijd springlevend. Met grote én kleine projecten bereiken we samen veel, vooral als het gaat om het ontwikkelen van inzichten. Niet alleen medisch, maar ook sociaal: wat betekent zwangerschap? Op die manier geven we verloskunde op een holistische manier vorm.’

'Wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel mensen om je heen'

Marianne Nieuwenhuijze.
Wat bijblijft

Aan alle jaren die Marianne als verloskundige actief is geweest, heeft ze veel herinneringen. ‘Enerzijds aan bijzondere bevallingen. Soms moeilijke en soms hele mooie’, vertelt ze. ‘Ik denk nu aan een bevalling die ik heb begeleid, waarbij een moeder in bad wilde bevallen van haar vierde kind. Ze wilde dit met de vader en de twee oudste kinderen erbij. Dat ging goed. Er was een warme sfeer. Toen de moeder uit bad wilde, deed vader zijn shirt uit om de baby warm tegen zich aan te houden. Het oudste zoontje deed direct ook zijn shirt uit, ‘voor de baby’. Dat is een voorbeeld van hoe mooi en bijzonder thuis bevallen kan zijn, waar het kind in het gezin ontvangen wordt.’ Als Marianne terugkijkt op haar loopbaan denkt ze daarnaast ook aan de veranderingen door de jaren heen. ‘Vooral hoe anders we tegen het zorgproces zijn gaan aankijken. Steeds meer administratie, wat tijd wegneemt van de cliëntenzorg. Maar ook steeds meer technologie. Er is altijd een spanningsveld als je gezondheid wilt stimuleren, want preventie is steeds meer gekoppeld aan technologie en testen. Daardoor beweegt de mindset echter weg van de fysiologie. Het blijft zoeken naar balans. Het is denk ik goed om enerzijds alert te zijn: wat speelt er? Maar om ook een stuk vertrouwen te houden in jezelf en in de fysiologie, het natuurlijke proces van zwangerschap en geboorte. Dus niet alleen op technologie leunen, want dat doet iets met de relatie met je kind.’

Stem van de cliënt

Marianne ziet ook positieve ontwikkelingen: ‘De afgelopen twintig jaar heeft de samenspraak met de cliënt zich veel meer ontwikkeld. Toen ik in 2014 op dit onderwerp promoveerde, was het nog onzeker of dit wel een plaats in de geboortezorg zou krijgen. Ik denk dat dit onderzoek heeft bijgedragen aan het draagvlak hiervoor, daar ben ik blij om. Want samenspraak kan af en toe ingewikkeld zijn, maar die complexiteit is het waard om te onderzoeken. De basis van de fysiologische verloskunde is eigenlijk: hoe kunnen we het gezonde behouden en wat kunnen verloskundigen doen om dingen zo gezond en normaal mogelijk te houden? Daar hoort het meenemen van de stem van de cliënt bij. Ouders zijn immers primair verantwoordelijk. Wij kunnen die verantwoordelijkheid als zorgverleners niet overnemen. De ouders zijn met het kind een eenheid, die wil je de kans geven om samen te groeien en verder te komen. Er zijn altijd wel situaties waarin spanning is, maar laten we die als uitzondering beschouwen.’ Marianne denkt dat er op het gebied van samenspraak en eigen regie nog wel stappen zijn te maken. ‘Ik denk dat we ons als verloskundigen comfortabeler kunnen leren voelen in uitdagende situaties. Dat je als zorgverlener ermee leert leven dat niet alles gaat zoals je wil, en dat jij ook niet voor alles verantwoordelijk bent. Wél valt er te leren om beter met elkaar in gesprek te gaan, ook met mensen die bijvoorbeeld minder gezondheidsvaardig zijn of schulden hebben, maar net zo goed regie in hun zorgtraject willen hebben. Ook als het gaat om het geven van informatie over gezond leven kunnen we leren om beter aan te sluiten bij verschillende groepen zwangeren. Als je weet wat er voor hen speelt, kun je betere handreikingen geven.’

