Hoe een vakgroep kan zorgen voor een duidelijkere structuur, meer zeggenschap en een betere zichtbaarheid

Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: De Beeldredacteur

De druk op de geboortezorg is voelbaar. Volle verloskamers en wachtlijsten zijn steeds vaker regel dan uitzondering. Het capaciteitsprobleem wordt vaak als oorzaak gezien. Toch ligt een deel van de oplossing niet alleen in meer zorgprofessionals of meer bedden, maar in welke zorg echt nodig is. En hoe organisatie en bekostiging goede, passende zorg ondersteunen. Volgens klinisch verloskundige Margriet Wegman-Rikkink, die in haar thesis voor de master Verloskunde ingaat op de implementatie van een vakgroep klinisch verloskundigen, moeten we ook kijken naar onze positionering, zeggenschap en het vertrouwen in de kracht van ons vak. ‘Laten we ons duidelijker uitspreken, kritischer naar ons werk kijken en samenwerking versterken.’

Margriet studeerde in 2007 af als verloskundige. Daarna werkte ze in de eerstelijnszorg en was ze tien jaar maat in een maatschap in Deventer. Sinds vijf jaar werkt ze als klinisch verloskundige in het Isala ziekenhuis in Zwolle. Daarnaast is ze VSV-coördinator, platformcoördinator voor klinisch verloskundigen binnen de KNOV én gemeenteraadslid. Een heel breed werkveld dus, en al die inzichten en ervaringen hebben haar visie op het capaciteitsprobleem in de zorg gevormd. ‘Dit is niet alleen een praktisch probleem, maar ook een organisatorisch en professioneel vraagstuk.’

Druk in de hele keten

‘Bij vlagen liggen de verloskamers vol, waardoor we tijdelijk zwangeren moeten weigeren en onder andere geen pijnstilling kunnen verzorgen. Dat doet wat met je als verloskundige. Je wilt er altijd zijn en iedere zwangere de hulp bieden die nodig is. Als dat niet lukt, is dat op z’n zachtst gezegd heel vervelend.’ Die druk beperkt zich niet tot het ziekenhuis. ‘Je merkt het in de hele keten. Kraamzorg kampt met tekorten, eerstelijnspraktijken hebben vacatures en ook binnen ons ziekenhuis is het zoeken naar balans. We hebben een tekort aan obstetrieverpleegkundigen. Er wordt hard gewerkt aan een oplossing met opleidingstrajecten. Een ander probleem waar we tegenaan lopen, is het tekort aan psychisch begeleiders. Hierdoor hebben we onze POP-poli – voor zwangerschap en psychische begeleiding – on hold moeten zetten. Dat is een aderlating.’

'We moeten kritisch durven kijken naar het opschalen van zorg'

Margriet Wegman-Rikkink.
Minder interventies

Volgens Margriet ligt een belangrijk deel van de oplossing in de specifieke rol van de klinisch verloskundige. ‘Wij zijn opgeleid vanuit de fysiologie. Dit perspectief helpt om onnodige interventies te voorkomen.’ Ze benadrukt dat dit niet gaat om minder zorg verlenen, maar om meer passende zorg. ‘Als je kritisch kijkt naar bijvoorbeeld standaardcontroles of inleidingsindicaties, zie je dat daar soms ruimte zit. Zeker in tijden van schaarste onder zorgprofessionals moeten we ons afvragen welke zorg echt nodig is. Met andere woorden: we moeten kritisch durven kijken naar het opschalen van zorg. Is dat echt nodig? Door elke casus tegen het licht te houden, dragen we bij aan een verlaging van de werkdruk. Immers, minder interventies betekent minder inzet van tijd, personeel en middelen. Maar er speelt meer: als klinisch verloskundigen hebben we bijvoorbeeld geen financieel belang bij opschalen of verwijzen. Hierdoor kunnen we met een open blik naar het zorgproces kijken, zodat we onze kostbare tijd spenderen aan zwangeren met een medische indicatie die onze zorg echt nodig hebben. Dit moeten we durven uitspreken en ons hierin gesteund voelen. Mede daarom pleit ik voor het oprichten van vakgroepen.’

'Het opzetten van een vakgroep kan een groot verschil maken'

Gezondheidsbevordering

Een ander, vaak onderschat aspect van de capaciteitsproblematiek is volgens Margriet gezondheidsbevordering van zwangeren. ‘In de tweede lijn ligt de focus traditioneel op medische indicaties en interventies. Maar hoe gezonder en fitter een zwangere is, hoe minder interventies nodig zijn. Een goede gezondheid is de basis van alles. Helaas komen we er in de praktijk niet genoeg aan toe om dit bespreekbaar te maken. Door tijdgebrek en volle spreekuren is er minder ruimte voor gesprekken over leefstijl, voeding of beweging. Terwijl juist daar winst te behalen is.’ Volgens haar zit hier een mogelijke oplossing in een betere samenwerking met de eerste lijn. ‘We onderzoeken bijvoorbeeld of we tweedelijns cliënten kunnen laten aansluiten bij CenteringZwangerschap-groepen van de eerste lijn, in hun eigen wijk. Een mooie manier om onze krachten te bundelen.’

Vertaalslag

Ook een goede samenwerking binnen het VSV is essentieel, vindt Margriet. ‘Zo kun je samen bekijken welke zorg het beste past bij de zwangere. Niet vanuit je eigen domein, maar vanuit het geheel. Om dit te kunnen realiseren, is het belangrijk dat je investeert in onderlinge relaties en elkaar kent. Blijf communiceren, drink even koffie na een overdracht en zie elkaar als collega’s in plaats van ‘de ander’. Laten we elkaar versterken, dat maakt al een enorm verschil. Als klinisch verloskundigen kunnen we een goede verbinding maken. De meeste klinisch verloskundigen hebben in de eerste lijn gewerkt. Dat helpt. We begrijpen beide werelden en kunnen de vertaalslag naar de klinische setting maken – en andersom. Hierbij is het belangrijk dat we cliënten goed overdragen en niet uitgaan van aannames, maar nieuwsgierig blijven: vraag hoe een bepaalde situatie is ontstaan. Hoe meer achtergrondinformatie je hebt, hoe beter je iemand kunt helpen.’

De kracht van een vakgroep

Om klinisch verloskundigen een duidelijkere stem te geven in het ziekenhuis – en om goed mee te kunnen denken over oplossingen voor het capaciteitsprobleem – onderzocht Margriet hoe je een vakgroep het beste kunt implementeren. ‘Het opzetten van een vakgroep kan een groot verschil maken. Onze positie was lange tijd niet goed vastgelegd. We werden soms wel, soms niet betrokken bij beleid of werkgroepen. Terwijl we een belangrijke schakel zijn in de zorg. Dat moest anders, vond ik. Een vakgroep kan hierin verandering brengen: een duidelijkere structuur, meer zeggenschap en een betere zichtbaarheid. Zodat we als beroepsgroep een duidelijke stem hebben, binnen het ziekenhuis én daarbuiten.’ Uit haar onderzoek kwamen duidelijke voorwaarden voor een succesvolle implementatie van een vakgroep naar voren: steun van het management, draagvlak binnen de eigen groep, tijd en ruimte voor implementatie en helder leiderschap. ‘Zonder managementsteun kom je er niet’, stelt ze. ‘Maar ook binnen je eigen groep moet het besef er zijn dat dit belangrijk is.’

'We spelen een belangrijke rol in de geboortezorg, die we niet moeten onderschatten'

Sterkere positie

De weg naar zo’n vakgroep kan hobbelig zijn, ondervond ze. ‘Er was in het begin best wat weerstand en onzekerheid over wat ons doel
was: wilden we meer zelfstandigheid? Een eigen geldstroom? Ook spelen landelijke ontwikkelingen een rol, zoals de mogelijkheid voor klinisch verloskundigen om zelfstandig diagnose-behandelcombinaties (DBC) te openen. In theorie versterkt die mogelijkheid onze positie enorm. Je fungeert als poortwachter, kunt zelfstandig beleid bepalen en verwijzen zonder tussenkomst van een gynaecoloog. Maar in de praktijk werkt het vaak anders. In sommige ziekenhuizen wordt deze mogelijkheid nog niet volledig benut: klinisch verloskundigen worden bijvoorbeeld toch niet ingeboekt, maar werken achter de schermen onder de naam van een arts-assistent. Of gynaecologen zeggen: dat doen we hier niet. Open de DBC maar gewoon op mijn naam. Daar zit soms angst achter, bijvoorbeeld voor veranderende tarieven van verloskundige zorg. Dat maakt dit het momentum om echt met je groep verloskundigen verder te professionaliseren.’

Meedenken en meebeslissen

Margriet is er duidelijk over: het versterken van de positie van klinisch verloskundigen is essentieel voor toekomstbestendige geboortezorg. ‘Je kunt als klinisch verloskundige het verschil maken door mee te denken over beleid, protocollen en de organisatie van zorg – en dus bijdragen aan oplossingen voor capaciteitsproblemen. Dit heeft niet alleen effect op de zorg, maar zorgt ook voor meer werkplezier. Het gevoel dat je gehoord wordt en invloed hebt, maakt je werk leuker en duurzamer. Maar hiervoor is het wel nodig dat je je vrij voelt om je uit te spreken. Die ruimte moet je krijgen. Het starten van een vakgroep is dan een mooie eerste stap.’

Toekomstbeeld

Hoe ziet de ideale geboortezorg er volgens Margriet uit? ‘Ik zou iedere zwangere een verloskundige in de buurt toewensen. Iemand die ze kent – die haar kent – en die ze laagdrempelig kan benaderen. Iemand die dichtbij is en haar goed begeleidt. En als het nodig is, komt de zwangere naar het ziekenhuis. Hier bieden we liefdevolle, adequate, gezinsgerichte zorg. Zodra het kan, laten we haar weer teruggaan naar haar verloskundige in de buurt. Ik denk echt dat dit mogelijk is, als we er maar genoeg ons best voor doen. Ik zou andere klinisch verloskundigen willen aanraden: word je bewust van je eigen waarde. We spelen een belangrijke rol in de geboortezorg, die we niet moeten onderschatten. Denk mee en spreek je uit. En zorg dat je vertegenwoordigd bent op de plekken waar beslissingen worden genomen. Zo kunnen we samen werken aan de oplossing van het probleem – én meer werkplezier.’  

Klik hier voor de complete thesis.


'Verloskundigen zijn experts in passende zorg'

Tekst: Mirjam Streefkerk | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: De Beeldredacteur

 

Marieke Smith, Maaike van Rijn en Alieke de Roon-Immerzeel.

Door capaciteitsproblemen verandert er steeds veel in de geboortezorg. Onder de noemer ‘passende zorg’ moeten verloskundigen toch vooral veel efficiënter en goedkoper gaan werken. Maar het KNOV-bestuur interpreteert passende zorg veel breder. Want: passende zorg is iets wat verloskundigen al eeuwen leveren. ‘Van alles wat wij doen en bewust ook niet doen, moet gezondheidsbevordering het vertrekpunt zijn.’

Passende zorg is een speerpunt in het Integraal Zorgakkoord uit 2022. Dat betekent dat het ministerie, zorgverzekeraars en regionale en landelijke overlegtafels ‘iets’ met de term moeten. Ook in overleggen waarbij jij aan tafel zat, is het vast al eens over passende zorg gegaan. En daarbij valt het op dat andere organisaties de term anders invullen dan de KNOV dat doet. Wat het KNOV-bestuur betreft is het namelijk niet terecht dat de term vaak wordt gebruikt om bepaalde efficiencymaatregelen in de geboortezorg te onderbouwen.

Daarom willen bestuurders Alieke de Roon-Immerzeel, Maaike van Rijn en Marieke Smith graag laten zien hoe zij naar passende zorg kijken in relatie tot de capaciteitsproblemen waar verloskundigen dagelijks mee te maken hebben. Marieke Smith: ‘Wij hebben al bij ons aantreden in 2022 besloten om de term te omarmen, maar wij vullen deze wel op onze eigen manier in. Verloskundigen zijn tenslotte experts in passende zorg. Wij leveren die zorg al eeuwenlang.’

Gezondheidsbevordering

De juiste zorg op de juiste plek en zinnige zorg, beleidstermen die eerder rondgingen, waren vooral curatief ingestoken: ze gaan over het beperken van onnodige behandelingen en het organiseren van bestaande zorg. Terwijl passende zorg juist ook het principe van gezondheidsbevordering heeft opgenomen als uitgangspunt. Alieke de Roon-Immerzeel: ‘Dat draait de vraag om: niet wat kunnen we weglaten, maar wat kunnen we versterken? En dat is precies waar je je als verloskundige mee bezighoudt. Je begeleidt vrouwen in een gezond proces, je versterkt hun eigen kracht en je grijpt pas in als het nodig is.’

Passende zorg is daarom, zo vindt het bestuur, een opdracht die hoort bij de verloskundige eed om goede zorg te leveren aan zwangere vrouwen. En die opdracht geldt zowel op individueel als op maatschappelijk niveau. Daarom is de term nadrukkelijk ook onderdeel van het hernieuwde kwaliteitshuis voor verloskundigen waar de KNOV hard aan werkt. Maar daarover straks meer.

Meer tijd

Volgens het Zorgakkoord heeft passende zorg vier kenmerken: waardegedreven, samen beslissen, de juiste zorg op de juiste plek en gezondheid. Bij het 125-jarig jubileum van de vereniging in 2023 presenteerde het bestuur vijf thema’s rondom passende zorg aan toenmalig demissionair minister Ernst Kuipers. Meer tijd voor de zwangere bijvoorbeeld, en laat de (klinisch) verloskundige regiebehandelaar zijn. De verloskundige is er voor de zorg en niet voor de administratie. En de laatste twee thema’s: versterk de eerstelijnsorganisatie en zet waardegedreven werken voorop.

De minister en zorgverzekeraars reageerden enthousiast op de invulling van de KNOV en de daarbijbehorende aanpak, maar in de praktijk ziet het bestuur wel dat andere beroepsgroepen en organisaties passende zorg en de kenmerken uit het Zorgakkoord anders invullen. Maaike van Rijn: ‘Je ziet dat sommige van onze partners passende zorg vooral invullen als: het moet nog efficiënter dan we het al deden.’ Marieke: ‘Ziekenhuizen redeneren bijvoorbeeld vaak vanuit wat zij te bieden hebben en wat dan bij een bepaalde patiënt past. Dan hoor je in een overleg serieus iemand zeggen: er zijn bij ons in het ziekenhuis nog wel daluren, misschien kunnen we mensen gaan bellen dat ze dan ingeleid kunnen worden. Maar dan ga je dus niet uit van gezondheid als uitgangspunt.’