Samen sterk

Een van de grootste uitdagingen voor verloskundigen de komende jaren is het gezamenlijk vormgeven van de beroepsgroep, denkt Marianne. Ze legt uit: ‘Als we ons als verloskundigen meer verenigen, hebben we een duidelijkere stem en meer invloed. Dan worden we door de buitenwereld als één stem herkend. Maar het blijft uitdagend, met zo veel verschillende praktijken. Soms denk ik dat we met een aantal praktijken afspraken hebben gemaakt, maar dan blijkt er toch nog een extra praktijk te zijn die het weer anders doet. Maar ik zie de hoeveelheid samenwerkingen wel steeds meer toenemen, er worden coöperaties gevormd. Niet alleen als VSV’s, maar ook met verloskundigen. Dit kan bovendien helpen om verloskundigen duurzamer in het vak te houden, doordat je het gevoel krijgt er niet
alleen voor te staan. Dat is een belangrijke factor als het gaat om capaciteitsproblematiek. Bovendien kun je op die manier sterker neerzetten: wat is er nodig voor goede zorg? Dan hoeft niet elke praktijk individueel oplossingen te zoeken. Samen kunnen we veel meer!’

'Blijf altijd kijken naar het individu'

Sociaal perspectief

Marianne denkt dat het voor onderzoekers met name een uitdaging is om een groter, breder beeld te krijgen in verloskundig onderzoek. ‘Vroeggeboorte is bijvoorbeeld een lastig probleem waar we maar moeizaam grip op krijgen. Ik denk dat we soms te technisch en te veel op detail de diepte ingaan, terwijl we dit soort dingen ook meer vanuit een sociaal perspectief kunnen bekijken. Dat we vaker kunnen nadenken over welke effectieve interventies er te vinden zijn vanuit sociaal oogpunt. Dan kijk je bijvoorbeeld ook naar hoe mensen leven en hoe ze worden ondersteund. Ook als het gaat om mentale gezondheid zie ik te vaak dat dit als een individueel psychisch probleem wordt gezien, terwijl daar ook een sociale component zit. We spreken het individu aan, maar hebben ook als maatschappij iets te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het combineren van zorg en werk: daarin staan vrouwen te vaak alleen. Het zou erg helpen als vrouwen meer ruimte en steun krijgen om zwanger te zijn en voor hun kind te zorgen.’

Tips

Als ze jonge verloskundigen één advies zou mogen geven, zou het zijn: ‘Zorg dat je een netwerk om je heen krijgt van mensen die je kunnen ondersteunen. Zoek ook een klankbord om dingen te bespreken die je moeilijk vindt.’ Dat is dus ook haar oproep aan zittende verloskundigen: ondersteun startende verloskundigen, want dat is nodig. ‘De wereld is zo veel ingewikkelder dan toen ik begon. Ook op gebied van wat er van je verwacht wordt qua relatie met cliënten, afspraken, richtlijnen, enzovoorts. Ze kunnen steun gebruiken om de eerste jaren ervaring op te bouwen. Tegen jonge onderzoekers zou ik zeggen: wees nieuwsgierig, durf vragen te stellen en verzamel dan mensen om je heen met wie je die vragen samen kunt verkennen. Zoek aansluiting bij de onderzoeksgroepen die er zijn. Een master doe je ook om een bredere blik te krijgen, dat is heel waardevol als het gaat om je persoonlijke ontwikkeling.’

Beroepsidentiteit en richtlijnen

Marianne was niet alleen hoogleraar en verloskundige, maar heeft ook veel gedaan voor de KNOV en de profilering van de verloskunde. Zo was ze lid van onder andere de landelijke richtlijncommissie Verloskundige Indicatielijst, de Expertgroep Beroepsidentiteit en de Commissie Standaarden (die het bestuur adviseert over richtlijnen). Dat deed ze enerzijds uit nieuwsgierigheid en anderzijds om de beroepsgroep te versterken. ‘Het is altijd verrijkend om met elkaar een onderwerp te onderzoeken, het brengt nieuwe inzichten. Beroepsidentiteit is bovendien de basis om verloskundigen te binden en het maakt ons sterker als we goed weten wie we zijn, ook naar buiten. De commissie voor richtlijnen is een oude liefde, daar ben ik rond 2000 mee gestart. Het is heel waardevol om te weten wat er vanuit onderzoek wel en niet bekend is en om dat te gebruiken om de zorg af te stemmen op de vrouw en haar behoefte en keuzes. Tegelijkertijd is het ook goed om te weten wat nog niet of weinig bewezen is. Bijvoorbeeld zoals bij het inleiden met 41 weken. We weten dat het voor een eerste kind een optie kan zijn, maar voor een tweede kind eigenlijk geen meerwaarde heeft. Bij het eerste kind kan het iets betere uitkomsten geven, maar de vraag is dan: hoeveel beter? Blijf altijd kijken naar het individu: wie is de vrouw en wat brengt zij mee? Het gaat dus om een balans. Je wilt nadenken over wat de evidence zegt en wat richting geeft, maar weeg ook andere factoren mee. Elk geval is uniek.’

Emeritaat

Hoewel Marianne afscheid neemt als hoogleraar en met emeritaat gaat, blijft ze een dag in de week promovendi begeleiden en onderzoeksprojecten helpen ontwikkelen. ‘Verder ben ik van plan om te publiceren over de geschiedenis van de verloskunde, daarin ben ik erg geïnteresseerd. Ook wil ik mijn vroedvrouwvaardigheden inzetten bij mijn kleinkinderen en ze ondersteunen door middel van watchful attendance. Daarnaast wil ik weer gaan reizen. Wat ik ga missen is het sparren met studenten; promovendi zijn vaak wat ouder. Het blijft altijd leuk om te horen wat jonge mensen bezighoudt en hoe zij in de maatschappij staan.’

Liever van Marianne zelf haar inzichten horen uit haar rijke carrière? Kom 26 juni naar de ALV-middag in Utrecht of beluister aflevering 3 van KNOV - de podcast!

Schrijf je in voor de ALV.

Beluister de podcast.


Gegevensuitwisseling via Blinkz: 'juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert'

Tekst: Hedy Jak | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat

Geboortezorgprofessionals die elkaars dossiers kunnen inzien: het klinkt logisch en levert direct winst op. Minder dubbel werk, meer tijd voor de cliënt. Eerstelijnsverloskundige Martine Kokkelmans uit Geleen (Limburg) werkt met Blinkz (voorheen Babyconnect) en is voortrekker binnen haar VSV.  Zij vertelt wat digitaal samenwerken haar in de praktijk oplevert, hoe het de kwaliteit van zorg versterkt en waarom het juist nu helpt bij het omgaan met de groeiende capaciteitsdruk in de verloskunde.

Martine Kokkelmans werkt al ruim twintig jaar als verloskundige en is mede-eigenaar van verloskundigenpraktijk Verloskundigen Geleen. Sinds begin dit jaar vervult zij de rol van coördinator binnen een fusiepraktijk, waarin acht praktijken zijn samengegaan tot één organisatie met drie teams. Daarnaast is zij bestuurder van de Verloskundige Coöperatie Zuid-Limburg en was zij de afgelopen jaren als projectleider zorg nauw betrokken bij de implementatie van Babyconnect in Limburg.

Je bent binnen je VSV voortrekker op het gebied van gegevensuitwisseling. Hoe ben je betrokken geraakt bij Blinkz?
‘Al meer dan tien jaar ben ik betrokken bij onze VSV-werkgroep vanuit de wens om gegevens tussen zorgverleners rondom moeder en kind op één plek te kunnen inzien en delen. Het subsidieproject van VIPP Babyconnect kwam op ons pad. Dat was de kans om gegevensuitwisseling niet alleen lokaal, maar landelijk te organiseren. Want als je echt vooruitgang wilt boeken, moet je verder kijken dan je eigen regio. We wilden immers ook eenvoudig gegevens kunnen uitwisselen met bijvoorbeeld Amsterdam, en niet alleen met de zorgverleners in onze directe omgeving. De voorwaarden van de subsidie speelden daarin een belangrijke rol. Daarvoor hebben we de samenwerking opgezocht met andere VSV’s en het initiatief direct provinciebreed opgepakt. Dit leidde tot de oprichting van een projectgroep en een gezamenlijke subsidieaanvraag namens heel Limburg. Hierdoor kunnen we, in heel Nederland, laten zien wat er mogelijk is door betere informatievoorziening en gegevensuitwisseling.’

Wat motiveerde jou om daarin een actieve rol te pakken?
‘Als bèta-georiënteerde verloskundige – ik studeerde eerst Bouwkunde – ben ik misschien een beetje atypisch. Ik ben niet vies van cijfers en techniek. Mijn motivatie haalde ik uit een stukje frustratie dat ik in mijn dagelijks werk ervoer op het gebied van gegevensuitwisseling. Alle gegevens zijn al ergens, we moeten alleen gigantisch veel moeite doen om die op tafel te krijgen. Dat kon efficiënter, vond ik. De tijd die we kwijt zijn met het zoeken naar gegevens, zou in de zorg voor onze patiënten moeten zitten. Mijn drive om dit te doen is om collega’s meer tijd in de zorg te gunnen.’