Ook het perspectief van de zorgverzekeraar is voor de KNOV en verloskundigen belangrijk. En net als in het ziekenhuis wint ook daar het systeemdenken het vaak van het kwaliteitsdenken, waarop dan ook de term passende zorg wordt geplakt. Alieke geeft een voorbeeld: ‘Het is voor een zorgverzekeraar heel handig om ergens een kraamhotel neer te zetten: dan heb je met één kwaliteitsnorm te maken, er is minder capaciteitsproblematiek en dat lijkt dan prima geregeld. Maar als een verloskundige uit het ommeland daar continu heen moet rijden en haar eigen cliënten niet meer thuis kan begeleiden, is dat op geen enkele manier passend. Bovendien is kraamzorg thuis de gezondheidsbevordering waar passende zorg om vraagt: het ondersteunt hechting, het helpt bij het op gang komen van de borstvoeding en het versterkt de zelfredzaamheid van het gezin.’

Meer interventies

Aan de landelijke tafels waar het geboortezorgbeleid wordt besproken, is de medisch-specialistische zorg oververtegenwoordigd. De neiging naar meer interventies, meer controle en meer protocollen is een hardnekkige reflex op de problemen die er zijn. Marieke: ‘We zijn zo bang om te weinig te doen of te wachten. Er zijn meer zorgverleners rondom zwangere vrouwen dan ooit en tegelijkertijd krijgen we die zorg niet meer goed geregeld. Dan klopt er iets niet. Daarom moeten we vanuit een gedeeld ethisch kader gaan werken.’ ‘Natuurlijk wil iedereen waarmee we samenwerken ook het goede doen’, zegt Maaike. ‘We merken dat onze partners open staan voor ons verhaal. Maar het systeem is zo dichtgetimmerd met regels, protocollen en registraties dat het heel moeilijk is om daar doorheen te komen. Als passende zorg de nadruk op gezondheidsbevordering legt, moeten we leren vertrouwen op het gezonde proces. Niet elke zwangerschap is immers een medisch probleem dat opgelost moet worden.’

Het bestuur wil daarom snijden in administratielast en in richtlijnen die niet bijdragen aan betere uitkomsten, zodat verloskundigen weer toekomen aan hun eigenlijke werk: bij de vrouw zijn. Alieke: ‘In onze beroepsidentiteit ligt de focus ook op de relatie met de vrouw. Wij begeleiden haar in haar rite-de-passage naar het moederschap, omdat dat onze rol is. Omdat dat het goede is om te doen. Maar ook omdat we weten dat deze relationele zorg, dus een goede relatie tussen de verloskundige en de vrouw, enorm beschermend werkt tegen een heleboel dingen. Het is alleen moeilijk om die boodschap over te brengen. Dat lukt ons nog niet goed genoeg. Terwijl: als er een nieuwe technologie op de markt komt, of een nieuwe methodiek van echo’s maken, dan zijn we daar als geboortezorgveld veel sneller geneigd iets mee te doen. Vaak zonder goed te wegen wat de schaduwzijde van de implementatie daarvan is. Wat levert het aan nevenschade op en welke zorg blijft nu onderbelicht of krijgt geen ruimte meer?’

Marieke vertelt over haar broer, die onlangs vader werd. Zijn vriendin was thuis; in bad bevallen met twee vroedvrouwen erbij. ‘Hij zei daarna tegen mij: ‘Wat doen jullie weinig! Ze hebben alleen maar in de hoek gezeten.’’ Marieke lacht: ‘En dat is precies waar passende zorg en gezondheidsbevordering over gaat. Die verloskundigen wisten dat zij niet nodig waren anders dan er gewoon te zijn. Ze waakten over een gezond proces en gaven geen onnodige zorg.’ Dat er zijn en tegelijk niet handelen, is lastig te meten. Terwijl juist die meetbaarheid vaak de basis vormt van veel protocollen en richtlijnen.

Relationele zorg

In het hernieuwde kwaliteitshuis waar de KNOV aan werkt, staat deze visie op geboortezorg en passende zorg centraal. De beroepsidentiteit staat al op papier en verschillende werkgroepen werken aan het beroepsprofiel, de beroepscode en de herziening van het Kwaliteitsregister Verloskundigen. In al die onderdelen van het kwaliteitshuis is er een belangrijke rol voor de relationele zorg. Niet alleen omdat dat goed werkt voor vrouwen en een goede relatie met de verloskundige bijdraagt aan een goede start van het moederschap. Ook omdat we uit onderzoek weten dat tijd hebben voor relationele zorg bijdraagt aan het werkgeluk van verloskundigen.

Het bestuur werkt ook aan een afwegingskader voor passende zorg, waaraan het beroepsprofiel, het kwaliteitsregister en kwaliteitsdocumenten getoetst zullen worden. Alieke: ‘We hebben het gedeeld met de verschillende platforms en gebruiken het nu intern. Bijvoorbeeld of en wat we met bepaalde richtlijnen doen en om te bepalen waar we verder wel en niet aan werken.’ Het doel van het document is om voorspelbaarder en transparanter richting stakeholders te worden.

In het kader staan per kenmerk van passende zorg enkele vragen. Na het beantwoorden daarvan kan degene die het kader gebruikt, vanuit het KNOV-perspectief, een beargumenteerd besluit nemen of een standpunt innemen. Het afwegingskader moet ook helpen om ongewenste praktijkvariatie tegen te gaan. Want waar je bevalt en in welke regio, bepaalt nu nog te veel welke zorg je krijgt. Jarenlang zijn er regionaal protocollen gemaakt in plaats van landelijke richtlijnen, wat versnippering in de hand heeft gewerkt. Het bestuur wil graag dat straks regionaal alleen nog praktische afspraken worden gemaakt – door welke ingang ga je het ziekenhuis in, wie bel je als eerste – en dat inhoudelijk beleid landelijk wordt geregeld.

Geen zorg leveren

Precies daar ligt ook een opdracht voor jou als verloskundige. Het bestuur nodigt je uit om de verloskundige invulling van passende zorg te verspreiden: relationele zorg is de kern ervan en passende zorg betekent dat je soms ook goede zorg levert als je geen handeling verricht. Marieke: ‘Om onze boodschap over passende zorg in relatie tot capaciteitsproblemen breder te laten landen, hebben we alle verloskundigen nodig. Landelijk kunnen wij als bestuur deze boodschap verkondigen, regionaal moeten jullie het doen. Samen zijn we één grote partij.’

Het bestuur roept verloskundigen ook op om hun eigen netwerk te versterken. Niet alleen in het bredere verloskundig samenwerkingsverband, maar juist ook onder verloskundigen onderling. De KNOV ziet dat verloskundigen door de integrale geboortezorg steeds meer vergaderen met gynaecologen en ziekenhuizen, maar dat het informele contact met elkaar lijkt te zijn afgenomen. Terwijl verloskundigen daarmee juist hun eigen identiteit en draagkracht kunnen versterken. Precies zoals je dat bij de vrouwen die je begeleidt ook doet.

Wees dus trots op je vak, is de nadrukkelijke opdracht van het bestuur. Zoek elkaar op als eerstelijns- en klinisch verloskundigen. Volg wat er gebeurt in het landelijk kwaliteitsbeleid, in het beroepsprofiel, de richtlijnen en het afwegingskader, want dat gaat je helpen om in de regio stevig te staan. Maar weet vooral ook: passende zorg is wat verloskundigen al eeuwen leveren.


KNOV-academie: de toekomst van ons vak begint hier

Tekst: Ruth Evers, 2026-2
Beeld: Majanka Boddé

De KNOV-academie is er: een plek waar verloskundigen online en offline samenkomen om te leren, te verdiepen en elkaar te versterken. Waar ruimte is voor reflectie op ons vak en voor de toekomst die we samen vormgeven.

De feestelijke opening op 10 april markeerde het begin van die beweging. Een moment van trots, maar ook van richting. Want de academie is meer dan een leeromgeving. Het is een plek waar het gedachtegoed van de KNOV verder groeit en waar gebouwd wordt aan een sterke beroepsgroep.

Tijdens de opening gaf senior programmacoördinator Ruth Evers woorden aan die beweging in een bevlogen pleidooi. Over waar we staan en wat er nodig is. Op deze plek krijgt haar openingswoord nogmaals een podium.

Zoals het nu is, kan het niet blijven

Met de opening van de academie markeren we een einde en een nieuw begin. Het is het einde van een KNOV zonder academie. En een begin van door samen leren verder vormgeven aan een heldere ambitie: werken vanuit gezondheid, passende zorg, ‘first do no harm’ en onze beroepsidentiteit, met verbinding, gezondheid en moed als kernwaarden.

Daar is de afgelopen jaren hard aan gebouwd, zowel door het bestuur als door de regio’s. Bestuurders van KNOV en regio’s doen dat aan alle mogelijke vergadertafels. Dat is goed en nodig. En de academie is er nu om de verloskundigen te versterken die dit elke dag op de werkvloer doen. Want het grootste deel van het cliëntgebonden werk gebeurt elke dag in de wijk en in het ziekenhuis. Door jullie.

En toch, ondanks al het harde werken, zullen jullie met me eens zijn, dat het niet kan blijven zoals het nu is. We kunnen niet blijven accepteren dat het aantal interventies blijft toenemen, terwijl de uitkomsten niet beter worden, dat we per jaar 50 miljoen uitgeven per jaar aan prenatale screeningsecho’s en dat het vertrouwen van zwangeren niet groeit. We kunnen niet blijven toekijken hoe de thuisbevalling langzaam iets wordt wat jonge vroedvrouwen nauwelijks nog zien in hun stages. Want wat je niet ziet in je stage, wordt geen onderdeel van je identiteit.

We kunnen ook niet blijven doen alsof we elkaar niet hard nodig hebben. Tijdens een bijeenkomst over waarneemsters die mogelijk in loondienst gaan, kwam het gesprek neer op: dat praktijkhouders hen het liefst zo min mogelijk betalen. Een externe adviseur gaf de tip om keihard te onderhandelen. En het raakte me zo. Want ik dacht: is dat het? Is de oplossing dat we verharden naar elkaar? Of kunnen we ook anders kijken. Natuurlijk zijn er verschillen. Praktijkhouders die op kosten letten. Waarneemsters en loondiensters die hun voorwaarden goed willen regelen. En ja, er wordt over en weer ook geoordeeld, ook tussen de eerste en tweede lijn. Maar is dat waar we de focus op willen leggen?

Of kiezen we ervoor om te kijken naar wat er óók is: collega’s in de kliniek die hun rug recht houden in een complexe omgeving. Praktijken die, tegen alles in, het beste willen voor zwangeren én hun team. En waarneemsters en loondiensters die zich betrokken tonen en vaak net dat beetje extra hard lopen voor de praktijk waar ze zo toegewijd aan zijn.

Ik denk dat de meesten van jullie zullen zeggen: we kunnen beter het laatste doen. En toch blijkt dat dus niet altijd makkelijk. Het is niet altijd makkelijk om je stem te laten horen in een protocollenwerkgroep. Om je terug te trekken uit werkafspraken die niet passen bij onze identiteit, of om goed te onderbouwen waarom je iets wel of niet doet. Dat vraagt moed, keuzes en taal. Niets daarvan is zomaar makkelijk. Want als het dat was, dan hadden we het allemaal allang gedaan.

En niet alles ligt bij ons. De wereld heeft het moeilijk, er is veel onrecht, oorlog en het verschil tussen arm en rijk is groot. Maar we kunnen leren de beweging te maken van klein naar groot en terug van groot naar klein. De wetenschap kent een lange geschiedenis van gebrekkige modellen. De platte aarde, het geocentrisch wereldbeeld en het idee dat een moeder haar overleden kind beter niet kon zien: ze kloppen geen van alle, al werden ze ooit als waar gezien. Zo zien we het ook in de verloskunde. Het model staat op springen, het lijkt niet meer te passen. We hebben een ommekeer nodig in ons denken.

Nieuw denken wordt niet altijd enthousiast ontvangen. Ook Galileo ondervond dat: eerst ben je vervelend, afwijkend en onwetenschappelijk. Later bleek je geschiedenis te hebben geschreven. Dat vraagt een lange adem en de bereidheid bij te dragen aan een grote ommekeer.

De vraag is niet óf uitgaan van gezondheid werkt, of een thuisbevalling veilig is. De vraag is waarom we er nog niet altijd naar handelen en wat er nodig is om die beweging te maken. Daarom is het belangrijk dat we onze denkkracht inzetten, dat we samen komen, samen delen, samen plezier maken, samen sparren, samen leren.

Zo creëren we een plek waar we met elkaar ons gedachtegoed verdiepen en verankeren en plezier maken, zodat we het niet meer zo moeilijk vinden om er naar buiten toe voor te gaan staan.  Zodat we stap voor stap en met elkaar een nog sterkere beroepsgroep kunnen worden dan we al zijn. Want er gaat gelukkig ook veel goed. Ondanks alles zijn we er nog. En dat is mooi en logisch. Want wij zijn niet het probleem. Wij zijn de oplossing.

Daarom is er nu de KNOV-academie om onze denkwijze, de moed die daarvoor nodig is en onze beroepsidentiteit te versterken, en ten dienste te stellen aan ons allemaal.

Samen sterk in ons vak

Ontdek de KNOV-academie:
- Live scholingen
- E-learnings
- Microlearnings
- Webinars
- Podcasts


Known, supported, and learning: why continuity of preceptorship matters­

Tekst: A. Mountforda,c, J. Fenwicka, K. Smalld, M. Andersonb, H. Konowecb, R. Gasparottob, C. Catlinga, H. Rotha, K. Bairda, D. Foxa

The quality of midwifery education depends heavily on what students experience in practice. For many students, clinical placement is where learning becomes real, but it can also be where confidence is tested. Entering unfamiliar clinical environments, working with different midwives each shift, and navigating unspoken and unwritten expectations can generate significant anxiety, particularly early in the degree. Feeling known, supported, and safe enough to ask questions matters not only for learning, but also for students’ sense of belonging within the profession.

Maternity services are under increasing pressure. Workforce shortages and high clinical demands make it challenging to provide consistent supervision for students placed in the clinical area. Traditional shift-based preceptorship models, where students work with different midwives from one shift to the next, are common, but they can fragment learning and make it harder for students to build confidence and develop a professional identity.

This article presents findings from the implementation and evaluation of a continuity-of-preceptorship model known as One Midwife – One Student (OMOS) (Mountford et al, 2026). Drawing on students’ voices, the study explores how continuity shaped their learning, what worked well, and what did not always work. The relevance of this approach for midwives, maternity services, and educators is also discussed.

What was explored

A continuity-of-preceptorship model was explored within a Bachelor of Midwifery program in Australia, where students typically undertake clinical placement in hospital-based maternity services. In this model, a student was paired with a named midwife preceptor and worked with that midwife over the course of multiple shifts. The intention was to create greater relational continuity and thereby support students’ learning, while enabling students to engage with the broader clinical team.

Rather than focusing on performance or competency outcomes, the study sought to understand how students experienced placement under this model, how they felt, how they learned, and how continuity shaped their sense of confidence and belonging. Students recorded video reflections across their time in practice, providing insight into the everyday realities of learning within busy maternity services.

What students reported

Rather than describing their placements in terms of isolated skills or tasks, students talked about how the experience felt. Many contrasted continuity placements with earlier experiences of moving from one midwife to another, describing the emotional and cognitive load of constantly re‑introducing themselves and trying to gauge expectations. One student spoke about the relief of knowing who they would be working with:

‘There was no awkward period or stress for me because I knew where I was going and who I was working with.’