Kun je schetsen hoe het delen van dossiers via de viewer er in de praktijk uitziet?
‘Voordat zorgverleners de viewer (zie kader Wat is Blinkz?) goed kunnen gebruiken, is het nodig om de toestemming aan te hebben staan en moet de toegang geregeld zijn. Als dat goed staat, kun je de documenten zien die alle geboortezorgpartners in onze regio publiceren. Dat kan een ontslagbrief uit het ziekenhuis zijn, een partusverslag of bijvoorbeeld de uitkomst van een consult. Dergelijke documenten staat in een overzicht bij elkaar.’

Kun je een voorbeeld noemen van dubbel werk dat voorkomen wordt omdat je elkaars dossiers kunt inzien?
‘Als ik voorheen een visite op de kraamafdeling van een ziekenhuis ging doen, dan moest ik langs de post aan de verpleegkundige vragen hoe het met een cliënt ging. Door gebruik te maken van Blinkz kan ik voordat ik naar het ziekenhuis vertrek, in de viewer al even lezen wat de verpleegkundige die dag heeft opgeschreven over die opname. Daardoor kan ik meteen naar mijn cliënt toe gaan. Wat we ook al doen, is de terugkoppeling van consulten teruglezen in de viewer. Bij het voorbereiden van mijn spreekuur kan ik dan zien wat er vorige week is uitgekomen toen een cliënt bij de gynaecoloog was.’

Merk je ook verschil in de samenwerking met andere zorgverleners binnen het VSV?
‘Zeker! Vroeger was het altijd een hele klus om dossiers van een eerdere zwangerschap op te vragen. We moesten de vorige zorgverlener bellen, en het gebeurde vaak dat de informatie via een beveiligde mail werd gestuurd, of soms zelfs onbeveiligd, omdat sommige collega’s niet precies wisten hoe ze het veilig moesten versturen. Nu is het een stuk eenvoudiger. Zodra onze cliënt toestemming geeft, zetten we de toegang in de viewer aan en kunnen we meteen de gegevens van eerdere zwangerschappen inzien. Het is binnen een minuut geregeld. Je belt, vraagt of ze de toegang even aanzetten, en zodra de cliënt toestemming heeft gegeven, is het al zichtbaar. Het zit gekoppeld aan haar digitale dossier, dus we hoeven die informatie niet zelf nog te verzamelen.’

In tijden van capaciteitsproblemen: levert deze manier van werken daadwerkelijk tijdwinst op?
‘Dat vind ik nog een lastige vraag om te beantwoorden omdat het een groeimodel is en iedereen aan het wennen is om ermee te werken. Op dit moment zijn we druk bezig om ervoor te zorgen dat iedereen de toestemming en toegang op de juiste manier aan heeft staan. Daar zit een stuk winst in. Dat zijn we aan het versnellen, zodat we dat allemaal op een vast moment vragen en doen. Volgend jaar zijn we verder en schat ik in dat ik dan volmondig ja kan zeggen.’

Helpt dit systeem ook om sneller te schakelen bij drukte of onverwachte situaties?
‘Het gemak is groot. Met een paar klikken heb je toegang tot de informatie en dat helpt zeker bij drukte of onverwachte situaties. De viewer biedt een handig en snel overzicht, zeker in situaties waarin je moet doorverwijzen. Voorheen moest ik eerst een volledige verwijzing via ZorgDomein aanmaken om alle gegevens in het ziekenhuis te krijgen. Als je het nu tijdens de zwangerschap goed inricht – en dat geldt ook voor het ziekenhuis – is de zwangerschapskaart bij een verwijzing automatisch beschikbaar. Dat scheelt echt tijd. Tegelijkertijd zijn we er nog niet. Het systeem is een goed startpunt, maar er liggen nog volop ontwikkelwensen, bijvoorbeeld op het gebied van functionaliteiten die technisch al mogelijk zijn, maar nog niet door de bronsystemen ondersteund kunnen worden. Dat maakt het soms lastig, want de praktijk vraagt om snelheid en volledigheid. Onderdelen zijn echt nog in ontwikkeling.’

'Het systeem levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk'

Martine Kokkelmans.