Others reflected on how being known by a preceptor changed how they participated, particularly early in placement when anxiety was high. Students without continuity often described being ‘on high alert’, feeling unsure where theyfitted, or hesitant to step forward.

Across accounts, what mattered most was not perfection or protection, but feeling supported enough to learn.

What worked well

Students consistently described feeling calmer and more confident when working with a known preceptor. Knowing who they would be working with reduced anticipatory stress and allowed them to focus on learning rather than self‑management.

Continuity enabled preceptors to understand students’ strengths, learning needs, and stage of development. Students described feeling more willing to ask questions, try new skills, and reflect honestly when they felt safe within the relationship. As one student put it:

‘She already knew what I was confident with and where I needed more support, that made a huge difference.’

Continuity also helped with everyday practicalities, such as completing clinical documentation or accessing learning opportunities. Preceptors who knew students well were better placed to support progress toward learning goals and advocate for opportunities when they arose.

What didn’t always work

Continuity was not always achievable. Staffing pressures, rostering constraints, sick leave, and busy clinical areas, particularly birth suite, sometimes disrupted planned pairings. When this occurred, students could feel uncertain about their role or how best to engage in learning opportunities. As one student explained:

‘Some days I would get there and stuff wasn’t organised, so I wasn’t assigned a midwife, which was a little bit hard to get my foot in the door.’

Importantly, students consistently recognised these challenges as system‑level issues rather than individual failings. Their reflections highlighted the need for flexibility and contingency planning, rather than suggesting that continuity must be perfect to be valuable.

'Continuity of preceptorship sits at the intersection of learning, wellbeing, and workforce sustainability'

Why this matters for practice

What midwifery students experience on placement shapes far more than their immediate learning. The clinical environment influences how students see themselves as future midwives, how confident they feel stepping into practice, and whether they feel that midwifery is where they belong. Continuity of preceptorship matters because it sits at the intersection of learning, wellbeing, and workforce sustainability.

For midwife preceptors, continuity enables teaching relationships to develop over time. When preceptors know a student’s strengths, anxieties, and stage of learning, supervision becomes more responsive and purposeful. Teaching moves beyond task allocation towards mentorship, supporting students to grow, reflect, and take on responsibility under supervision. Many students described how relational continuity made it easier for preceptors to encourage them, challenge them appropriately, and advocate for learning opportunities when the clinical environment was busy.

For maternity services, continuity of preceptorship offers a different way of supporting students without increasing supervision burden. While coordinating continuity requires planning and flexibility, students in this study described being more engaged, more confident, and less hesitant to participate in care. When students feel settled and supported, they are better able to contribute meaningfully to the team, rather than expending cognitive and emotional energy simply trying to work out where they fit. Importantly, continuity does not need to be flawless to be effective, even partial continuity appeared to reduce stress and enhance learning.

For educators, early placement experiences are pivotal. Students repeatedly described how feeling welcomed, known, and supported influenced their motivation and confidence across the remainder of their placement. Models that foster belonging and relational safety early in training may play an important role in retention, progression, and preparation for practice. At a time when the midwifery workforce is under pressure, approaches that support students to thrive, rather than simply endure placement, deserve close attention.

Ultimately, continuity of preceptorship is not only an educational strategy. Continuity is a way of affirming students as emerging professionals, supporting midwives in their teaching role, and strengthening the foundations.

'When students feel settled and supported, they are better able to contribute meaningfully to the team'

Conclusion

This model reflects and builds on the central role that relationships play in midwifery. Continuity of preceptorship created conditions in which students felt safer to learn, more confident to participate, and more able to see themselves as midwives. While continuity was not always achievable, even partial relational consistency shaped students’ experiences in meaningful ways.

At a time when maternity services and education providers are navigating significant pressure, approaches that prioritise relational safety and belonging warrant attention. Continuity of preceptorship is one such approach, not as a perfect or one-size-fits-all solution, but as a way of strengthening learning environments and supporting the next generation of midwives to grow with confidence. Paying attention to how midwifery students experience placement, not just what they do, can better support learning, professional identity, and the future sustainability of the midwifery workforce.

Reference
Mountford, A., Fenwick, J., Small, K., Anderson, M., Konowec, H., Gasparotto, R., Catling, C., Roth, H., Baird, K., Fox, D. (2026) One midwife, one student: Exploring continuity of preceptorship in midwifery education, Women and Birth, 39:102194. Click here to read the full article.
Affiliations
a School of Nursing and Midwifery, Faculty of Health, University of Technology Sydney T. +61 (02) 9514 7986, M. +61 0409 032 903, PO Box 123 Broadway NSW 2007 Australia [Collective for Midwifery, Child and Family Health]
b The Royal Hospital for women, Barker St, Randwick, NSW 2031, Australia
c Bankstown Lidcombe Hospital, Eldridge Rd, Bankstown, NSW 2200, Australia
d Maternal, Child and Adolescent Health Program, Burnet Institute, Melbourne, VIC, Australia

Stagiairs begeleiden: keuze of noodzaak? 'We moeten investeren in de toekomst van de verloskunde'

Tekst: Myra Langenberg | VRHL Content en Creatie, 2026-2
Beeld: Via interviewkandidaten en LEVL Fotografie

Het is niet te ontkennen: de werkdruk van veel verloskundigen is hoog. En tegelijkertijd hebben we als beroepsgroep nieuwe collega’s die het vak in de praktijk moeten leren. Helaas is er een flink tekort aan beschikbare stageplekken. Dat klinkt vrij logisch, want als de werkdruk al hoog is, heb je dan nog wel tijd voor een stagiair? Erna Kerkhof en Ellen Plaschek denken van wel. Zij begeleiden jaarlijks bewust meerdere stagiairs. Waarom doen ze dit? En wat levert het op?

Natuurlijk kost het tijd om stagiairs te begeleiden, dat zal iedereen begrijpen’, zegt Erna Kerkhof van het Verloskundig Huys in Zwolle. ‘Toch hoort het nou eenmaal bij ons vak: het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van onze beroepsgroep. Binnen onze praktijk is het opleiden van nieuwe collega’s al decennialang vanzelfsprekend. We werken met zeven verloskundigen en vrijwel het hele jaar door begeleiden we studenten verloskunde. We wisselen korte en langere stages af: van eerstejaars die komen snuffelen tot vierdejaars die bijna klaar zijn. Dat maakt het afwisselend. Onze praktijk is er ook echt op ingericht: we hebben een studentenkamer, een fiets voor de student en een rooster waarin altijd ruimte is om met een verloskundige mee te lopen. Studenten draaien bij ons mee tijdens spreekuren, diensten en overleggen. We willen dat ze het hele plaatje zien. Hoe beter iemand begrijpt hoe een praktijk werkt, hoe sneller diegene later inzetbaar is als collega.’

Strategie

‘Als ik terugdenk aan mijn eigen opleiding, ben ik mijn stagebegeleiders eindeloos dankbaar: ik heb ontzettend veel van ze geleerd’, vervolgt Erna. ‘Een groot deel van ons vak leer je in de praktijk. Dan moeten er dus ook mensen zijn die dat mogelijk maken. Opleiden is voor mij meer dan een verplichting, het is ook een strategie. Zit er een leuke student bij die we graag willen houden, dan lukt dat vaak ook. Hierdoor hebben we eigenlijk nooit een personeelstekort.’ Toch betekent dit niet dat het altijd makkelijk is. ‘Het kost tijd, zeker in het begin. En niet elke student past goed in het team, maar daar leer je van. Gelukkig kunnen we de begeleiding onderling goed verdelen: twee collega’s zorgen voor de coördinatie en met alle zeven zorgen we voor de praktische begeleiding. Er is altijd werk en altijd iemand die energie heeft om de student mee te nemen. De kracht zit echt in ons hele team. Samen vormen we een compleet beeld van een stagiair.’