Is het de moeite waard om al met de viewer te gaan werken?
‘Ja, ik denk dat we er zeker al mee moeten gaan werken. Wat er nu staat, werkt goed en biedt al een mooi en bruikbaar overzicht van de beschikbare gegevens. Natuurlijk willen we er in de toekomst nog veel meer uithalen, maar dat is geen reden om te wachten tot alles volledig is doorontwikkeld. Mijn advies is: begin gewoon. Juist door ermee te werken, ontdek je wat het oplevert én wat er nog beter kan. Bovendien sluiten steeds meer partijen aan. Zo kunnen kraamcentra via hun bronsysteem Atermes al gegevens uitwisselen, waardoor we ook de bevindingen van kraamverzorgenden kunnen inzien. Het systeem is nog niet af, maar het is absoluut een waardevol begin, en het levert nu al duidelijke meerwaarde op in de praktijk.’

Wat zou je andere VSV’s adviseren die nog aan het begin staan van digitale gegevensuitwisseling via Blinkz?
‘Werk met elkaar samen en leer een routine aan. Als je er niet mee werkt, ervaar je ook niet wat je eraan kunt hebben. Als de drempel te hoog voelt omdat je blijft vasthouden aan bestaande processen die je al kent, dan kan het helpen om binnen de praktijk of binnen je regio een buddysysteem af te spreken. Dan doe je het samen, dat werkt vaak goed.’   

Vanaf 1 januari 2026 is digitale gegevensuitwisseling ondergebracht binnen het Duurzaam Informatiestelsel Geboortezorg (DIG). Hierin werken de KNOV, NVOG, BO Geboortezorg, BEN, NVK, de Federatie van VSV’s en Nictiz samen, met een prominente rol voor de eindgebruikers. Blinkz werkt in opdracht van de geboortezorgpartijen en beheert de inhoudelijke en technische doorontwikkeling van toekomstbestendige gegevensuitwisseling.

Achter de schermen bij de inspectie

Tekst: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), 2026-2
Beeld: Aangeleverd

Wanneer moet je als verloskundige een situatie melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Wat gebeurt er nadat er een melding bij de IGJ is binnengekomen? En wat doet de inspectie met signalen uit het veld? Voor veel verloskundigen blijft het werk van de inspectie abstract en op afstand. IGJ-inspecteur Lauri van den Berg geeft je een inkijkje in haar werk.

Verloskundigen zijn deskundigen in de geboortezorg, maar toch kan er in de praktijk iets misgaan. Daarom regelt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) dat verloskundigenpraktijken incidenten en calamiteiten moeten onderzoeken om ervan te leren en zo de zorg verder te verbeteren. Het toezicht van de IGJ is daarop een extra waarborg, zodat zwangeren en gezinnen kunnen rekenen op veilige en kwalitatief goede zorg. Tegelijk signaleert de inspectie knelpunten in de praktijk, zoals de lange reistijd naar het ziekenhuis door verkeersdrukte in stedelijke gebieden. Hoewel de IGJ zulke problemen niet zelf oplost, brengt zij deze wel onder de aandacht van ministeries en beleidsmakers.

Meldingen belangrijk voor de inspectie

‘Een deel van mijn werk bestaat uit het onderzoeken van meldingen’, vertelt Lauri. Jaarlijks ontvangt de inspectie zo’n 40 tot 50 meldingen over de eerstelijnsverloskundige zorg, waarvan een groot deel verplichte meldingen zijn (zie kader). Daarbij is het onderscheid in ernst belangrijk: een incident, waarbij (mogelijke) beperkte schade is ontstaan, moet wel intern onderzocht worden, maar hoeft niet gemeld te worden. Pas bij een ernstig schadelijk gevolg of overlijden is sprake van een calamiteit en geldt een meldplicht. Hierover bestaat in de praktijk nog vaak een misverstand, bijvoorbeeld dat elke perinatale sterfte gemeld moet worden. ‘Dat is niet zo,’ licht Lauri toe. ‘Alleen als er een relatie is met tekortkomingen in de zorg, is melden verplicht.’ Naast deze verplichte meldingen ontvangt de IGJ ook signalen van zorgverleners en zorggebruikers. ‘Die meldingen geven inzicht in wat er speelt in de dagelijkse praktijk en waar de grootste risico’s liggen voor de kwaliteit en veiligheid van de geboortezorg.’

Verantwoordelijkheid van praktijkhouder

Praktijkhouders zijn als zorgaanbieders volgens de Wkkgz verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg van de verloskundigenpraktijk. De IGJ verwacht dat zij de calamiteitenmeldingen doen. ‘We zien regelmatig dat zzp’ers dit zelfstandig oppakken, terwijl juist een gezamenlijke aanpak nodig is om verbetermaatregelen breed door te voeren binnen een praktijk.’ Lauri ziet dat dit ook waardevol is voor waarnemers, die soms net zijn afgestudeerd. ‘Zij hebben een ingrijpende gebeurtenis meegemaakt en horen nazorg te krijgen van hun collega’s. Samen melden en onderzoeken helpt hierbij.’ Tegelijkertijd blijft de drempel om te melden hoog: verplichte meldingen worden soms te laat of niet gedaan. Volgens Lauri speelt naast onwetendheid ook angst een rol. ‘Helaas heerst het beeld nog te veel dat wij straffen, terwijl onze focus ligt op leren en verbeteren na een calamiteit.’

'Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en wat verbetermaatregelen zijn'

Lauri van den Berg werkte tot 2022 als verloskundige, waarna zij de overstap maakte naar de inspectie. Naast haar werk bij de inspectie doet zij promotieonderzoek naar de kwaliteit van de geboortezorg.
Vertrouwen als vertrekpunt

Na een calamiteitenmelding vraagt de inspectie de zorgaanbieder om zelf onderzoek te doen, vanuit het uitgangspunt van vertrouwen in de professional. ‘Verloskundigen weten zelf het beste waar de oorzaken liggen en welke verbetermaatregelen voor hun praktijk en regio passend zijn’, vertelt Lauri. Omdat calamiteitenonderzoek geen dagelijks werk voor verloskundigen is, biedt de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten (scan hiervoor de code). Daarnaast wordt binnen de KNOV-academie gewerkt aan een microlearning over calamiteitenonderzoek.

De meeste calamiteiten spelen zich af in de hele geboortezorgketen, niet alleen binnen één praktijk. Daarom stimuleert de IGJ gezamenlijk onderzoek door ketenpartners. ‘We zien goede voorbeelden, zoals VSV’s die vooraf afspraken maken over hoe zij calamiteiten samen onderzoeken.’

De IGJ als externe toets

Na een calamiteitenonderzoek beoordeelt de inspectie of dit zorgvuldig uitgevoerd is en of de verbetermaatregelen passend zijn. Is dat het geval, dan wordt de melding afgesloten. ‘Wij kijken ook naar de nazorg en of het perspectief van de zwangere of het gezin is meegenomen.’ De inspectie heeft ook familie-inspecteurs die in specifieke situaties de familie begeleiden bij wat er is gebeurd nadat een verloskundigenpraktijk een melding bij de inspectie heeft gedaan. Anders dan vaak gedacht, ligt de nadruk van de inspectie niet op het nemen van maatregelen tegen een praktijk: uitgangspunt is dat verloskundigen leren en verbeteren. Alleen als dat onvoldoende gebeurt, of bij ernstige signalen zoals een alcoholverslaving van een verloskundige, grijpt de inspectie in.

Ook leren van wat goed gaat

Toezicht gaat niet alleen over verbeterpunten, maar juist ook over wat goed gaat. ‘Tijdens onze VSV-bezoeken zien we bijvoorbeeld dat gezamenlijke consulten tussen de zwangere en de eerste en tweede lijn goed werken bij zorgvragen buiten de richtlijn,’ vertelt Lauri. Dit past bij Safety-II: leren van wat goed gaat en die inzichten delen. Lauri sluit af: ‘We werken allemaal aan hetzelfde doel: veilige en goede geboortezorg. Door signalen te delen en samen te leren, kunnen we die zorg blijven verbeteren.

Klik hier voor de KNOV-handreiking Omgaan met calamiteiten.


Hoe houd je grip als er geen plek is in het ziekenhuis? Samen sterker bij opnamestops

Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaat

Het is een herkenbaar scenario voor eerstelijnsverloskundigen: het kost veel tijd om voor een cliënt een plek te vinden in het ziekenhuis. De tijd dringt en ondertussen lopen je andere zorgvragen door. Door opnamestops bij ziekenhuizen en centralisatie van zorg komen dit soort situaties steeds vaker voor – en als verloskundige trek je regelmatig aan het kortste eind. Het onderzoeksproject OPTIMISTIC biedt hier geen pasklare oplossing voor, maar wel handvatten om er beter mee te kunnen omgaan.