'Je leert dit vak niet uit een boek'

Tijd verdelen

Volgens Erna is het een misvatting dat stagiairs begeleiden ‘te veel’ tijd kost. ‘Een uurtje evalueren is niet zo heel ingewikkeld – en het is echt geen eenrichtingsverkeer. Je krijgt er ook veel voor terug: nieuwe inzichten, meegaan met nieuwe ontwikkelingen, frisse energie en potentiële nieuwe collega’s. Bovendien krijg je er een vergoeding voor én je blijft zo meer betrokken bij de opleiding – en dus je vak. Vroeger begeleidden we studenten van de opleidingen in Maastricht en Groningen. Dat werd een beetje ingewikkeld: de werkwijze en de indeling van de stages was anders en de opleidingen gebruikten andere formulieren. Daarom begeleiden we nu alleen nog studenten uit Groningen.’ Heeft Erna advies voor verloskundigen die twijfelen? ‘Begin gewoon, het is zo leuk en hoort bij ons vak. Het is eerst misschien wat lastig, maar het wordt echt makkelijker. Geef het even de tijd en geef niet te snel op. Volg een cursus stagewerkbegeleiding en doe het samen als team. Ik kan het alleen maar aanraden.’

'Willen we dat de verloskunde blijft bestaan, dan moeten we met z’n allen opleiden'

Erna Kerkhof (derde van links) en haar collega’s van het Verloskundig Huys.
Teaminvestering

Ook bij Puur Vroedvrouwen in Arnhem is opleiden een bewuste keuze. De praktijk begeleidt jaarlijks meerdere studenten in verschillende fases van hun opleiding. ‘Dat moet wel’, zegt medepraktijkhouder en echoscopist Ellen Plaschek. ‘Je leert verloskunde niet uit een boek. Je moet het zien, voelen en ruiken.Dat kan alleen in de praktijk. Als ik mijn werkdruk wil verlagen en over tien jaar nog een praktijk wil hebben, moet ik zorgen dat nieuwe verloskundigen afstuderen. Het hoort bij ons takenpakket en is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook wij pakken de stageperiodes gestructureerd aan: vaak met één of twee hoofdbegeleiders die het leerproces coördineren. Studenten lopen met alle teamleden mee, maar wel bewust gepland. We willen niet dat cliënten onrust ervaren door te veel wisselende gezichten. Via korte evaluaties en onderlinge afstemming blijven alle teamleden bij het proces betrokken. Dit betekent een investering van ons allemaal: het kost tijd en energie, zeker bij bevallingen. Je bent continu aan het observeren en begeleiden. Toch weegt dit niet op tegen de opbrengsten. Studenten brengen nieuwe kennis en inzichten mee. Die kruisbestuiving is heel waardevol.’

Goed voorbereid

‘Ik vind het ontzettend leuk om verloskundigen in opleiding binnen de praktijk te hebben, al geef ik toe dat ik een cliënt soms liever zelf begeleid’, gaat Ellen verder. ‘Het hoort er gewoon bij. Als ik mijn kennis en ervaring niet deel, is er geen toekomst meer voor ons vak. Bovendien gun ik het ze om goed beslagen ten ijs te komen en ruimte te krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Zelf moest ik me tijdens mijn stages soms aanpassen aan de stagebegeleiders, dat vond ik af en toe lastig. Ik probeer het nu zelf anders te doen en studenten meer ruimte te geven.’ Ellen geeft aan kritisch te zijn over het niveau van de studenten. ‘Bij een afstudeerstage is het belangrijk dat je kunt zien dat iemand er echt klaar voor is. Dit betekent soms dat we een stage verlengen. Dat is niet leuk, maar wel ontzettend belangrijk: iemand moet goed voorbereid het vak ingaan.’

'Opleiden geeft energie en verdieping'

Ellen Plaschek.
Enthousiasme

Het verbaast Ellen dat er praktijken zijn die geen verloskundigen in opleiding begeleiden. ‘Ook als je alleen werkt, heb je veel kennis om te delen. En kost het je te veel tijd, kijk dan eens of je samen met een andere verloskundige een student kunt begeleiden. Als je het samen met een andere praktijk doet, verlicht je overall de belasting van de studentbegeleiding. Daarnaast is het gewoon ontzettend leuk. Denk maar aan het enthousiasme van een eerstejaars die een zwangere buik voelt en het hartje beluistert. Daar kan ik echt van genieten.’

 

 


Update

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-2
Save the date: 4 november Symposium Catharina Schrader

Op Urk ligt het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland. Hier vind je de historische archieven van allerlei medische en paramedische beroepsverenigingen, waaronder de KNOV. Op 4 november 2026 organiseert de Commissie Catharina Schrader een dag in het Trefpunt voor verloskundigen en gepensioneerde verloskundigen met als onderwerp: “Passie voor het vak”. Wil jij luisteren naar de passie voor het vak van onder andere Ank de Jonge, Tamar van Haaren, Corine Verhoeven en het KNOV-bestuur? En naar de passie die Jolanda Liebregts heeft voor samenwerken? Stuur dan snel een mail naar clairekroon@hotmail.com want er zijn zo’n 40 plaatsen beschikbaar. Wil je eerst meer weten? Neem dan contact op met Lidewijde Jongmans via lj.jongmans@ziggo.nl.

De dag wordt mogelijk gemaakt door de KNOV en accreditatie is aangevraagd.

Update Aantekening Basisechoscopie bij de KNOV

In de afgelopen maanden hebben we met verschillende partijen intensief gewerkt aan de kwaliteitsborging van basisechoscopie binnen de KNOV. We zetten hierin belangrijke stappen en willen je graag meenemen in de ontwikkelingen.

Zorgverzekeraars hebben hun zorginkoopbeleid 2027 vastgesteld. Mooi nieuws: Salland erkent vanaf dan de aantekening met herregistratie-eis Basisechoscopie. Salland onderstreept hierbij dat kwaliteitsborging primair een verantwoordelijkheid is van de eigen beroepsvereniging. a.s.r. en ONVZ doen dat al, al valt ONVZ vanaf 2027 onder het VGZ-inkoopbeleid waarin deze erkenning nog niet opgenomen. Met andere zorgverzekeraars blijven we in gesprek om de erkenning uit te breiden. Tot die tijd blijft inschrijving in het Echokwaliteitsregister van de BEN nodig voor vergoeding van de geleverde zorg.

Achter de schermen werken we hard aan de inrichting in PE-online. Deze zomer verwachten we de technische oplevering, inclusief de koppeling met Vektis. Daarmee gaat de aantekening live in het Kwaliteitsregister Verloskundigen!

Je kunt je nu al inschrijven en zo het belang van kwaliteitsborging binnen onze beroepsvereniging helpen onderstrepen.

Gespreksleidraad Waarneming in de Praktijk gepubliceerd

Na een pilotfase is de Gesprekleidraad Waarneming in de Praktijk blijvend beschikbaar gesteld voor leden. De Gespreksleidraad is een handige online tool die waarnemend verloskundigen en praktijkhouders stap voor stap ondersteunt tijdens het gesprek over waarneming in de praktijk. Het biedt structuur en helpt om samen inzicht te krijgen in wat een passend spreekuur- en diensttarief kan zijn, waarbij kosten van het zelfstandig waarnemen, werkervaring, werkzaamheden en diensturen kunnen worden meegenomen. Ook kenmerken van de praktijk spelen een rol, zoals de omvang van de praktijk en mate van ondersteuning, bijvoorbeeld door assistenten, managers en collega verloskundigen.  De Gespreksleidraad is.tot stand gekomen op verzoek van leden en in samenwerking met een werkgroep van praktijkhouders en waarnemers. Ook externe experts hebben meegedacht over inhoud en vorm.