Tamar van Haaren-Ten Haken is sinds juni lector bij het lectoraat Midwifery Science bij de Academie Verloskunde Maastricht. In deze rol volgt zij Marianne Nieuwenhuijze op (lees meer op pagina 18). Ze is daarnaast betrokken bij het onderzoeksproject OPTIMISTIC (OPTIMIzing SusTaInable midwifery Care in line with professional identity). Ze legt uit dat dit onderzoek voortkomt uit een ontwikkeling die al langer speelt: structurele capaciteitsproblemen in de geboortezorg. ‘Door tijdelijke opnamestops, sluiting van verlosafdelingen en centralisatie van zorg kunnen zwangeren niet altijd in hun eigen regio bevallen. Het komt regelmatig voor dat baby’s onderweg naar het ziekenhuis worden geboren. Of dat zwangeren vanwege de vertraging of langere reistijd toch thuis bevallen – ondanks een medische indicatie. Dit heeft impact op de cliëntervaringen, de werktevredenheid van verloskundigen en op de veiligheid van zorg.’

Weinig invloed

Voor eerstelijnsverloskundigen betekent dit concreet: meer afstemming, meer reistijd en meer onzekerheid. Maar ook: stress en minder werkplezier doordat de zorg die ze leveren onder druk komt te staan. Tamar: ‘Als een ziekenhuis besluit om verloskamers te sluiten, voelt het voor eerstelijnsverloskundigen soms alsof zij het probleem moeten oplossen, terwijl ze daar weinig invloed op hebben. Die spanning is voelbaar in het werkveld. Verloskundigen geven aan dat het huidige systeem hun werkplezier aantast en dat ze zich afvragen hoe ze met deze situatie moeten omgaan. Mogelijke noodoplossingen waarover wordt gesproken, zijn triageposten of het oprichten van een geboortecentrum.’ 

Gezamenlijke aanpak

Het onderzoek richt zich bewust niet op het oplossen van het capaciteitsprobleem. ‘Dit ligt grotendeels buiten onze invloedssfeer’, geeft Tamar aan. ‘In plaats daarvan zoomen we met OPTIMISTIC in op een concreet en dagelijks terugkerend probleem: er is geen plek in het ziekenhuis. Wat kun je als eerstelijnsverloskundige doen op het moment dat je hiermee te maken krijgt? En kun je dan praktisch samenwerken met collega’s in de regio? Met dit onderzoek willen we van een reactieve manier van werken – steeds opnieuw oplossingen zoeken in acute situaties – toe naar een meer voorbereide en gezamenlijke aanpak.’

Impact zichtbaar maken

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het in kaart brengen van de impact van opnamestops. Want hoewel deze regelmatig in het nieuws komen, blijft de invloed op de eerstelijnsverloskunde vaak onderbelicht. Tamar: ‘We kijken niet alleen naar cijfers, maar ook naar ervaringen. Wat betekent het voor jou als professional? Wat doet het met je cliënt? We verzamelen casuïstiek en verhalen van verloskundigen om dat beeld compleet te maken. Hierbij maken we ook gebruik van grote databestanden zoals VeCaS, met gegevens over tienduizenden zwangerschappen. Zo krijgen we inzicht in zorgstromen, uitkomsten en verschillen tussen regio’s.’ Opvallend is dat de gevolgen verder reiken dan alleen logistiek ongemak. Denk aan vertraagde zorg, onrust bij zwangeren en situaties waarin afgesproken zorg – zoals pijnbestrijding of een plaatsindicatie – niet beschikbaar is. ‘Er wordt vaak gezegd dat de acute zorg geborgd is’, vertelt Tamar. ‘Maar goede zorg is meer dan alleen acute veiligheid. Ook de afgesproken zorg en de ervaring van de cliënt tellen mee.’

‘Eerstelijnsverloskundigen kunnen meer invloed uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren’

Tamar van Haaren-Ten Haken.
Beroepsidentiteit als kompas

Een tweede pijler van het onderzoek is de beroepsidentiteit van verloskundigen in relatie tot capaciteitsproblematiek. Wat vinden wij belangrijk in ons werk? En waar schuurt het wanneer systemen onder druk staan? OPTIMISTIC is gestart voordat de KNOV de Beroepsidentiteit van de Verloskundige ontwikkelde. Binnen het onderzoek wordt beroepsidentiteit (professional identity) in bredere zin gebruikt, als overkoepelend begrip. ‘Bij opnamestops zie je dat kernwaarden in het geding komen’, vertelt Tamar. ‘Bijvoorbeeld continuïteit van zorg of voldoende tijd kunnen besteden aan het begeleiden van je cliënt. Dat raakt direct aan hoe je je werk wilt doen. Daarom verkennen we binnen OPTIMISTIC, samen met verloskundigen, wat de gedeelde kernwaarden zijn. Niet alleen op papier, maar juist zoals verloskundigen die in de praktijk ervaren. Deze waarden vormen vervolgens de basis voor het verkennen van mogelijke samenwerkingsvormen in de regio. Want samenwerken kan helpen om het probleem van de opnamestops het hoofd te bieden – maar alleen als het past bij hoe verloskundigen hun vak willen uitoefenen.’

Regionaal organiseren

Waarom ligt de focus op regionaal niveau? Tamar: ‘Omdat daar veel van de problemen samenkomen. Vaak hebben meerdere praktijken te maken met één of twee ziekenhuizen. Elke praktijk ervaart dezelfde problemen, maar probeert ze individueel op te lossen. Er is mogelijk winst te behalen door als eerstelijnsverloskundigen regionaal samen te werken. Hierbij kun je denken aan gezamenlijke achterwachtsystemen, een slimmere verdeling van zorg of het bundelen van capaciteit. Het is hierbij belangrijk dat de samenwerking niet alleen uit nood ontstaat, maar ook gebaseerd is op een gedeelde visie. Als die ontbreekt, kan samenwerking juist frictie opleveren. Daarom beginnen we bij de vraag: wat vind je belangrijk in je werk? Van daaruit kunnen we verder bouwen.’

'Door slim samen te werken in de regio, kun je zorgen voor minder werkdruk en meer werkplezier'

Van inzicht naar instrument

Een van de beoogde opbrengsten van OPTIMISTIC is een simulatiemodel, dat wordt ontwikkeld met Universiteit Twente. Dit model moet inzicht geven in de effecten van verschillende manieren van samenwerken. Hierbij houdt het model rekening met meerdere factoren tegelijk, zoals het aantal zorgverleners in de regio, de gemiddelde zorgvraag en regionale kenmerken. Maar ook met het aantal verloskundigen, het aantal ziekenhuizen en de reistijd daarnaartoe. Het idee is dat verloskundigen met dit model straks voor hun eigen regio scenario’s kunnen verkennen: wat gebeurt er als je anders samenwerkt? En wat betekent dat voor de capaciteit, werkdruk en continuïteit van zorg? Tamar legt uit: ‘Met dit model kun je als het ware verschillende situaties in jouw regio simuleren. Bijvoorbeeld: wat gebeurt er bij piekbelasting? Of als een ziekenhuis tijdelijk sluit? Zo kun je op voorhand beter onderbouwde keuzes maken. We gaan het simulatiemodel in twee regio’s als pilot testen.’

Meer regie, minder stress

Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dus dat eerstelijnsverloskundigen meer invloed kunnen uitoefenen op hoe zij hun werk organiseren – juist binnen de beperkingen die er zijn. Dit betekent niet dat de verantwoordelijkheid volledig bij hen komt te liggen. Integendeel. ‘Het gaat er niet om dat verloskundigen het probleem moeten oplossen’, benadrukt Tamar. ‘We willen juist laten zien waar je wél invloed op hebt en hoe je samen sterker kunt staan: een verandering van voortdurend reageren naar beter voorbereid zijn.’

Betekenis voor de praktijk

Hoewel het onderzoek nog tot en met volgend jaar loopt, levert het nu al waardevolle inzichten op. Alleen al het delen van ervaringen blijkt belangrijk. ‘We merken dat verloskundigen zich gehoord voelen’, zegt Tamar. ‘Hun verhaal krijgt aandacht – en dat is hard nodig. Uiteindelijk zullen de resultaten leiden tot praktische handvatten voor eerstelijnsverloskundigen die te maken krijgen met opnamestops. Het grotere probleem van capaciteitsdruk zal daarmee niet verdwijnen. Maar de manier waarop we hiermee omgaan, kan wel veranderen. Als we door een goede samenwerking kunnen bijdragen aan minder werkdruk, minder stress, meer werkplezier en betere zorg voor cliënten, dan is dat al een belangrijke stap.’