De Gespreksleidraad, de bijgewerkte handleiding en de Q&A zijn nu beschikbaar op de pagina Waarnemersvergoedingen.


Update KNOV: ontwikkeling richtlijnen en kwaliteitsdocumenten

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-2

Je ziet ze vast weleens voorbijkomen: oproepen om bijvoorbeeld deel te nemen aan een werkgroep voor de ontwikkeling van een kwaliteitsdocument. Of om commentaar te geven op een conceptrichtlijn. Dat vraagt de KNOV je niet zomaar: richtlijnen en andere kwaliteitsdocumenten moeten aansluiten bij de behoeften van verloskundigen, de nieuwste inzichten en de actuele vraagstukken uit het dynamische werkveld. Zo ontwikkelen we samen praktische handvatten om de kwaliteit van de verloskundige zorg hoog te houden. Een korte update over de ontwikkeling van diverse kwaliteitsdocumenten.

NVOG-Protocol Datering van de Zwangerschap (2025) 

Aan dit document heeft de KNOV niet meegewerkt
De intensieve samenwerking tussen verloskundig hulpverleners in de eerste lijn, tweede lijn en perinatologische centra, vraagt om een eenduidige manier van zwangerschapsdatering. Hieronder wordt verstaan het betrouwbaar vaststellen van de zwangerschapsduur en daarmee de aterme datum. In een eerder besluit heeft het KNOV-bestuur vastgesteld geen goedkeuring te verlenen aan het protocol, omdat deze monodisciplinair is opgesteld en de KNOV niet als (mogelijk) autoriserende partij is benaderd. Dit principiële bezwaar blijft staan. Echter, na signalen uit het werkveld over onduidelijkheid welke aanbevelingen voor verloskundigen gelden bij het bepalen van de zwangerschapsduur, heeft het KNOV-bestuur na heroverweging besloten het protocol ‘Datering van de zwangerschap – versie 3.0’ alsnog goed te keuren. Het protocol is gepubliceerd op de website van de NVOG.

Praktijkkaart
Bij dit protocol heeft de KNOV een praktijkkaart met een samenvatting van de belangrijkste wijzigingen en aanbevelingen voor verloskundigen. De praktijkkaart vind je op de website van de KNOV.

NVOG-Kwaliteitsnorm Foetale Echoscopische Parameters (2025) 

Dit document heeft een voorwaardelijke autorisatie gekregen
De kwaliteitsnorm Foetale Echoscopische Parameters beschrijft voor de foetale echoscopische parameters welke referenties en methodieken gebruikt dienen te worden in Nederland. Deze norm verwijst naar het NVOG-protocol Datering van de zwangerschap - versie 3.0 voor kaders waarbinnen de parameters gebruikt mogen worden om de zwangerschapsduur te berekenen. Het KNOV-bestuur heeft besloten om een voorwaardelijke autorisatie af te geven voor de kwaliteitsnorm.

Richtlijnen, handreikingen en andere kwaliteitsdocumenten helpen je om in de praktijk keuzes te maken voor de juiste zorg, passend bij jouw cliënt. Het kan zijn dat je tijdens je werk hiaten en knelpunten tegenkomt. Deze inventariseren wij graag. Je kunt knelpunten en hiaten eenvoudig met ons delen. We bespreken dan jouw input met de betrokken partijen. Klik hier voor het online formulier.


NIEUW! KNOV – de podcast

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-2

Zin in inspiratie over ons vak? In KNOV – de podcast gaan Ruth Evers en Suzanne Thompson, beiden senior programmacoördinator bij de KNOV, in gesprek met collega’s uit het vak en experts die vanuit verschillende perspectieven naar de verloskunde kijken. Samen verkennen ze wat ons vak zo bijzonder maakt: van beroepsidentiteit en kernwaarden tot geschiedenis, autonomie en maatschappelijke impact.

In KNOV – de podcast hoor je persoonlijke verhalen en luister je naar gesprekken over thema’s die ons allemaal raken. Waar liggen onze roots? Wat onderscheidt ons van andere zorgprofessionals? Hoe geven onze kernwaarden richting aan ons dagelijks werk? En welke rol hebben wij in de maatschappij van vandaag?

‘Als 70% van de primi’s klinische zorg nodig heeft, doen we dan de juiste dingen’
Marianne Prins, aflevering 4

‘Autonomie gaat niet over: ik ben de baas en ik bepaal. Autonomie wordt dan ineens: ik vertrouw jou zo erg, dat ik op de meest kwetsbare momenten in mijn leven kan zeggen; ik geef jou een stuk van die verantwoordelijkheid omdat we die vertrouwensrelatie met elkaar hebben.’
Bahareh Goodarzi, aflevering 5

Met bijdragen van Michelle ten Berge, Carien Baas, Marianne Nieuwenhuijze, Hieke Huistra, Marianne Prins, Miran Gerritsen, Bahareh Goodarzi, Inge van Nistelrooij, Jolanda Liebregts, Raymond de Vries en het bestuur, senior programmacoördinatoren en de directeur van de KNOV biedt de podcast inspiratie voor verloskundigen die met plezier willen blijven werken, herkenning zoeken bij collega’s en verschillende perspectieven willen horen.


Q&A: een tolk inschakelen

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-2

De medewerkers van het KNOV-bureau krijgen allerlei vragen van verloskundigen. In deze rubriek lichten we veelgestelde of opvallende vragen uit. Dit keer:

Zit de tolktelefoon in het tarief voor cliënten die beperkt Nederlands of Engels spreken?

Een noodzakelijke tolk voor anderstaligen wordt altijd vergoed. De richtlijn ‘Omgaan met taalbarrières in de zorg en het sociaal domein’ (oktober 2025) biedt aanbevelingen voor communicatie in situaties waarin (mogelijk) sprake is van een taalbarrière. Besluiten jij en je cliënt dat een professionele talentolk nodig is voor het gesprek? Dan kun je via verschillende routes een tolk inschakelen. Doorloop hiervoor de stappen van het stroomdiagram en krijg snel antwoord op de vraag welke vergoeding er beschikbaar is voor jouw specifieke cliënt.

Microlearning

Wil je meer weten? In de KNOV-academie vind je een microlearning met uitleg over de inzet en vergoeding van een talentolk. De KNOV-academie is de nieuwe implementatie-, leer- en ontwikkelomgeving van de KNOV, speciaal voor verloskundigen die hun kennis willen verdiepen en direct willen toepassen in de praktijk.

     


Meer zorgverleners, minder zwangeren, toch ­capaciteitsproblemen: wat laten de cijfers zien?

Tekst: VRHL Content en Creatie, 2026-2

In het vraagstuk rondom de capaciteit in de geboortezorg staat vaak één woord centraal: personeelstekort. Maar als je de data van de afgelopen twintig jaar met elkaar vergelijkt, zie je dat het aantal geboortes daalt en het aantal zorgverleners juist stijgt. Toch ervoer 55% van de patiënten in 2024 tekorten in de geboortezorg.1  We zetten de cijfers voor je op een rij.

In 2000 werden in Nederland 206.619 kinderen per jaar geboren. In 2024 waren dat er 166.143.2 Het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw toen kreeg, was 1,43: het laagste aantal ooit. In dezelfde periode is het aantal zorgverleners juist toegenomen. Er zijn meer verloskundigen, meer gynaecologen en meer obstetrieverpleegkundigen dan ooit.3 Vooral het aantal klinisch werkende verloskundigen groeide sterk: van 245 rond 2000 naar ongeveer 1.000 nu. Een uitzondering op deze stijgende lijn lijkt de kraamzorg te zijn: het aantal professionals en fte bleef daar ongeveer gelijk. Wel was er een verschuiving naar meer zzp-constructies.4

Op basis van deze cijfers zou je verwachten dat de druk op de geboortezorg afneemt. Minder cliënten betekent immers een kleinere zorgvraag. Zorg die bovendien door meer professionals wordt gegeven. Maar zo eenvoudig ligt het niet. De cijfers die we hier tonen zijn de landelijke cijfers. We hebben bijvoorbeeld geen cijfers van de verdeling van deze professionals over het land.

Een andere factor die kan zorgen voor tekorten, is wat en hoeveel we doen. De hoeveelheid geleverde zorg per zwangere is de afgelopen jaren toegenomen. De cijfers laten zien dat het aantal CTG’s in het ziekenhuis tussen 2012 en 2024 steeg van circa 320.000 naar 480.000.5 Daarnaast zien we sinds 2000 een stijging van het aantal echo’s6 en wordt er bijvoorbeeld eerder gecounseld voor inleiding bij naderende serotiniteit.7 Ook zien we grote verschillen in inleidingspercentages tussen ziekenhuizen (van 14% tot 41%)8 en een stijging van het aantal sectio’s (van 16,1% naar 18,4%).9

Terwijl:
• de gemiddelde leeftijd van zwangeren de laatste jaren nog maar beperkt stijgt;
• het percentage zwangeren dat rookt en alcohol drinkt daalt;
• het aandeel zwangeren in kwetsbare situaties (volgens de Landelijke Monitor Kansrijke Start) afneemt).10

Kortom: de zorg is intensiever, zonder dat de zorgvraag aantoonbaar zwaarder is geworden.

Uitkomsten

Nu rijst de vraag: levert al die extra zorg ook betere uitkomsten op? De beschikbare data laten zien dat de uitkomsten in de geboortezorg de afgelopen jaren relatief stabiel zijn gebleven. We moeten onszelf dus afvragen: dragen alle extra interventies, monitoring en diagnostiek daadwerkelijk bij aan betere zorg – of vooral aan meer werkdruk? Oftewel: doen we wel de goede dingen? Deze vragen sluiten ook aan bij het rapport van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving Iedereen bijna ziek over diagnose-expansie: het fenomeen waarbij we steeds meer diagnostiek en screening inzetten en steeds meer, steeds vroeger en steeds laagdrempeliger diagnoses stellen.11 Meer screening en (vroege) diagnostiek kunnen leiden tot overdiagnoses en toegenomen angst.

Bevallocatie

Sinds een aantal jaren komt het regelmatig voor dat ziekenhuizen aangeven dat ze geen plek meer hebben, of niet voldoende personeel. Bij klinisch verloskundigen liggen afdelingen regelmatig vol en is er weinig tijd voor de cliënt. En het kost voor de eerstelijnsverloskundigen tijd om een ziekenhuis te vinden waar wél plek is, de reistijd wordt langer en ze moeten een achterwacht inschakelen als ze het gebied uitgaan.

In 2024 vond 74,3% van de bevallingen plaats in de tweede lijn, 10,5% poliklinisch, 2,4% in geboortecentra, 12,6% thuis en 0,3% onderweg/onbekend. Deze verdeling is de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven. Dit betekent dat de druk op de ziekenhuizen niet primair komt door meer bevallingen, maar door intensievere zorg per bevalling. We kunnen dus vraagtekens plaatsen bij de hardnekkige aanname dat er sprake is van een landelijk personeelstekort. De cijfers suggereren eerder een verdelings- en organisatievraagstuk:

• er zijn minder locaties voor acute zorg12 (van 81 in 2017 naar 71 in 2025, maar per locatie waren er gemiddeld nog nooit zoveel zorgmedewerkers);
• we zijn meer tijd kwijt aan administratie en overleg13;
• er is minder directe cliëntgebonden tijd.14

'De oplossing: niet meer zorg, maar betere keuzes'

Oplossingsrichtingen vanuit de KNOV

We hebben te maken met een spagaat tussen de korte en de lange termijn. Op korte termijn is het belangrijk dat alle diensten gedraaid worden. Op de lange termijn gaat het erom de beschikbare tijd efficiënt te besteden, om de werkdruk te verlagen. Het aantrekken van meer personeel lijkt een logische oplossing, maar waarschijnlijk lost dit het probleem niet volledig op. Bovendien kan de groei van het aantal zorgverleners niet eindeloos doorgaan. Ook in organisatieveranderingen en meer beleidsmatig overleg ligt niet de oplossing. De data wijzen eerder richting een andere benadering:

• passende zorg: kritischer kijken naar wat echt nodig is en naar wat beschermend werkt tegen onnodige zorgconsumptie;
• een sterke poortwachtersrol voor de verloskundige: niet alles medicaliseren en meer focus op gezondheidsbevordering en gezond ouderschap;
• minder administratieve lasten: meer tijd voor cliënten;
• betere samenwerking en gegevensdeling: voorkomen van dubbele zorg;
• aandacht voor werkplezier en autonomie: essentieel voor personeelsbehoud.

Dat roept ook de vragen op: durven we ‘nee’ te zeggen tegen zorg die weinig toevoegt en hoe nemen we zwangeren mee in die keuzes?

Betere balans

Het is de verwachting dat het aantal geboortes de komende jaren mogelijk licht stijgt door demografische ontwikkelingen. Tegelijkertijd zal de vraag van zwangeren niet spontaan veranderen: ze stellen vragen, zijn breder geïnformeerd en hebben soms hoge verwachtingen. Dit betekent dat de druk op de geboortezorg niet vanzelf verdwijnt. De echte uitdaging is het systeem veranderen: zorgen voor een betere balans tussen vraag en aanbod, zorg en waarde, en tussen professional en cliënt. Kritisch evalueren en keuzes maken dus.

Bronnen
1. Patiëntenfederatie Nederland | Onderzoek naar tekorten in de geboortezorg
2. CBS
3. Cijfers uit de Nivel-registratie van verloskundigen: resultaten van de peiling 2023. | Nivel en Medisch geschoolden; specialisme, arbeidspositie, sector, leeftijd | CBS en capaciteitsplan-2022_2025-deelrapport-8-fzoavp-def-12-jan-23.pdf
4. Kraamzorg-prognosetool-2.0-FWG_20240314-1.pdf
5. Opendisdata
6. NVOG modelprotocol ‘Datering van de zwangerschap’ 2011
7. Beleid zwangerschap vanaf 41 weken - Richtlijn - Richtlijnendatabase
8. Zondag DC, Offerhaus PM, Keulen JKJ, van Haaren–ten Haken TM, Nieuwenhuijze MJ (2024) Practice variation in induction of labor: A critical document analysis on the contribution of regional protocols. PLoS ONE 19(10): e0311032. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0311032
9. Perined, Utrecht, 2026, geraadpleegd via: www.peristat.nl
10. Zorg rond de geboorte | Volksgezondheid en Zorg
11. Iedereen bijna ziek - Over de keerzijden van diagnose-expansie | Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
12. Bereikbaarheidsanalyse SEH’s en acute verloskunde 2025 | RIVM
13. KNOV Basistakenpakket 2024
14. Nivel registratie 2023